|
Drawn after Nature
The complete
botanical watercolours of the 16th-century Libri picturati.
In juni 2008 kwam dit boek uit onder de redactie van Jan de
Koning, Gerda van Uffelen, Alicja en Bogdan Zemanek, uitgegeven
door KNNV Publishing, Zeist, Nederland. Dit boek is de
geannoteerde uitgave van de Libri picturati A18-30, die zich nu
in de Jagielonska bibliotheek te Krakow bevinden. De A18-30 zijn
een deel van de Libri picturati A16-31. A16 en A17 zijn
aquarellen van vogels, vissen en viervoeters; A31 bevat
grotendeels kopieën van de botanische aquarellen uit de
collectie.
Het belangrijkste deel van deze aquarellen is de collectie die
in de in de jaren 60 van de 16de eeuw door jonker
Karel van St. Omaars, gezegd Moerbeke, heer van Dranouter,
Oudenem, Merris, Moerkerke, etc. werd samengesteld te Moerkerke
in Vlaanderen. Hij verzamelde de planten en liet ze door Jacob
vanden Coorenhuuse aquarelleren.
Toen ik in 2002 vernam dat er een project was opgestart om de
Libri uit te geven, heb ik mij kandidaat gesteld om eraan mee te
werken. Jan de Koning liet mij toen weten dat er genoeg mensen
waren in het project. Ook Helena Wille werd uit het project
geweerd. In 2006 hadden wij op het kasteel van Moerkerke een
vergadering met Florike Egmond en mensen van het Vlaams Gewest,
waar de mensen van het Vlaams Gewest voorstelden om na te gaan
of Vlaanderen bereid zou zijn om financieel aan het project deel
te nemen zodat het eventueel mogelijk zou zijn om de volledige
collectie op ware grootte uit te geven. Ons voorstel werd nooit
bestudeerd met als resultaat het boek Drawn after Nature
waarin de meeste aquarellen op grootte van een postzegel worden
voorgesteld, waardoor de teksten die in het boek niet werden
opgenomen onmogelijk te lezen zijn en dit boek voor verder
onderzoek waardeloos is.
Het onderzoek van Helena Wille, alsook dat van mezelf, werd door
verschillende schrijvers in Drawn after Nature gebruikt
om hun artikels te stofferen zolang het in hun artikel paste.
Wanneer onze visie van de hunne verschilde werd die gewoonweg
verzwegen. Dit heeft als gevolg dat dit boek een zeer
tendentieuze visie weergeeft.
Ik wil hier dan ook mijn visie verdedigen en de fouten die in
het boek voorkomen aantonen. Ik zal dit doen pro rata van de
hoofdstukken uit het boek.
The making of the
Libri Picturati A 16 – 30.
Florike Egmond.
One collection?
In het begin van haar betoog schrijft Florike Egmond dat
Ramon-Laca op basis van de analyse van de watermerken op het
papier van de collectie vaststelde dat 1115 van de ongeveer 1300
(en niet 1400 à 1500 zoals zij schrijft) bladen hetzelfde
watermerk droegen (twee gekruiste pijlen met daarboven een ster).
Ze schrijft verder dat dit papier in Fabriano in Italië vanaf
1554 werd geproduceerd en dat het dus uitgesloten is dat er
aquarellen voordien zouden ontstaan zijn. Om dit te bewijzen
baseert Ramon-Laca zich op C.M. Briquet
die verschillende merken (6298-6299-6300) bestaande uit twee
gekruiste pijlen met erboven een ster vond. Ramon-Laca kiest
daaruit het papier van het formaat reale dat in 1554 in
Fabriano werd gebruikt en besluit dat het papier
waarschijnlijk daar werd gemaakt. Er zijn echter een aantal
andere steden waar het papier in dezelfde periode ook werd
gebruikt ( het formaat reale in Praag (1543-48), Ausburg
(1554), Firenze (1518-28), Pistoia (1524-40), Rome (1527-66) en
Fabriano (1554 en 1576); het formaat imperiale in Brussel
(1551-56)).
Uit de steden waar het papier werd gebruikt Fabriano uitpikken
en omdat daar in 1554 papier met het watermerk werd gebruikt
gaan beweren dat het onmogelijk is dat er voor dit jaar
aquarellen werden gemaakt is nogal ver gezocht. Als men dan toch
een jaartal zou moeten kiezen waarvoor het weinig waarschijnlijk
is dat Karel de collectie heeft samengesteld, dan zou ik opteren
voor het jaar 1559. In dat jaar stierf Karel’s moeder Anna van
Praet en werd Karel volle eigenaar van het familiebezit. Hij was
in 1551, bij de dood van zijn oudere zuster, al heer van
Dranouter, Oudenem en Merris geworden, maar toen nog onder
voogdij.
De meeste bladen waarvan sprake hebben geen watermerk maar zijn
wel van dezelfde kwaliteit, wat erop zou kunnen wijzen dat er
bladen van het formaat imperiale werden gebruikt, zoals
die uit Brussel, die in twee werden gedeeld. Dit zou met zich
meebrengen dat het papier niet per se uit Fabriano zou
komen. In de aquarellencollectie zitten er ook enkele volle
bladen van het formaat imperiale (A23.032v-033,
A25.039v-040, A27.043v-044, A27.062v-063).
Er moet hier ook op gewezen worden dat het papier dat Karel
heeft gebruikt waarschijnlijk uit één van de Brugse drukkerijen
kwam en hoogstwaarschijnlijk uit die van Marcus Laurinus,
waarvan Hubertus Goltzius de leiding had. Op bladen van boeken
die in 1563 en in 1566 in de drukkerij van Goltzius werden
gedrukt vindt men het watermerk met twee gekruiste pijlen en
erboven een ster.
Verder schrijft Florike Egmond: Moreover,
the watercolours on these particular 1115 sheets belong to only
two categories: a group of 625 watercolours annotated in a
‘professional hand’, and a smaller group of watercolours, many
of which match the engravings in some of Clusius’s publications.
De ongeveer 1150 bladen bestaan in feite uit 684 bladen met
annotaties van de professional hand, een vijftigtal
bladen met tekeningen en aquarellen, die overeenstemmen met
afbeeldingen in bepaalde van Clusius’ publicaties, en de overige
bladen zonder annotaties, waarvan er 288 tot de originele
collectie behoren en 129 later werden toegevoegd.
Annotation
Florike Egmond schrijft: The Libri picturati
contain various types of annotations and only one of them – the
annotations in the ‘professional hand’ – is relevant to their
origin. Dit is een foutieve bewering. De namen van de
planten in het Frans (Gall.), het Duits (Germ.) en het Zuid
Nederlands (Belg.) zijn van een andere hand maar behoren tot het
origineel project (zie verder).
De boeken waarnaar in de annotaties wordt verwezen zijn de
volgende: in de tweede hand, meestal onderaan de bladen, wordt
verwezen naar Jacques Daléchamps, Historia generalis
plantarum (1586-1587), Rembert Dodoens, Stirpium
historiae pemptades sex (1583), en Matthias de l’Obel,
Kruydtboeck (1581). De annotaties van het derde type
verwijzen voor het grootste deel ook naar Daléchamps en de
l’Obel, en niet naar Clusius, zoals Florike Egmond beweert.
Who and when?
Clusius and Saint Omer
In haar betoog probeert Florike Egmond te bewijzen dat Clusius
de auctor intellectualis van het project is geweest.
Daarvoor gebruikt ze de meningen van vroegere onderzoekers, maar
brengt zelf geen enkel argument bij.
Ze tracht wel te bewijzen dat het grootste deel van de collectie
zou tot stand gekomen zijn in de periode tussen de herfst van
1565 en de winter 1568-69, de periode tussen de aankomst van
Clusius bij Karel van St. Omaars in Moerkerke en de dood van
Karel in februari 1569. Wat ze er niet bij zegt is dat Guido
Laurinus in november 1564 in een brief aan Clusius laat weten
dat Karel van St. Omaars op dat ogenblik zijn collectie aan het
ordenen is volgens de methode van Dioscorides. Ze gaat dit ook
staven aan de data die in de collectie terug te vinden zijn. Het
moet wel gezegd worden dat er in de ganse collectie maar
viermaal een jaartal voorkomt (1564 en 1465). Zich daarop
baseren om te bewijzen dat de collectie van na 1565 zou zijn is
wel zeer tendentieus.
