|
De Brugse
poort

Tekening van een der poorten
van Damme - de Koolkerkse Poort en het Mortierken - op een plan van de Zeughe
van Pieter Pourbus (RAB)
De oude Brugse Poort was één der zeven
poorten van de stad op de oude stadswallen. Toen de nieuwe fortificaties in 1616
gedurende het Twaalfjarig Bestand 1609-1622 werden opgetrokken, werden de oude
poorten afgebroken en werden er twee nieuwe gebouwd, de Onze-Lieve-Vrouwepoort
dicht bij de kerk en de Sint-Antoniuspoort aan het andere uiteinde van de stad.
In mei 2001 werden er door Natuur-Punt
(toen nog Natuurreservaten vzw) graafwerken uitgevoerd om een nieuwe
waterpartij in het reservaat 'de Oude Stadswallen' te creëren. Onder de mom van
restauratie van de fortificatie werd er op onverantwoorde wijze gegraven en werd
niet alleen een deel van de buitengracht van de fortificatie van 1616 zonder
archeologisch onderzoek uitgegraven, maar ook een deel van de gracht van de oude
stadswallen. Bij het aansnijden van deze stadswallen werden de overblijfsels van
de oude Brugse Poort blootgelegd.
Om de fout te verdoezelen werd er door de
ambtenaar van Monumenten en Landschappen en door de ambtenaar van het IAP een
theorie uitgewerkt om te bewijzen dat dit bouwwerk een sluisje was uit de 17de
eeuw. Toen door mij echter werd bewezen dat dit onmogelijk was, gezien de
waterstand in de 17de-eeuwse grachten boven dit 'sluisje' zou gestaan hebben,
werd er gesproken van de 18de en zelfs van de 19de eeuw. Maar ook deze theorie
gaat niet op, gezien zelfs nu, bij hoge waterstanden, het bouwwerk volledig
onder het wateroppervlak verdwijnt.
Op geen enkele kaart uit die periode staat
er daar een sluisje aangeduid. Op een kaart uit 1703 staat er wel een sluis op
de plaats waar er nu nog altijd aan de Polderstraat een brugje, met de restanten
van een sluisje, bestaat. Daarentegen komt de plaats overeen met die van de
Brugse Poort op de kaarten van Deventer en Pourbus. In de bouwput werden er ook
artefacten uit de 15de eeuw teruggevonden, wat nogmaals een bewijs is dat dit
bouwwerk zeker uit die periode stamt.
Alles wijst erop dat het bouwwerk de
Brugse Poort is, maar dit toegeven zou natuurlijk pijnlijk zijn voor zowel
Natuurreservaten vzw, die de eigenaar en opdrachtgever was, als voor de
Provincie, wiens diensten de plannen tot uitgraven tekenden, alsook voor
Monumenten en Landschappen, wiens ambtenaar zonder enig onderzoek de kwakkel van
het sluisje uitvond, en voor het IAP, wiens ambtenaar maar op de plaats der
opgravingen kwam als alles reeds uitgegraven en verstoord was en er zeer vlug en
zonder grondige studie de contouren van het bouwwerk met de kraan liet uitgraven
en zijn conclusies trok.
De laatste jaren werden er op twee
plaatsen door Natuurreservaten vzw graafwerken uitgevoerd in de buitengracht van
de fortificatie, twee maal op volledig verschillende manier alhoewel zij beweren
dat ze de fortificatie willen restaureren. Had men bij het graven van het tweede
project, de hellingen van het eerste project aangehouden, dan was de Brugse
Poort nooit blootgelegd.
Hoe zoiets kon gebeuren bewijst nogmaals
het weinig respect dat de mensen van Natuur-Punt hebben voor alles wat geen
'natuur' is. Nu het tij gekeerd is en men meer en meer teruggaat naar de natuur,
voelen zij zich heer en meester. Wat zij vroeger aan de boeren verweten, kan men
hen nu verwijten: het weinig respect voor wat niet in hun kraam past.