Ze laat hier ook doorschemeren dat Clusius bij Karel zou
verbleven hebben als vriend. Karel heeft Clusius echter niet bij
hem geroepen omdat deze zijn vriend was maar wel omdat hij een
secretaris nodig had die hem zou kunnen bijstaan in zijn
botanische studie. In de brieven die Clusius in de periode die
hij bij Karel doorbracht heeft ontvangen kunnen we duidelijk
lezen dat de schrijver ervan meestal antwoordt op een brief
geschreven door Clusius in opdracht van Karel van St. Omaars.
Een voorbeeld van deze werkwijze vinden we in de brief die
Johannes Cruquius op 21 december 1566 vanuit Parijs aan Clusius
in Brugge zond.
Hier lezen we duidelijk dat Karel vSO planten, waarvan hij wist
dat ze in Frankrijk voorkwamen, aan Cruquius vraagt. Cruquius
kan ze niet onmiddellijk vinden, maar zal er alles aan doen om
het volgend jaar zaden te oogsten en op te sturen. Hij stuurt
hem wel een scheut van een Aporynum, die Karel vSO hem
vroeger gevraagd had, en ook zaden en de vrucht van een Arbor
vitae, die hijzelf van de heer Rassius had gekregen.
Merkwaardig is ook dat het niet Karel is die de vraag aan
Cruquius richt, maar wel Clusius in Karel’s naam.
Het is bij Karel vSO dat Clusius voor het eerst werd ingezet om
voor Karel zaden, bloembollen en planten van overal te
verwerven. In een brief uit 1570 die François Rapaert uit Brugge
naar Clusius, die dan bij de heer van Brancion te Mechelen
verblijft en er dezelfde functie als voordien bij Karel vSO
uitoefent, zendt kunnen we lezen: et
studiosius, quam vnquam antea cognitioni simplicium incumbere,
et vndique ad vos mitti seram, bulbos, et plantas, adeo vt
ditior nunc hac in parte sis quam vnquam fuerit D. de dranoultre,
…
Clusius werd waarschijnlijk ook door Karel in dienst genomen als
beheerder van zijn Renaissancetuin. We zien bij voorbeeld ook
dat Clusius naar Antwerpen wordt gezonden om er in 1566 bij
Plantijn boeken te gaan ophalen, die er door Karel vSO waren
besteld.
In de staat van goederen van de nalatenschap van Karel van St.
Omaars staat er dat er aan Clusius nog een som geld moet betaald
worden, wat erop wijst dat Clusius bepaalde handelingen in
dienstverband voor Karel van St. Omaars had uitgevoerd.
Cluyt
Hier weerlegt Florike Egmond de hypothese van Claudia Swan die
beweerde dat deze aquarellencollectie het werk was van Clutius
in haar boek The Clutius botanical watercolours. Plants and
flowers of the Renaissance uit 1998.
Op het einde van haar betoog schrijft Florike
Egmond het volgende: Cluyt undoubtedly owned a large
collection of botanical watercolours, but Swan’s identification
of these watercolours as the ones contained in the Libri
picturati – which rests completely on an unproven identification
of the ‘professional hand’ as Cluyt’s - remains as unconvincing
as her efforts to disprove the connections between Clusius,
Saint Omer and the Libri picturati. Cluyt may not
even have more than elementary Latin.
Een bewijs dat Clutius een botanische collectie bezat vinden we
in de correspondentie van Anselmus de Boodt met Clusius. In zijn
brief van 5 april 1602 uit Praag
aan Clusius in Leiden, schrijft Anselmus de Boodt:
Geachte heer, toen ik enkele jaren geleden in Leiden was heb ik
bij de weduwe van apotheker Clutius een herbarium met naar het
leven getekende tekeningen gezien. Die stond me in die tijd zo
aan dat ik die van de weduwe wou kopen. Daar de vraagprijs mij
nogal hoog leek heb ik met haar geen prijs kunnen overeenkomen.
Ik vraag mij af of deze nu nog te koop zou zijn? Indien dit het
geval is zou ik u willen vragen of U zou kunnen nagaan welke de
waarde er nu van is en welke figuren of bladen - of het
voltallig werk - en nog bestaan. Als ik me niet vergis waren er
toen 1050 figuren of getekende bladen. Het zou spijtig zijn
indien er een aantal figuren uit het werk verdwenen waren.
In de marge van de brief schrijft Clusius: petit 450 fl. /
Lorretus 300 aestimat, wat betekent dat Clutius’ weduwe in
1602 het herbarium nog in eigendom had, er 450 florijn voor
vroeg en dat Lorretus de waarde ervan op 300 florijn schatte.
In de brief van Anselmus de Boodt aan Clusius van 10 december
1602, waarin hij Clusius dankt voor de zaden die deze hem samen
met zijn antwoord heeft gestuurd, komt hij ook terug op het
onderwerp ‘herbarium’. Hij schrijft: Betreffende het
herbarium heb ik verstaan dat de weduwe er 450 florijn voor wil,
wat neerkomt op 20 stijver (per blad). ... Toen ik enkele jaren
geleden in Delft was, heeft de schilder Elias Crans, die deze
bloemen schilderde, mij dezelfde willen schilderen voor niet
meer dan zes stijver per figuur. Hij heeft dan ook geen
interesse meer in het herbarium van Clutius.
Gezien Karel van Arenberg de aquarellen van Karel van St. Omaars
in 1595 had kunnen kopen en het herbarium van Clutius in 1602
nog altijd eigendom was van zijn weduwe, staat het vast dat het
hier om twee verschillende collecties gaat.
De zin die Florike Egmond gebruikt om de
foutieve redenering van Claudia Swan te onderlijnen zou ook
tegen haar kunnen gebruikt worden: but Egmond’s
identification– which rests completely on an unproven
identification of the ‘professional hand’ as Clusius’s - remains
as unconvincing as her efforts to prove the connections between
Clusius and the Libri picturati. Geen enkele tekst
van Clusius komt grafologisch overeen met de teksten op de
bladen van de aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars.
Where?
Florike Egmond tracht de streek waarin de collectie is ontstaan
te bepalen. Ze stelt dat ‘here’ a limited section of the
Dutch-speaking part of the Southern Netherlands, de streek
van Antwerpen, Leuven en Brugge, is. Men kan zich hier afvragen
hoe ze ertoe komt om dit als een streek te bepalen. Ook komt
Antwerpen nergens in de collectie als plaats voor.
De omgeving waar de collectie is ontstaan is die van Moerkerke.
Moerkerke lag en ligt nog altijd op de overgang tussen de
zandstreek en de polders. Het dorp was omgeven door akkers en
weiden. In de omgeving lagen er aan de zuidzijde bossen, heide,
moerassen en aan de noordzijde polders, het Zwin en de kust van
de Noordzee, met duinen, schorren en kreken. Het was de ideale
omgeving om allerhande planten te vinden. We zien dan ook dat er
afbeeldingen van planten uit al deze biotopen in de collectie
terug te vinden zijn, zoals bij voorbeeld van zoutminnende
planten (halofyten), die in de overgang tussen slik en schor
groeien en nu nog altijd in het Zwinreservaat te vinden zijn.
Het klopt dat men de streek moet kennen om te weten waar
Moerkerke, Heist, Wulpen, enz. liggen. Dit is ook zo voor
Middelburg, (A19.026). Het gaat hier natuurlijk om Middelburg in
Vlaanderen, nabij Moerkerke, en niet om Middelburg op Walcheren,
zoals Florike Egmond dacht. De plant, die op de weg van
Moerkerke naar Middelburg werd gevonden, is de Valeriana
silvestris, aut pratensis minor. Deze plant groeit in
bossen. Op de kaart van Pourbus van 1561-71 zien we dat de weg
Moerkerke - Middelburg grotendeels door een (nu verdwenen) bos
liep. In dit bos lag toen het kasteel van Matthias Laurinus,
Karels vriend.
De connectie tussen Karel van St. Omaars en Scheveningen is niet
alleen die met Adriaen Coenen. Karel verbleef ook in 1564
gedurende een periode van ongeveer zes maand in Den Haag voor
een proces die de familie van Praet al geruime tijd voerde
betreffende aanwassen
aan de polders van Scobbe en
Evenrocken langs de Maas waarvan zij eigenaar was. Karel heeft
dus alle tijd gehad om dan in Scheveningen langs het strand te
wandelen en er Zeeraket (Cakile maritima)(A27.098) te
vinden.
Authors
and friends.
Florike Egmond schrijft dat in de collectie het meest wordt
gerefereerd naar Dodoens, Clusius vriend. Ze vergeet te zeggen
dat Dodoens en Karel van Sint Omaars elkaar ook zeer goed
kenden.
Het boek waarnaar wordt gerefereerd is het Cruydeboeck
(en niet Cruydt-boeck zoals Florike Egmond meermaals
schrijft) uit 1563. Dat het hier wel duidelijk om het
Cruydeboeck van 1563 gaat en niet om de eerste editie van
1554 of om de vertaling Histoire des plantes uit 1557
stel ik na onderzoek vast doordat er in een aantal teksten op de
bladen, waar Dodoens wordt vermeld, het over planten gaat, die
noch in de eerste editie, noch in de vertaling voorkomen, maar
wel in de editie van 1563.
Ook bij de verwijzing naar Hadrianus Junius en zijn beschrijving
van de Phallus impudicus uit 1564 moet gewezen worden
naar het jaartal van de uitgave. Het is de periode waarin Karel
in Den Haag verbleef en het is dus zeer waarschijnlijk dat hij
Hadrianus Junius dan heeft ontmoet.
All works could, moreover, easily have
been known to Clusius. Dat
klopt, maar om uit deze werken te kunnen citeren, moet men ze
ook bij de hand hebben en er is weinig kans dat Clusius al deze
boeken bezat, Karel echter was rijk genoeg om deze boeken te
bezitten. In zijn testament schenkt hij ook al zijn Latijnse en
Franse boeken aan Clusius. Clusius zal er dan ook alles aan doen
om deze boeken te bekomen, zoals uit zijn briefwisseling kan
opgemaakt worden.
Florike Egmond gaat verder met het vernoemen van de vrienden en
donoren van planten en tekeningen. Een van hen noemt ze a
certain Jacobus. In een vroeger artikel identificeerde ze
deze Jacob als Jacques Plateau, apotheker uit Doornik. Mijn
antwoord daarop was: Zij vergist zich ook wanneer ze bij de
beschrijving van mensen, die planten en tekeningen uitwisselden
Marcus Laurinus noemt. Het
is niet Marcus, maar wel Matthias Laurinus en diens vrouw
Radegonde du Quesnoy, die interesse hadden in planten. Matthias
was de beste vriend van Karel en woonde op het kasteel van
Leeskens, tussen Moerkerke en Middelburg, en ook in Antwerpen.
In haar betoog over de collectie in het kader van Brugs
humanisme noemt ze de gebroeders Laurinus sleutelfiguren in de
kring van planten- en naturalialiefhebbers in Vlaanderen. In de
boeken van zowel Clusius als Lobelius worden zeer vele namen van
liefhebbers, apothekers en dokters, die zich op de ene of andere
manier met botanica bezig hielden in onze gewesten, vermeld.
Lobelius vermeldt er een aantal in de inleiding van zijn
Kruydtboeck (1581): naest den vermaerden Caerle de
I’Ecluse (die inde oeffeninge ende eruarentheyt in dese conste
by hem soo in Oistenriick als andere landen vercregen by
niemanden naer ons goetduncken en wordt te bouen ghegaen) de
voornaemtste gheweest te syne wylen rnyne heeren van Reynoultre
, van Brancion ende vander Delft, ende nv teghenwoordeliick in
dese saecke gheliick in alle andere seer pryselick te wesen
heere Philips van Marnix, Heere van Sint Aldegonde, met oock
voornamentliick heeren Caerle de Houchin, heere van Longastre,
heere Jan Bosoit, Mathias Laurin ,Tresorier der Staten der
Nederlanden, Cornelis Pruynen, Tresorier: meesters, Willem
Martini, ende Jan van Hobboken Greffiers der voorseyden stadt
van Antwerpen: Ionckers Jacob Duym ende Jaspar Roelofs: lan
Mouton, Iacques Durin , ende eenighe andere. Verder vinden
we o.a. nog Kaerle van Croy, Prince van Chimay, Mijnheer du
Bosqueil, rouart van Rijssel, Joris vander Ryen, uit Mechelen,
Raphael Coxia, schilder te Mechelen, Frederick Gembello, Olivier
Dries, Jan Coene .En er waren in die tijd ook vrouwen, die
tuinen aanlegden: Joufvrouwe Marie de Brimeu, huysvrouwe van
Coenraedt Schetz, Mijn-Vrouwe Catharine van Eekeren huysvrouwe
van Heer Jan Straele, Amant van Antwerpen, Radegonde du Quesnoy
huysvrouwe van Heer Matthias Laurin Tresorier generael van
Vlaanderen. Bij Clusius vinden we ook nog Francois de
Hollebecque, Jacques Plateau uit Doornik, Wilhelm Jasparduyn,
aphoteker, Thobias Roels, medicus, Jan van Hogelande, Charles de
Tisnac, Philippe de Sivry, heer van Walhain, Peter van
Overstraete, Apotheker te Brussel, Karel de Tassin, e.a. Nergens
worden de gebroeders Laurinus in deze context maar één maal
vernoemd. Zij vergist zich ook wanneer ze op het einde van haar
artikel beweert dat de Officina Goltziana, de drukkerij
die door Marcus Laurinus voor Hubertus Gotzius werd opgericht,
zich in zijn landgoed buiten de stad Brugge, de
Laurocorinthus, bevond. De drukkerij bevond zich in Brugge
in het huis ‘de Groene Wynckle’ op het Biscayersplein.
De Jacobus waarvan sprake is in feite Jacob vanden Coornhuuse.
Karel laat in een brief aan Clusius weten dat hij het takje
Thynus, dat Clusius hem heeft laten geworden, heeft doorgegeven
aan Jacobus (vanden Coornhuuse) om het te laten schilderen. Hij
zal Clusius een kopie van de andere Thynus hispanicus,
die hij in zijn collectie heeft maar die Clusius nog niet bezit,
opsturen. Ook de afbeelding van de Arisarum, van een
andere bloeiwijze, is in handen van de schilder.
Hierbij kunnen we twee opmerkingen maken. Eerst zien we dat
Karel, zelfs nadat Clusius hem heeft verlaten, nog altijd
tekeningen laat maken door Jacob vanden Coornhuuse. Deze
tekeningen zullen dienen voor de vervaardiging van de
houtblokken voor Clusius’ Rariorum aliquot
stirpium per Hispanias observatarum historia.
Anderzijds zien we ook dat Karel, zelfs na het vertrek
van Clusius, nog altijd bezig is met de samenstelling van zijn
collectie.
Florike Egmond gaat verder met: Three more
names have recently come to my attention, not included in this
list of donors. Wat daarna volgt is de analyse van
een blad, dat eigenlijk niet bij de aquarellencollectie hoort en
een latere toevoeging is. Het blad draagt een ander watermerk en
de vernoemde mensen zijn kennissen van Clusius van na de dood
van Karel van St. Omaars. De eerste brief van Jean Boisot aan
Clusius in de collectie te Leiden dateert van 1582. Er zijn ook
geen aanwijzingen dat Karel van St. Omaars en Karel van Arenberg
elkaar zouden gekend hebben.