Zichtbare deel van de Brugse Poort
bij de graafwerken in 2001. Het
grootste deel ligt onder het wateroppervlak.
|

Brugse
Poort in de zomer van 2003 |

Overdekte
Brugse Poort in de herfst van 2003 |
In september 2003 heeft men de Brugse
Poort met een laag aarde afgedekt, zonder dat enig verder onderzoek werd
gevoerd, zonder dat zelf metingen van het ganse bouwwerk werden gedaan. De
bevoegde overheden vinden dit bouwsel ogenschijnlijk onbelangrijk.
Hier volgt mijn bewijsvoering
betreffende de Brugse Poort
OPMERKINGEN OP HET RESTAURATIEPROJECT STADSWALLEN DAMME
POLDERSTRAAT
-
De breedte en de
richting van de buitengracht vóór het ravelijn
Op praktisch alle
kaarten van de 17de-eeuwse stadswallen is te zien dat de buitengracht
vóór elk ravelijn beduidend smaller is dan de buitengracht vóór de daarop
aansluitende courtines en zelfs smaller dan de grachten vóór de halve manen.
De kaarten en plannen,
waarvan ik een kopie bezit, zijn de volgende:
-
Planta de la nueva fortificaçion de Dama, opgemaakt door Flamen in 1617,
Archief van Simancas, MPgD IV-86.
-
Plan van Damme, opgemaakt door J.M. Koeck in 1649, eigen collectie.
-
Geschilderde kaart van J. Lobberecht uit 1660, stadhuis Brugge.
-
Planta de la villa de Dama, opgemaakt door kapitein Juan Antonio Snavels
in 1688, Privé-collectie te Damme.
-
Plan van de fortificatie, met het hoornwerk en een project tot
uitbreiding, opgemaakt door Antoine-François Lemercier de Senneton de Chermont,
Frans militair ingenieur, in 1702 ; met een volledige beschrijving van de
voorziene uitbreidingswerken, opgemaakt door Vauban, Service Historique de l’Armée
de Terre, Château de Vincennes, Archives du Génie, Article 14, Places étrangères,
dossier Damme 1701-1803, Tablettes, nr 3. Hierbij horen verschillende plannen
van de fortificatie van Damme, opgemaakt door Senneton de Chermont en Touros,
waarvan kopie in mijn bezit.
-
Plan van de fortificatie, met het hoornwerk en project tot uitbreiding,
opgemaakt in 1703,
Service
Historique de l’Armée de Terre, Château de Vincennes, Archives du Génie, Article
14, Places étrangères, dossier Damme 1701-1803,
Tablettes, nr 17.
-
Plan van de fortificatie, opgemaakt in 1746,
Service Historique de l’Armée de Terre, Château de Vincennes, Archives du Génie,
Article 14, Places étrangères, dossier Damme 1701-1803,
Tablettes, nr 16.
-
Plan, opgemaakt voor de percelering bij de verkoop van de fortificatie in
1782, RAB, Kaarten en plannen.
-
Kaart van Brugge tot Sluis, met de fortificatie van Damme, Brugge, Sluis,
het fort St. Donaas, Verse en Zoute vaart, opgemaakt in 1792, SAB, Kaarten en
plannen, nr. 22.
-
Plan van de fortificaties van Damme, opgemaakt door kapitein commandant
De Fontreras in 1832, Kon. Legermuseum Brussel.
-
Popp-kaart uit de periode 1840-1850.
-
Plan van Damme, van arch. Lantsoght uit 1947, in Damme, van Huib
Hoste, 1956.
-
Plannen, opgemaakt door J. Vertriest in 1997, voor LIN – AOSA – ATO, waar
ook alle hoogtelijnen van de nu bestaande situatie op staan.
Zelfs op de ‘plannen
met hoogtelijnen en het ortofotoplan’ van Johan Vertriest (1997) van Aminal –
LIN – AOSO - ATO is door vergelijking van het ravelijn aan de kijkhut van de vzw
Natuurreservaten en dit aan de kant van de Romboutswervedijk op de scheiding van
de eigendommen van de vzw Natuurreservaten en van de heer en mevrouw d’Hoest met
dat aan de Polderstraat te controleren dat de buitengracht vóór een ravelijn
smaller is dan wat nu is uitgegraven aan de Polderstraat..
Een proefsleuf dwars
door de buitengracht wees op een breedte van zowat 25 m ter hoogte van het
maaiveld.
Buiten de buitengracht
werd bij de aanleg van de nieuwe stadswallen rondom een strook van ‘honderd
voeten brabandts’ aangebracht ( dit is de benaming van 1616;
onder de Franse periode werd deze strook ‘glacis’ genoemd). Zetten we die maat
uit vanaf de buitengrens van de versterking ( de nu nog bestaande grens tussen
de weiden) naar de buitengracht toe, dan zou de gegraven gracht te ver zijn
uitgegraven. De breedte van de 100 voeten is gemakkelijk te controleren langs de
kant van de courtine.
Om de breedte van de
buitengracht te bepalen heeft men zich waarschijnlijk gebaseerd op een
doorsnede, opgemaakt door Senneton de Chermont in 1701. Deze doorsnede AB staat
echter dwars op een courtine en op die plaats is de buitengracht merkelijk
breder dan vóór een ravelijn. De breedte voor het ravelijn is maar 2/3 van de
breedte vóór de courtine.
Overigens toont deze
doorsnede aan dat de oorspronkelijke helling van de buitengracht steiler was dan
nu is uitgevoerd, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde. Als we de helling
aan de buitenzijde vergelijken met die aan de Zeugeslag, dan zien we dat de
helling aan de Zeugeslag een hoek van 145° vormt met de bodem van de gracht en
aan de Polderstraat 165°. Beide zouden moeten gelijk zijn. 145° is de hoek van
de bestaande tekeningen uit 1701. Zelfs in de veronderstelling dat de richting
van de gracht juist zou zijn, dan zou in die optiek de helft van het sas van het
bouwwerk onder de grond verdwijnen, indien men de helling van 145° had
aangehouden
Niet overal is slechts
tot op de humuslaag van de oorspronkelijke gracht uitgegraven. Overal aan de
schuine kanten is men buiten het profiel gegaan. Er is heel wat humuslaag mee
afgevoerd om de courtine te reconstrueren. De helling die op het plan met
terreinprofielen voor de werken aan de buitenzijde van de gracht werd getekend
werd bij de uitvoering der werken niet gerespecteerd, wat erop neerkomt dat ook
aan deze zijde de gracht veel groter wordt dan de originele.
Een duidelijke
aanwijzing voor het te veel uitgraven van de gracht is het feit dat met de
uitgegraven aarde niet alleen de verdedigingswal van het ravelijn werd
herschapen maar ook de wal van de volledige courtine en een nieuwe dijk tussen
de eigendom van Natuurreservaten vzw en het Zuidervaartje aan de kant van de
Damse Vaart. Ik denk dat men juist heeft uitgerekend wat nodig was aan aarde en
zo het uitgraven heeft voorzien. Er was niets te veel en niets te weinig!
In de gegraven helling
van het ravelijn vindt men drie duidelijk verschillende grondsoorten. Eerst, het
dichtst bij de courtine, zuiver zand, met erboven een fijne laag turf. Dit laat
veronderstellen dat daar nooit gegraven werd en men zeker te ver gegraven heeft.
Ernaast een brede strook met puin. Daarnaast weer zand. Ten laatste is er nog
een kleine overblijvende strook humuslaag van riet, waar nog duidelijk de
richting van de originele gracht kan bepaald worden. Door het feit dat de
zandlaag gedeeltelijk werd afgegraven kan men in de hoek van de courtine met het
ravelijn ook nagaan waar de helling daar begon.