The respective roles of Clusius and Saint
Omer
Saint Omer as collector
Hier besteedt Florike Egmond enige aandacht aan mijn vondst van
de staat van goed van Karel van St. Omaars in het rijksarchief
te Brugge. Ze eindigt hierbij met de vraag of het feit dat de
aquarellencollectie bij de dood van Karel zich in het ‘cabinet’
van Anne d’Oingnies bevond erop zou wijzen dat ook zij aan de
collectie zou meegewerkt hebben. Dit is weinig waarschijnlijk
gezien geen enkel gegeven over haar terug te vinden is in
verband met deze collectie. Radegonde du Quesnoy, vrouwe van
Wulpen, vrouw van Matthias Laurin, heer van Leeskens, Tresorier
Generaal van Vlaanderen, die in het nabijgelegen kasteel van
Leeskens woonde en ook in Antwerpen, was wel geïnteresseerd in
kruiden, had een kruidentuin en had ook een aquarellencollectie
laten maken door Jacob vanden Corenhuuse. Zij wordt door
Lobelius in zijn Kruydtboeck vermeld.
Indien Anne d’Oingnies ook liefhebster zou geweest zijn, dan zou
Lobelius dit hier zeker vermeld hebben. Indien zij echt
interesse zou gehad hebben in de botanica, dan zou Karel zijn
boeken zeker aan haar nagelaten hebben.
De bezittingen van Anna staan wel in de staat van goed
beschreven.
Verder haalt Florike Egmond een passage aan uit Clusius’
Exoticorum Libri Decem, waarin Clusius Karel beschrijft als
een expert in de botanica, wat meer is dan alleen een
collector zoals zij hem beschrijft. Hier moet ook vermeld
worden dat zij bij deze tekst iets belangrijks over het hoofd
ziet. Wat ze namelijk niet opmerkt is dat de voorstelling van
het takje Cinnamon in het boek van Clusius de kopie is
van het voorgestelde takje in de aquarellencollectie op het blad
A23.024 met de vermelding Cinamomum verum cum
suo ligno. Het is ook merkwaardig dat
Clusius in deze passage alludeert op de aquarellencollectie maar
geenszins vermelt dat hij er eventueel zou aan meegewerkt
hebben.
In haar betoog gaat ze verder in op een brief
van Guido Laurin uit Moerkerke ( zij schrijft uit Brugge) aan
Clusius in Spanje. Ze schrijft dat Guido en Karel in het midden
van de winter planten aan het determineren zijn en that
wonderful book, of wich I believe you have seen a sample aan
het ordenen zijn. Wat Guido Laurin in zijn brief aan Clusius
schrijft is hetvolgende: Et iam dies quindecim nichil Dominus
et ego agimus, quam quod ille in cognoscendis simplicibus (licet
hyeme altissima) me exerceat, librum illum pulcherrimum cuius
specimen te vidisse credo in certum ordinem ad Dioscoridis
methodum digerentes. Karel brengt Guido Laurin de kennis der
planten bij. Dit is wel iets anders dan samen planten te
determineren. librum illum pulcherrimum cuius specimen te
vidisse credo vertaalt Florike Egmond als that wonderful
book, of wich I believe you have seen a sample; ik vertaal
dit als: dit mooie boek, dat ik veronderstel dat je
waarschijnlijk al gezien hebt.
Verder schrijft ze dat ik beweer dat de
aquarellencollectie in de winter van 1564 al volledig zou
afgewerkt zijn. Wat ik wel zeg is dat de aquarellen voor een
deel op dat ogenblik reeds bestonden en dat Karel van Sint
Omaars samen met Guido Laurinus deze aan het ordenen waren naar
Dioscorides. Zij schrijft echter: Thus Laurin and Saint Omer
must have been ordening loose sheets of paper with illustrations
on them, alsof het hier niet om de aquarellen zou gaan. Zij
schrijft verder: incidentally showing that the making of the
Libri picturati was in some ways a collective project in which
friends were involved as well. Wat hier vooraf staat geeft
wel een andere kijk op de zaak.
Florike Egmond schrijft dat Clusius was
probably already involved in this project before his Spanish
journey, zich alleen baserend op het feit dat Guido Laurin
hem schrijft dat hij denkt dat Clusius het boek al heeft gezien.
Dit is toch wel een zeer pover bewijs.
Clusius’s involvement.
Uit de tekst van dezelfde brief haalt Florike Egmond dat Clusius
Karel’s interesse in naturalia heeft gestimuleerd. Wat ik
lees is dat Karel Clusius vriendelijk bedankt voor de zaden die
hij hem gestuurd heeft, zoals zo velen na hem zullen doen.
Florike Egmond analyseert verder een andere brief, die door
Karel aan Clusius werd gestuurd, toen deze laatste naar Mechelen
was verhuisd. De passage handelt over de naam die aan het boek,
waaraan Clusius aan het werken is, zou kunnen gegeven worden.
Zij denkt dat het over een boek gaat dat Karel in de context van
de aquarellencollectie had willen uitgeven.
Een eerste opmerking die ik maak is de link tussen de aquarellen
en de naam Centuriae plantarum rariorum. De naam wijst
naar honderden zeldzame planten. De aquarellencollectie bestaat
hoofdzakelijk uit planten uit de Zuidelijke Nederlanden en het
is bijna niet mogelijk om in de originele collectie een
honderdtal zeldzame planten te vinden met een beschrijving. De
planten zonder beschrijving erbij zijn meestal planten die toen
door anderen nog niet waren beschreven, maar men kan zich
moeilijk voorstellen dat van deze planten een boek zou
uitgegeven worden zonder tekst erbij.
Een andere opmerking is de volgende: Uit de brief van Karel
kunnen we ook afleiden dat Clusius, toen hij bij Karel verbleef,
was begonnen met het schrijven van een boek over planten. Zonder
zich te willen opdringen stelt Karel voor om het de naam
Centuriae plantarum rariorum etc te geven, ingedeeld in
honderdtallen, zodat het later mogelijk zou zijn om er meerdere
honderdtallen aan toe te voegen. We vinden in een brief van
Clusius aan Crato,
geschreven uit Brugge op 27 april 1566, een vermelding van een
Plantarum Centuria, die Clusius, samen met een ander
geschrift aan Crato hoopt te kunnen overhandigen op de volgende
jaarmarkt te Frankfurt.
Dit zou er kunnen op wijzen dat Clusius een project had opgezet
om een boek over planten uit te geven en dat dit het project is
geweest, waaraan Clusius heeft gewerkt gedurende zijn verblijf
in Moerkerke. De Plantarum Centuria zou dus wel
eens het klad kunnen zijn van de Spaanse Flora, de Rariorum
aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia (1576),
waaraan Clusius heeft gewerkt, toen hij bij Karel verbleef, of
zelfs de eerste geschriften van wat later zijn Rariorum
plantarum historia (1601)
zou worden. Zoals we vroeger zagen, liet Karel de tekeningen
maken, die moesten dienen als voorbeeld voor de houtblokken van
het boek.
Uit deze passage van de brief concludeert
Egmond: For the moment we may at least conclude that these
quotations support the notion of close cooperation between Saint
Omer and Clusius, and on the participation of various persons
(friends) in the creation of the Libri. Clusius, who was already
in contact whit Saint Omer before his departure to Spain, seems
to have been closely involved in the way the collection was
organized, and it looks as if he stimulated Saint Omer to set
the step from collecting to publishing.
De werkelijkheid is anders. Het is Karel die Clusius aanzet om
zijn boek te schrijven, die hem een naam voor het boek
voorstelt, die de tekeningen, die voor het boek zullen dienen,
door Jacob vanden Coorenhuuse laat maken, die Clusius alle
faciliteiten geeft door hem zijn huis en zijn tuin open te
stellen.
In de brief van Karel aan Clusius vinden we nog een aanwijzing
van hun samenwerking.
Hier laat Karel schrijven, dat hij het takje Thynus, dat
Clusius hem heeft laten geworden, heeft doorgegeven aan Jacobus
(vanden Coorenhuuse) om het te laten schilderen. Hij zal Clusius
een kopie van de andere Thynus hispanicus, die hij in
zijn collectie heeft maar die Clusius nog niet bezit, opsturen.
Ook de afbeelding van de Arisarum, van een andere
bloeiwijze, is in handen van de schilder.

Arisarum angustifolium II,
in Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum Historia,
Antwerpen, 1576, 305. en in de Rariorum plantarum historia,
1601, II, lxxiiij
In de Spaanse Flora vinden we een Arisarum angustifolium II.
De tekening ervan is de kopie van het blad A22 -38 uit de
Libri. Dit wijst in een gans andere richting. Het zou er
kunnen op wijzen dat Karel, toen Clusius bij hem verbleef, de
tekeningen voor de Spaanse Flora heeft laten tekenen en heeft
bekostigd. Zo zijn er meer dan 90 tekeningen
uit de Libri terug te vinden in de Spaanse Flora, waarin
er 233 afbeeldingen staan. De Thyni zijn in de Libri,
niet te vinden, wat erop zou kunnen wijzen dat er nog meer
tekeningen voor de Spaanse Flora in opdracht van Karel werden
gemaakt.
We moeten ook vaststellen dat enkele tekeningen uit de Libri
in de Spaanse Flora niet werden opgenomen noch beschreven.
Daarna schrijft Florike Egmond een kleine zin die heel veel wil
zeggen en waarop men zich even moet buigen.
Although graphological evidence remains inconclusive, none of
the ‘circumstantial’ evidence about chronology, geography, or
personal connections, as discussed above, contradicts the
personal involvement of Clusius as author of these annotations.
Er is echter geen enkel bewijs dat het Clusius zou zijn die de
annotaties heeft opgesteld en op de bladen heeft geschreven.
Grafologisch is er geen enkele gelijkenis tussen de teksten op
de bladen en Clusius’ handschrift. De schrijfwijze van Clusius
is ook zeer typisch. In het Latijn schrijft hij de ‘u’ in het
begin van een woord ook als ‘u’ en de ‘v’ als ‘v’ binnen een
woord (niet de hoofdletter ‘U’, die wordt wel met een ‘V’
geschreven), waar in die periode normaal de ‘u’ als ‘v’ wordt
geschreven en de ‘v’ als ‘u’. Op de bladen van de Libri
worden de ‘u’ als ‘v’ en de ‘v’ als ‘u’ geschreven. In zijn
brieven schrijft Clusius in het Latijn ‘et’ als ‘et’; op de
bladen van de Libri wordt er voor ‘et’ het teken &
gebruikt. Clusius schrijft de ‘ss’ in een Latijns woord als ‘ss’;
op de bladen van de Libri wordt er voor ‘ss’ de Duitse
b gebruikt.
De teksten in de Libri zijn naar de vorm ook volledig
verschillend van de teksten, die Clusius in dezelfde periode
heeft samengesteld voor zijn Spaanse flora. Maar het grootste
bewijs dat het Clusius niet is die de teksten voor de aquarellen
heeft samengesteld, vind ik, is het feit dat bij de plantennamen
in de landstalen er geen namen in het Spaans voorkomen,
uitgenomen 2, Vazillos (A22.045) en Amores ciegos
(A26.048). Hoe kan men verklaren dat Clusius de namen in het
Italiaans zou opgenomen hebben maar niet in het Spaans. Hij was
juist terug uit Spanje, had er overal planten bestudeerd en
verzameld, had vele namen in het Spaans opgeschreven, maar zou
het niet opportuun hebben gevonden deze namen in de collectie op
te nemen. Dit is toch niet geloofwaardig! In de teksten zelf
zijn er in de hele collectie maar 3 namen in het Spaans terug te
vinden: Tabaco (die er later is aan toegevoegd), Erizo
en Guindas de las Indias (A23.029-029v, A27.065,
A28.059).
Wie heeft er de teksten dan wel samengesteld en geschreven? We
hebben gezien dat Karel in elk geval zijn collectie aan het
ordenen was volgens Dioscorides, wat erop wijst dat hij
opzoekingen deed. Dat hij de teksten op de bladen zou geschreven
hebben is onwaarschijnlijk. Iemand van het vast personeel zou
kunnen, maar er is nog iemand die het zou kunnen gedaan hebben.
In een brief, geschreven op 14 december 1567 in opdracht van
Karel aan Clusius in Mechelen, vraagt Karel aan Clusius onder
andere om in Leuven een priester te zoeken, die enerzijds niet
ongeletterd is en anderzijds geïnteresseerd is in de botanica.
Deze zou dan in Moerkerke kunnen komen werken, om de vorige
priester te vervangen.
Clusius had begin december Moerkerke verlaten en zou er niet
meer terugkeren.
Dit betekent dat er bij Karel in Moerkerke een priester in
loondienst verbleef, die op de hoogte was van botanica. Men kan
zich moeilijk voorstellen dat deze priester daar was om de tuin
te onderhouden. Hij was er dus hoogstwaarschijnlijk om aan de
aquarellencollectie te werken.
Wie de eerste priester was, hebben we nog niet met zekerheid
kunnen vaststellen. Het zou hier onder andere wel eens om
Martinus Smetius (Maarten de Smet) kunnen gaan, die ook voor
Marcus Laurinus’ muntenverzameling heeft gewerkt en die later,
als calvinistisch predikant, op 8 februari 1567 werd opgehangen.
In een brief van 15 november 1565 aan Clusius schrijft Smetius
op het einde Vale, ac generosissimo viro, Domino de
Dranoultre, communi nostro patrono, me ex animo quaeso commenda.
Grafologisch is er een grote gelijkenis tussen Smetius’
handschrift en de teksten van de namen van de planten in het
Frans (Gall.), het Duits (Germ.) en het Nederlands
(Belg., Flandris, Brabantis) op de aquarellen, wat niet
het geval is voor de Latijnse (en Griekse) teksten.
Als we ervan uitgaan dat de Franse, Duitse en Nederlandse
teksten door Smetius geschreven zijn nadat de Latijnse op de
aquarellen werden geschreven, dan is het in de tijd ook
onmogelijk dat Clusius de Latijnse teksten opgemaakt en
geschreven zou hebben in de twee eerste maanden van zijn
verblijf bij Karel. Clusius is in september 1565 bij Karel vSO
aangekomen en Smetius was begin 1566 al zeker niet meer in
Moerkerke (en misschien al niet meer sinds 15 november 1565,
gezien zijn brief aan Clusius vanuit zijn woonplaats Sleidinghe
werd geschreven).
The artists
Jacques van den Corenhuyse
Het mooiste bewijs dat Jacob vanden Coorenhuuse de kunstenaar is
die de aquarellen heeft geschilderd is, buiten het feit dat hij
verbonden was met de familie van Karel, zoals in de staat van
goederen kan gelezen worden, de ontdekking die ik gedaan heb
betreffende de gelijkenis van de paddenstoelen die op het enige
schilderij, dat van hem gekend is, geschilderd zijn en
paddenstoelen die op de aquarel A22.019 te vinden zijn.

Het enige schilderij dat van hem gekend is, namelijk het
Laatste Oordeel uit 1578, bevindt zich in Brugge in de
collectie van het Groeningemuseum, Dit schilderij werd, samen
met een ander, in 1575 door het bestuur van de Proosdij aan
Jacob besteld voor de raadzaal van het landhuis van de Proosdij.
Op dit schilderij staan, zoals op zo vele uit die periode,
planten als decor op het onderste deel van het schilderij
geschilderd. Eén van de elementen is een groep paddenstoelen (coprinus
micaceus). Dit element is een exacte kopie van paddenstoelen
die Jacob op het blad A.22-019 met Fungi in de Libri
picturati zovele jaren voordien had geschilderd (zie
hieronder). Een tweede groep paddenstoelen (zwavelkop) - niet
een juiste kopie, maar even overtuigend - komt ook van hetzelfde
blad. In 1578 schildert Jacob dus paddenstoelen, die hij een
tiental jaren voordien al geaquarelleerd had en waarvan hij
waarschijnlijk nog schetsen had, op het schilderij. Als dit geen
bewijs is! Ook Jacob’s monogram (IC) staat op het
schilderij onderaan rechts met ernaast een hagedis.
|
 |
 |


Pieter van der Borcht
Er is geen enkele aanwijzing die erop wijst dat van der Borcht
aquarellen van de collectie zou geschilderd hebben.
Luis Ramon-Laca denkt dat ook Peter van der Borcht een van de
kunstenaars was, die aan de Libri meewerkte. Dit is
weinig waarschijnlijk voor wat de collectie van Karel betreft.