Een duidelijke
vergelijking voor zowel de breedte, als het profiel kan gemaakt worden met de
gracht en het ravelijn aan de kant van de Romboutswervedijk op de scheiding van
de eigendommen van de vzw Natuurreservaten en van de heer en mevrouw d’Hoest.
Daar is de breedte van de gracht relatief duidelijk terug te vinden enerzijds,
en is de zijkant van de buitengracht aan de kant van het ravelijn zeer goed
behouden. Men mag zeggen dat de glooiing van de gracht aan de binnenzijde
dezelfde is als aan de buitenzijde. Vanaf het maaiveld begint dan de glooiing
van het ravelijn.
Wanneer men de nu
uitgegraven gracht rond het ravelijn zou doortrekken, dan komt men met de bocht
ervan over de Polderstraat, wat duidelijk in tegenspraak is met wat op alle
plannen te zien is. Die bocht werd ook niet voorzien bij de huidige graafwerken.
Wanneer men zich
baseert op de richting van buitengrens van de 100 voeten brabandts enerzijds en
de richting aangegeven door de nog zichtbare restanten van de humuslaag
anderzijds, komt men tot de vaststelling dat de richting van de nu uitgedolven
gracht verkeerd is. Verder zou de punt van het ravelijn, bij het doortrekken van
de nu gedolven gracht en de nog bestaande gracht aan de andere zijde van het
ravelijn op een totaal onmogelijke plaats terechtkomen en zou het ravelijn een
totaal andere vorm krijgen dan wat op de kaarten te zien is enerzijds en schuin
liggen ten opzichte van de courtine van de binnenwal anderzijds.
Een ander duidelijk
element voor de bepaling van de richting van de gracht is de hoek, die wordt
gevormd door de lijn van de buitenzijde van de gracht aan de courtine en van de
kleine gracht voor het ravelijn. Als men de hoek, gevormd door de buitenzijde
van de gracht voor de courtine en de zichtbare gracht voor het ravelijn, bekijkt
op het ortofotoplan en vergelijkt met de hoek op de plannen van 1702, 1703,
1782, 1792, 1832 en op de Popp-kaart, alsook op de kaart van Vermeersch uit
1947, dan vindt men altijd juist dezelfde zuivere hoek terug (112°). Al deze
plannen en kaarten werden echter door andere personen en in andere periodes
opgesteld. Vergelijkt men deze hoek met de hoek op het plan van de Provincie
voor de opgravingen, dan ziet men dat er een zeer groot verschil is.
Indien men zich op
deze gegevens baseert om de richting aan te duiden, dan komt men ook tot de
bevinding dat de rietkraag, die nu langs de bestaande afvoergracht tussen de
eigendommen van Natuurreservaten vzw en van de heer Dalle groeit, een duidelijke
aanwijzing voor de doorsnede van de buitengracht van het ravelijn is.
Ook de vorm van het
ravelijn is niet gerespecteerd, noch naar de historische vorm, noch naar de vorm
voorgesteld op de profieltekeningen van de Provincie. De helling vanaf de gracht
tot aan het hoogste punt van het ravelijn moet een doorlopende zachte helling
zijn. Hier werd de aarden wal van de courtine gewoon doorgetrokken, wat een
volledig verkeerd beeld toont van een ravelijn.
-
Over de
opgegraven muren
De kern van het
bouwwerk bestaat uit blauwsteen, natuursteen en bakstenen. De bakstenen, die in
deze kern werden gebruikt, zijn van het formaat 23/25 x 11 x 6. Dit leidt ons
naar de eerste helft van de 14de eeuw. In de aangebouwde en verbouwde
delen hebben nagenoeg alle bakstenen een lengte van 20/21 cm, een breedte van
9/10 cm en een hoogte van 4,5/5 cm. Deze stenen zijn typisch voor het einde van
de 14de tot het einde van de 15de eeuw. In heel het
bouwwerk is geen enkele steen te vinden met de afmeting 19/21 cm lang, 6/7 cm
hoog en 9/10 cm breed die zouden kunnen wijzen op een bouwwerk uit de 17de
eeuw. Ook de kleur van de bakstenen is typisch voor de vroege periode;
geel-oranje en gevlamde stenen. In de 17de eeuw zijn de bakstenen
veel roder. Deze opmerkingen zijn gestaafd aan de artikelen, die door de heren
Hubert De Witte voor de graven van de O.L.Vrouwkerk te Brugge (in ‘Maria van
Bourgondië’ uit 1982)
en Luc Devlieger voor die van de Sint-Salvatorskathedraal (in M&L 14/1 uit 1995)
werden geschreven. Zowel bij de heer De Witte (p. 92) als bij de heer Devlieger
(p. 47) wordt het formaat 21 x 10 x 5 gedateerd in de periode tweede helft van
de 14de – begin 15de eeuw. Ook graf 5 van de opgravingen
buiten de O.L.Vrouwekerk van Damme uit 1999, gedateerd 1350-1400, bestond uit
gele bakstenen van het formaat 21 x 10 x 5.
Er is heel veel aan
het bouwwerk verbouwd geweest, wat bewijst dat het een belangrijk onderdeel moet
zijn geweest van de vestingen. Veel van die verbouwingen wijzen op vroegere
waterdoorgangen. Ook de gleuf boven de blauwsteen heeft allicht met
waterregularisatie te maken. Opvallend is wel dat die watergangen zeer laag
liggen (licht boven de huidige grondwatertafel). Dit zou er kunnen op wijzen dat
ze in gebruik waren in de middeleeuwse vestingen waar het waterpeil van de
grachten veel lager was dan bij de 17de-eeuwse opvolger. De 17de-eeuwse
gracht was zeker 2 meter diep te rekenen boven het bodemniveau van de gracht
(zie het profiel van Senneton de Chermont uit 1701). De blootgelegde constructie
kan onmogelijk nog een functie gehad hebben bij de 17de-eeuwse
waterafvoer, gezien het toen zeker 60 cm onder de waterlijn zou gelegen hebben.
Ook veronderstellen dat dit bouwwerk zo vele malen werd verbouwd in de nieuwe
stadswallen is onrealistisch. Daarvoor had men iedere maal dammen er rond moeten
aanleggen om de bouwput droog te kunnen leggen en te verbouwen.
Mocht dit volumineus
bouwwerk 17de-eeuws zijn dan moest het toch zeker terug te vinden
zijn op 17de- en 18de-eeuws kaartmateriaal, wat niet het
geval is. Dit zou het in elk geval moeten zijn, indien het om een 18de-eeuws
bouwwerk zou gaan. Daarentegen vindt men op alle kaarten het sas van de
Slekkeput wel terug. Dit sas was vanaf 1702 volledig buiten dienst en toch staat
het nog op de plannen tot in de 19de eeuw.
Op de kaart van 1702
is er aan de buitenkant van de buitengracht, juist voor de punt van het ravelijn
een duiker/sluis getekend. Het is ook deze duiker/sluis die nu nog altijd op
deze plaats de afvoer van het water van de grachten regelt. In 1702 diende het
reeds om het water in de buitengracht te regelen. Er was in de 18de
eeuw zeker geen nood meer aan een ander bouwwerk voor waterregulatie op deze
plaats. Maar zou het bouwwerk toen zichtbaar geweest zijn, dan had Senneton de
Chermont het zeker op zijn kaart getekend.
Het is niet onlogisch
aan te nemen dat bij de aanleg van de nieuwe fortificatie het bouwwerk deels in
de weg lag. Deze is - waar nodig - op het niveau van de bodem van de gracht
horizontaal weggekapt en verder schuin volgens de helling van de buitengracht,
wat duidelijk te zien is. Wat niet in de weg lag is grotendeels in de grond
gebleven.