Het zou echter kunnen zijn dat hij sommige latere tekeningen
maakte, die hebben gediend voor sommige houtblokken voor Clusius’
boeken.
De bewijsvoering van Ramon-Laca klopt ook niet. Hij legt uit dat
het onmogelijk lijkt dat Coornhuuse in 20 dagen van Mechelen
naar Moerkerke zou teruggekeerd zijn, maar hij vergist zich bij
de brieven. Zowel de brief van Clusius aan Crato van 25 november
1567 als die in opdracht van Karel aan Clusius van 14 december
1567 zijn vanuit Brugge en Moerkerke geschreven en op 14
december was Clusius al in Mechelen, wat bewijst dat het wel
mogelijk was. Anderzijds ontvangt Clusius Karel’s brief al op 18
december in Mechelen, 4 dagen na verzending.
In zijn brief van 25 november schrijft hij ook dat hij binnen de
8 dagen naar Mechelen zal gaan. De kunstenaar, naar wie Clusius
in zijn brief verwijst, zou dan ook in het Brugse moeten gezocht
worden en het is dan ook hoogstwaarschijnlijk Jacob vanden
Coorenhuuse. Het is ook weinig waarschijnlijk dat Karel op van
der Borcht beroep zou gedaan hebben, gezien die toen in Mechelen
woonde en er geen enkele aanwijzing bestaat, dat hij ook maar
eens in Moerkerke zou geweest zijn. Dat van der Borcht kopieën
van de aquarellen en van de tekeningen op houtblokken heeft
getekend zou wel kunnen, maar dit heeft met de originele
collectie niets te maken. Dat van der Borcht daar zeer goed in
was vinden we in een latere brief van Clusius, waarin deze
schrijft j’ay encore quelques pourtraicts d’herbes que je
feroye voluntiers tirer sur planches de bois comme les autres
par M. Peeter van der borcht.
Van der Borcht was zeer goed in het overbrengen van
tekeningen op houtblokken. Zo komen we tot de logische
handelingen: Jacob vanden Coornhuuse aquarelleerde of tekende,
de tekeningen werden later naar Peter van der Borcht gezonden,
die ze op houtblokken kopieerde en de blokken werden dan door
een houtsnijder uitgesneden.
The watercolours in the context of Bruges
humanism and collecting
Bruges humanism
The function of the collection
Clusius and the Libri picturati
after Saint Omer’s death
Hier schrijft Florike Egmond dat Anne d’Oingnies de dochter was
van Claude de St. Omer en Jaqueline Mallet. Haar vader was wel
Claude d’Oingnies.
Technical description.
Piotr Hordynski
Regular annotations
Piotr Hordynski beschrijft vier regular
annotations.
Bij de eerste professional hand schrijft hij:
Generally not directly under the Latin name,…, local names
may be noted in lower case in Italian (Ital.), Dutch (Belg.),
German (Germ.) and French (Gall.). De landsnamen in
het Frans, het Duits en het Nederlands (niet alleen Belg., maar
ook soms Flandris en Brabantis) zijn niet van dezelfde hand,
maar wel van een andere hand, waarschijnlijk die van Smetius
(zie vroeger). Andrea Ubrizsy Savoia heeft
dit in het hoofdstuk over namen in het Italiaans (zie later) wel
opgemerkt en schrijft: As a concluding remark referring to
the Italian names we observe that the handwriting of the Italian
names is different in comparison to the other languages, such as
the Belgian (Dutch) names.
De second hand vindt men meestal onderaan het blad en
deze teksten refereren naar Jacques Dalechamps, Historia
generalis plantarum I en II (1586-87), en Lobelius,
Kruydtboeck (1581), en soms ook naar Dodoens, Stirpium
historiae pemptades sex (1583).
Ook de teksten in de derde hand refereren naar Dalechamps en
Lobelius.
Het is hier dan ook moeilijk om te bepalen welk van deze beide
teksten in de periode dat de collectie eigendom van Karel van
Arenberg (vanaf 1595) was op de bladen werden aangebracht.
De teksten in de vierde hand refereren naar Caspar Bauhin,
Pinax theatri botanica (1623) en werden aangebracht nadat de
boeken in de huidige vorm waren gebonden, waarschijnlijk in de
tweede helft van de 17de eeuw.
Piotr Hordynski schrijft: Another hand only appears in volume
A18. Dit klopt niet. Ook op de bladen A19.001 en
A19.002 staan er teksten die naar Bauhin verwijzen. Dit wijst
erop dat iemand begonnen was met het aanbrengen van de namen
naar Bauhin, maar dit niet tot een goed einde heeft kunnen
brengen.
Dramatis Personae.
Florike Egmond and Luis Ramon Laca
Charles de Saint Omer
Geen enkele maal in het ganse boek wordt zijn naam volledig
geschreven. Hij was Jonker Karel van Sint Omaars, gezegd van
Moerbeke, heer van Dranouter, Merris, Oudenem, Moerkerke, etc.
(in het Frans: Charles de Saint Omer dict de Morbecque,
seigneur de dranoultre, merris, oudenem, Moerkerke, etc.) (zie
ook
www.tzwin.be / Sint Omaars)
Op het einde van het stuk wordt Clusius rol weer beschreven, wat
ik hiervoor heb weerlegd.
Carolus Clusius
Er staan enkele onjuistheden in de tekst.
Waar sprake is van de vertalingen van boeken staat er Dodoens’
Cruydtboeck, wat CruydeBoeck moet zijn en het boek
werd door Clusius niet in het Latijn vertaald maar in het Frans.
Het plan bestond toen wel om een Latijnse vertaling uit te
geven. Ludovicus Camerarius schrijft in zijn brief
van 08 07 1566 aan Clusius: De Herbario Dodonaei latino quiq
sit? Quando habebimus illum? Expectatur enim
a multis.
Er staat verder: By the mid 1560s Clusius
was back in the southern Netherlands, enjoying the protection of
influential patrons, such as Guy and Marcus Laurin (Lauweryn) in
Bruges,… De gebroeders Laurin zijn nooit Clusius’
broodheren geweest. Marcus Laurinus had hem wel gevraagd om in
Spanje Latijnse teksten te verzamelen.
Dirk Cluyt
Ik heb hierboven aangetoond dat de collectie botanische
tekeningen van Cluyt en de aquarellencollectie van Karel van
Sint Omaars wel twee verschillende collecties waren. Volgens de
inhoud van de brief van Anselmus de Boodt was het Elias Crans,
en niet Pieter van der Borcht, die de tekeningen voor Cluyt
maakte.
Pieter van der Borcht
Luis Ramon-Laca denkt dat ook Peter van der Borcht een van de
kunstenaars was, die aan de Libri meewerkte. Dit is
weinig waarschijnlijk voor wat de collectie van Karel betreft;
het zou echter kunnen zijn dat hij sommige latere tekeningen
maakte, die hebben gediend voor sommige houtblokken voor Clusius’
boeken (zie vroeger). Hij heeft ook tekeningen op houtblokken
getekend.
Op het einde van het stuk staat: So we
have at least four people involved: the draughtsman, the
painter, the person who transferred the painting, and the
cutter. De eerste en de tweede persoon zijn
waarschijnlijk één en dezelfde. Deze handelswijze staat
duidelijk op het einde van het New Kreüterbuch van Leonhart
Fuchs, 1543, uitgegeven bij Michael Isingrin in Bazel. We zien
de tekenaar en de kopiist aan het werk en eronder staat de
houtsnijder afgebeeld.
In deze context zijn er nog markante voorbeelden.
In een rekening
van Plantijn staat volgend artikel:
Le 25 Octobre 1566
Aromatum etc. historia in India nascitur p. Carol Clusium
debiteur a Casse fl … patz … J’ay paye a
Pieter Vander Borcht paintre à Malines pour la pourtraire de 15.
figures dud. livre a 6 patz la piece 4 fl. 10 patz – Et a Arnolt
Nicolay tailleur de figures pour la talle d’icelles ! patz piece
soit 6 fl en tout
In een brief aan Plantijn (1581)
schrijft Clusius:
Seigneur Plantin, Apres la description du fruit de Balsamum
et des cinq autres ensuyvans que je fis contrefaire dernierement
à Pieter vande Burcht, laquelle est mise à la fin de Notae in
Garciae Aromatorum historiam, et des autres choses obseruees au
voyage de Drake: il faudra adjouster ce qui sensuit, et mettre
une ligne de quadrats entre celles ja décrites et les autres à
adjouster. At
postquam Viennam redij, … De Latijnse tekst uit de brief
werd integraal achteraan in het boek opgenomen. Clusius liet ook
hier door van der Borcht houtblokken tekenen en we kunnen nog
altijd zien welke deze waren.

Jacques vanden Corenhuyse
Ik heb hiervoor al aangetoond welke the main
evidence for his identification as (one of) the creator(s) of
the Libri picturati watercolours was.
Donors of
plants or their pictures named in annotations of the Libri
picturati
Men geeft hier de indruk
dat alleen deze mensen met Karel betreffende planten en
naturalia zouden gecommuniceerd hebben, wat onjuist is. Uit
brieven en geschriften zien we dat Karel met veel mensen
communiceerde over deze materie.
Marcus and Guy Laurin
Florike Egmond stelt de
gebroeders Laurinus hier voor als zijnde botanical enthusiast.
Ik vraag mij af waar ze dat haalt. We hebben gezien dat het
Karel was die Guido de kennis van planten bijbracht (Et
iam dies quindecim nichil Dominus et ego agimus, quam quod ille
in cognoscendis simplicibus (licet hyeme altissima) me exerceat,
...)
Ze schrijft
ook: The brothers Laurin contributed plants or their pictures
to Saint Omer’s collection.
In de collectie wordt er
3 maal naar de Laurin’s en hun buitenverblijf het
Laurocorinthum verwezen. 1x schrijft Karel dat hij een
laurier in hun buitenverblijf heeft kunnen observeren (A20.092),
1x staat er een naam Laury(n) (A21.010),
waarbij het niet zeker is dat het om de Laurin’s gaat (de
aquarel maakt ook geen deel uit van de originele collectie), en
1x staat er ex horto Laurinorum Brugis (A24.046), maar
deze tekst is van latere datum. Daaruit besluiten wat hiervoor
staat, is buiten alle proportie.
Peeter van Coudenberghe
Johannes van Eede (or
Heede)
Hier staat:
After the latter’s death Van Eede acted on behalf of Clusius,
who tried to retrieve some of the books that he lent to Saint
Omer. Dit is een
fout. De boeken die Clusius tracht te bekomen zijn geen boeken
die hij aan Karel had geleend, maar boeken die hij van Karel had
geërfd en die hij tot dan nog niet had ontvangen.
Clusius had naar Jan vanden Heede in Brugge een brief gestuurd
om te vragen wanneer hij de erfenis zou krijgen. Die antwoordde
op 10 april 1570 dat meester Charles de Scildere hem liet weten
dat de heer van Morbeke erop stond dat de schulden eerst zouden
betaald worden en dan pas de schenkingen zouden gedaan worden.
Op 2 juli 1570 antwoordde Matthias Laurinus op een brief van
Clusius, waarbij hij schreef dat hij niet wist waar bepaalde
boeken van Karel’s bibliotheek naartoe waren, waaronder een ‘Opera
Plinii in parva forma’, waar Clusius om vroeg. Ook het geld,
waar hij nog recht op had, had Clusius toen nog niet ontvangen.
Jan van Halewyn uit Ieper liet Clusius op 4 juli 1570 weten dat
hij de boeken, die Clusius nog uit de bibliotheek van Karel in
zijn bezit had en hem had teruggestuurd, goed had ontvangen.
Sources cited in
the annotations. Florike Egmond and
Gerda van Uffelen
Beide dames schrijven hier o.a.: Both the
brief references to the work of de l’Obel in the margins of some
sheets (), and the abbreviated references to Caspar Bauhin ()
must have been added later, given the dates of publication of
these works. Some of the frequent references to Clusius’s work,
usually at the bottom of the page, match the page numbers in his
Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatorum historia
(1576) or Rariorum plantarum historia (1601).
Some of the frequent references refereren niet naar de
werken van Clusius, maar wel, zoals ik al vroeger schreef, naar
Jacques Dalechamps, Historia generalis plantarum I en II
(1586-87), naar Lobelius, Kruydtboeck (1581), en soms ook
naar Dodoens, Stirpium historiae pemptades sex (1583) en
een enkele maal naar zijn Florum, et coronariarum
odoratarumque nonnularum herbarum historia (1568). Ook de
teksten in de derde hand refereren naar Dalechamps en Lobelius.
Er zijn geen verwijzingen naar de Spaanse Flora van Clusius,
zoals de dames hier schrijven, maar wel naar Dalechamps, die in
zijn boeken de namen, door Clusius aan planten gegeven,
gebruikt.
Bij de lijst van de authors of early botanical or medical
works zouden dan ook moeten toegevoegd worden:
DALECHAMPS, J., 1586 Historia generalis plantarum, Lyon,
Guillaume Roville, Vol I, Pp 1107; 1587 Vol II, Pp 939.
DODOENS, R., 1568 Florum, et coronariarum odoratarumque
nonnularum herbarum historia, Antwerpen, C. Plantijn, Pp
308.
Het boek van Dodoens waarnaar in de originele annotaties
verwezen wordt is niet het CruydeBoeck uit 1554, maar wel
de editie uit 1563.
De boeken van Clusius zijn in deze lijst niet op hun plaats.
Een boek van Avicenna had in de lijst moeten opgenomen worden.
Hier kan men ook vermelden dat er in de collectie twee planten
met hun Arabische naam worden genoemd, namelijk A23.094 /
Orobanche rapum-genistae que Arabum CASSVTHA est, en
A24.031 / Salicornia europaea / KALY et ALKALY, Arabibus.
De namen van planten waarin Eginolff wordt genoemd refereren
naar zijn
Herbarvm, arborvm, frvticvm, frvmentorvm ac legvminem :
Animalium praeterea terrestrium, uolatilium & aquatilium,
aliorumq; quorum in medicinis usus est, simplicium, imagines,
aduiuum depictae, vnà cum nomenclaturis eorundem usitatis ;
Kreutter, Bäume, Gestende, unnd frücht, deszgleichen Gethier :
zam und wild, im Lufft, Wasser und Erdtrich lebende, mitiren
namen benennet.
Francoforti : Apud Chr. Egenolphum, 1546. [15], 265 Pp. /
Buglossa syluestris (133) en Argemone (224).
The influence of the famous medical school
of Salerno can be discerned in the reference to Mattheus
Silvaticus, also known as ‘Pandectarius’, in Pesanininus
(sic) Pandectarij (A19.019, now
Alliaria petiolata); dit gaan beweren is nogal overdreven.
In zijn CruydeBoeck uit 1563 schrijft Dodoens bij
Loock sonder loock Pandectarius heet dit cruydt, Pes asininus.
Het is hoogstwaarschijnlijk deze vermelding die overgenomen
werd.
Verder wordt er naar Monardes verwezen in Acorum verum
Monardo (A22.067v). Er staat now Iris humilis, wat
verkeerd is. Het gaat hier om wortels van de Acorus calamus.
De naam op het blad is waarschijnlijk ook fout. Er had
waarschijnlijk Acurum verum Matthioli moeten staan en
niet Monardo. Even meegeven dat Monardes’ Historia
Medicinal de las cosas que se traende nuestras Indias
Occidentales (1574) al in 1574 ook in Latijnse vertaling van
Clusius werd uitgegeven onder de naam De simplicibus
medicamentis ex Occidentali India delatis, quorum in Medicina
usus est.
The Libri
picturati and the early history of the Hortus botanicus
Leiden. Gerda
van Uffelen
Ik vraag mij af waarom dit hoofdstuk in het boek voorkomt. Er is
weinig gelijkenis tussen de Libri en de Hortus.
Alleen kan men zeggen dat het bij Karel van Sint Omaars in
Moerkerke is dat Clusius voor het eerst met de creatie van een
grote botanische Renaissancetuin in contact kwam. De kennis die
hij bij Karel in Moerkerke en nadien bij de heer van Brancion in
Mechelen heeft opgedaan heeft hem later bij zijn realisaties
geholpen.