Een duidelijke
aanwijzing dat dit bouwwerk niet uit de 17de eeuw stamt, maar zeker
van vroeger dateert is ook de samenstelling van de aarde, die uit het sas
gegraven werd. Dit is zuivere klei, wat wijst op een langzame, lange
aanslibbingperiode van langer dan een eeuw. Deze klei is zeer verschillend van
de materie die uit de nieuwe grachten werd gegraven. Ook buiten het sas is er
klei aanwezig, maar geen humuslaag op de hoogte van de bodem van de nieuwe
gracht. In het sas is er wel een laag riet terug te vinden juist onder de gleuf
van de overloop, wat een verdere aanwijzing is, dat dit niets te maken heeft met
de nieuwe grachten, gezien het niveau ervan zeker 1 m onder het waterniveau van
de nieuwe gracht ligt en 1 m boven de bodem van deze gracht.
In het sas van het
bouwwerk en in de bedding ervóór heb ik in deze laag verschillende
keramiekscherven gevonden, die dateren van vóór 1600, wat duidelijk aanwijst dat
het bouwwerk toen reeds in gebruik was, alsook een stuk leder van een schoen,
ook te dateren 15de-16de eeuw. De heer De Wilde beweerde
echter dat er niets te vinden was uit deze periode.
Een andere aanduiding
zou een dendrochronologisch onderzoek kunnen zijn van de palen en de damplanken,
die in het sas en naast het bouwwerk stonden en waarvan er nog enkele zijn
blijven staan. De andere werden met de graafmachine, zonder nader onderzoek,
weggraven en afgevoerd. Ik heb er 1 kunnen redden.
We hebben ook nog
ander vergelijkingsmateriaal te Damme, namelijk het sas in de Slekkeput aan de
Rabattestraat, dat werd gebouwd rond 1660, in volle periode van de nieuwe
stadswallen. Daar vinden we in de originele onderbouw stenen van het formaat 21
x 10 x 6/6,5. De kleur is rood, volledig verschillend van de gele kleur van de
stenen van het bouwwerk aan de Polderstraat.
Beide sassen hebben
een gelijklopende levensloop gekend, eerst een periode in het water, dan een
periode onder de grond. Als men de hardheid van de mortels van beide sassen
nagaat, dan komt men tot de vaststelling dat die van de Slekkeput veel harder is
dan die van de Polderstraat, wat weer een aanwijzing is van verschillende
bouwperiodes. De Slekkeput is veel jonger dan de Polderstraat.
Omdat ik niet kan
zeggen dat ik een echte specialist ben in deze materie, alhoewel ik de laatste
jaren nogal wat ervaring heb opgedaan, heb ik ook nog raad gevraagd aan een
archeoloog. Hubert De Witte, archeoloog van stad Brugge, is het bouwwerk komen
onderzoeken en heeft bevestigd wat ik hier poneer, namelijk dat het bouwwerk
zeker niet dateert uit de 17de eeuw en waarschijnlijk uit de 15de
eeuw is. Ook de scherven en de leren zool uit de bouwput heeft hij in de 15de
eeuw geplaatst.
-
Ligging van de
Grote Brugse Poort
Om het middeleeuwse
Damme te situeren op de huidige plattegrond wordt meestal verwezen naar de
schets die Luc Devliegher presenteerde in “Kunst Patrimonium van West-Vlaanderen
- Damme” (p. 22). Volgens die kaart zou de Grote Brugse Poort zich dan ongeveer
in het moerasbosje bevinden van de buitengracht in de hoek van de Polderstraat.
Projecteren we echter
de middeleeuwse kaart van Deventer of de kaart van Pourbus (opgemaakt voor het
geschil tussen Damme en de Broekpolder in 1573) dan stellen we vast dat de Grote
Brugse Poort zich situeert op de rand van de punt van het ravelijn en de
buitengracht. Dit zou overeenkomen met de blootgelegde muren. Als we de kaart
van Pourbus bekijken zien we ook dat de poort zich op de lijn tussen de molen en
de kreek in de Broek bevindt (zie bijlage). Dit is ook het geval voor het
blootgelegde bouwwerk.
In zijn artikel ‘De
versterkingen van Damme op het einde van de 16de eeuw’ analyseerde
Albert de Keyser een bestek uit het einde van de 16de eeuw en bracht
de bekomen gegevens, samen met die van de kaart van Pourbus over op de
kadasterkaart van Popp. De Grote Brugse Poort situeerde hij op de plaats, waar
het bouwwerk nu is gevonden.
Onderzoek van de hoek
van de bouw naast het sas toont een fundament uit verschillende lagen blauwe
steen van 25 cm hoog, wat wijst op een zeer stevig gebouw.
Mocht dit een deel van
de Grote Brugse Poort zijn dan is het nu de ideale gelegenheid om dit verder te
onderzoeken. Het rudimentaire onderzoek, dat tot nu toe door het IAP werd
gevoerd, is zeker niet voldoende. Dieper graven langs de muren om zodoende de
kern van het bouwwerk bloot te leggen en de oudste periode te kunnen bepalen, op
zoek gaan naar het vervolg van de watergangen, kijken of er nog grotere blauwe
natuurstenen aanwezig zijn (aanzet toren?), …
Besluit
Bij deze
reconstructiepoging van een courtine, ravelijn, buitengracht en glacis in de
hoek van de Polderstraat, is teveel aarde afgevoerd. De breedte van de
buitengracht vóór het ravelijn is te ruim ingeschat. Ook de hellingen zijn te
zacht ingezet zodat uiteindelijk meer aarde is weggevoerd dan bedoeld en
historisch verantwoord is. Zou men de gracht weer op het niveau van de 17de
eeuw met water vullen, dan zou deze, zoals nu uitgegraven, aan het
wateroppervlak een breedte hebben van nagenoeg 50 meter. De originele breedte
was op die hoogte en op die plaats maximaal 25 meter.
Ook de richting van de
uitgegraven gracht is verkeerd ingeschat.
Er moet onderzocht
worden of bij de verdere graafwerken dit kan worden rechtgezet. Zo moet de bocht
van de buitengracht nog worden uitgegraven. Daarbij komt ook nog grond vrij die
kan aangewend worden om een tekort op te vullen.
Nu het metselwerk toch
bloot ligt moet verder onderzoek het mogelijk maken de hypothese ‘Grote Brugse
Poort’ te bevestigen of te verwerpen. Verder moet nagedacht worden over de
consolidatie van het bouwwerk of het terug afdekken ervan.
Nu de hellingen zo ver
zijn afgegraven dat de verschillende geologische lagen zeer duidelijk aan het
oppervlak komen, zou het ook aangewezen zijn daar nu een studie van te maken.
Het lijkt mij
belangrijk dat zeer binnenkort alle belanghebbende instanties en personen rond
de tafel gaan zitten om het vervolg van dit project te bekijken. Het zou goed
zijn mochten er ondertussen geen onomkeerbare werken meer plaats hebben.
Het is zeer belangrijk
dat dit project historisch zo correct mogelijk wordt uitgevoerd, daar het later
zal dienen als referentie voor eventuele verdere restauratiewerken van de
stadswallen.
Bijlage: een plan en
een profieltekening van hoe het eigenlijk had moeten zijn

Hierna ook de plannen, die door Natuurreservaten werden
ingediend bij de voorstelling van het project om subsidies te bekomen. Met deze
plannen is het zeer duidelijk dat zij goed wisten hoe moest gegraven worden.
RAB,
Omlopers Peper, 510, Landen onder de fortificatie van damme (1621).
‘…
de hondert
voeten brabandts de welcke rondtsomme de voorn. stadt syn vytghestecken
buuten den buutecant ende houvere vande veste vande conterscarpen …’
|