The Libri
picturati watercolours and early botanical illustrations.
Andrea Ubrizsy Savoia and Luis Ramon-Laca.
In dit hoofdstuk wordt de opkomst van de botanische illustratie
beschreven, maar het verband met de aquarellencollectie van
Karel van St. Omaars in het geheel niet.
In vele botanicaboeken die in Karel’s periode en na zijn dood in
de Zuidelijke Nederlanden werden uitgegeven komen afbeeldingen
van planten voor die uit de aquarellencollectie werden
gekopieerd. Het is dan ook zeer spijtig dat er in dit hoofdstuk,
waarvan de titel zegt dat het hier gaat over de relatie tussen
de Libri en botanische illustratie, in het geheel niets
over deze relatie wordt geschreven. Er staat echter wel een deel
in over Clusius en de botanische illustratie
In mijn onderzoek naar de aquarellencollectie van Karel van St.
Omaars heb ik al de illustraties uit Lobelius’ Kruydtboeck
(1581), die kopieën zijn van aquarellen uit de collectie,
opgenomen. Ik zal hier proberen de lijst aan te vullen en die
ook uit te breiden naar de andere boeken (zie
www.tzwin.be / Libri picturati, onderaan).
In Clusius’s network staat er dat sommige van de vermelde
tekeningen in de aquarellencollectie zouden kunnen opgenomen
zijn maar er worden er geen vermeld.
Dat Clusius zijn netwerk dankzij de kennissenkring van Karel van
St. Omaars heeft kunnen uitbreiden wordt hier niet vermeld. Een
voorbeeld is juist Nicolas Rassius, de arts van de Franse
koning. In een brief die Johannes Cruquius op 21 december 1566
uit Parijs aan Clusius in Brugge zond
lezen we duidelijk dat Karel vSO planten, waarvan hij wist dat
ze in Frankrijk voorkwamen, aan Cruquius vraagt. Cruquius kan ze
niet onmiddellijk vinden, maar zal er alles aan doen om het
volgend jaar zaden te oogsten en op te sturen. Hij stuurt hem
wel een scheut van een Aporynum, die Karel vSO hem
vroeger gevraagd had, en ook zaden en de vrucht van een Arbor
vitae, die hijzelf van de heer Rassius had gekregen.
Merkwaardig is ook dat het niet Karel is die de vraag aan
Cruquius richt, maar wel Clusius in Karel’s naam. Dit geeft ons
een aanwijzing van wat Clusius bij Karel ook deed. Hij hield
Karel gezelschap en gezien zijn botanische kennis, fungeerde hij
ook als zijn secretaris in deze materie.
The flowering
plants in the Libri picturati.
Jan de Koning and Gerda van Uffelen
Met dit hoofdstuk (en het hoofdstuk ervoor over lichens e.a.)
begint het botanische gedeelte van het boek. In dit hoofdstuk
wordt voor de eerste maal niet geschreven over Clusius, maar
over Karel van St. Omaars en zijn wonderbaarlijke collectie.
Hier wordt Karel naar waarde geschat. Ik
citeer:
Looking at these colourful drawings,
and taking into account the enormous undertaking of not only
collecting the plants and animals, both in gardens and in the
field, but also to have them meticulously depicted in several
seasons, one must admit that the auctor intellectualis or ‘owner
of the idea’ of the images must have been a very special person
indeed. A man interested in all new things that were there to
discover, a man whit time on his hands, and of course with the
means, to look at nature with eyes to learn. Karel van St.
Omaars must have been such a man and we owe these drawings to
him.
Daar ik geen botanicus ben, wil ik mij dan ook onthouden om
opmerkingen te maken over het botanisch onderzoek betreffende de
aquarellencollectie. Hier en daar wil ik wel nog enkele algemene
opmerkingen maken.
Bij het onderzoek naar de namen werd de Heukel’s Flora van
Nederland (2005) gebruikt. Misschien was het beter geweest
om de Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels
Gewest, Instituut voor natuur- en bosonderzoek, Nationale
Plantentuin van België & Flo.Wer. (2006) te gebruiken, gezien de
plaats van creatie van de collectie Moerkerke in Vlaanderen was.
Op het einde van dit hoofdstuk staat er:
Already at the time of the making of the Libri picturati not all
the plants included were well-known, met een voorbeeld.
Op enkele van de bladen staat er ook: bvb.
A nemine hactenus descripta,
of a nemine hactemus exibita, nullus tamen hactenus eam
descripsit, enz. Er moet ook opgemerkt worden dat een
groot deel van de planten, waarbij geen tekst staat, er zijn die
toen door anderen nog niet beschreven waren en dat vele planten
dan ook voor de eerste maal in deze collectie werden
voorgesteld.
In de hoofdstukken die volgen wordt de botanische waarde van de
collectie op verschillende manieren aangetoond. Wel zijn er twee
belangrijke items vergeten, namelijk de orchideeën en de
grassen. Zowel orchideeën als grassen worden in de
aquarellencollectie voor de eerste maal zo uitvoerig voorgesteld
en beschreven.
Phytogeography, ....
Bogdan Zemanek.
In de lijst met geografische namen zijn er enkele gegevens over
het hoofd gezien, namelijk het blad A22.034 met de tekst
Cette herbe a este veue et obseruee au commenchement de Juin
1564. Venant de Ysbrouck vers Ausborch, sur
le direct chemin pres Rhoonen, dix lieues dela Ausborch et la
noment ence lieu pfaffenschoen.
De steden zijn Innsbruck in Oostenrijk en Ausburg in
Beieren. (Rhoonen heb ik niet kunnen bepalen). Ook A23.020v met
o.a. de tekst Nux ex Pennon de Velez allata 1564. Pennon de
Velez was een haven op de Afrikaanse kust bij Ceuta en behoorde
tot Spanje.
Middelburg was toen de stad Middelburg in Vlaanderen,
gelegen tussen Moerkerke en Maldegem, nu een deelgemeente van
Maldegem, Oost-Vlaanderen, en niet Middelburg in Zeeland, zoals
Florike Egmond dacht. Wulpen was toen nog een klein
eiland ten Westen van het eiland Cadsant gelegen, maar was
vroeger een veel groter eiland voor Cadsant in de monding van
het Zwin. Wat nu nog van Wulpen overblijft, is een kleine
kuststrook tussen Nieuwvliet en Breskens.
In Indirect phytogeographical information
schrijft Bogdan Zemanek: Quite striking is the absence of
alpine plants in the collection. Toch is er tenminste
één te vinden, namelijk de Valeriana celtica L. (Nardus
celtica, A19.025). Ook bergplanten komen in de collectie
voor.
In deze context kunnen we hier ook nog het volgende melden:
Merkwaardig en hoogst interessant is dat voor de verspreiding
van de Erica en Calluna in de Latijnse teksten "in
campestribus" wordt gebruikt. Waarschijnlijk verwijst men
hier naar de “veld / velt" zones uit Vlaanderen. Veld had al in
de 16de eeuw in Brabant een andere betekenis dan in
Vlaanderen. In Brabant (vgl. Kiliaen, 1599) betekende het eerder
veld zoals we het nu vooral nog kennen in de betekenis van
bebouwd land, akker. In het graafschap Vlaanderen betekent
veld / velt in de 16de eeuw in de eerste plaats
wastine. We zien dit nog duidelijk op de kaarten van de
Ferraris, met namen zoals Maleveld, Bulskampveld, Maldegemveld,
Scheldeveld. "In campestribus" lijkt dus te verwijzen
naar de gemeen gebruikte veldzones van het graafschap
Vlaanderen, waar heide en gagel toen nog weelderig voorkwamen,
terwijl ze dit nu nog mondjesmaat doen! Die zones lagen als het
ware aan de voordeur van Karel vSO.
Onder Synanthropic plants schrijft
Zemanek: This also shows that the main aim of the preparation
of illustrations was cognitive and/or didactic (to acknowledge
students with all plants one could lay his or her hands on).
Ik denk niet dat het ooit de bedoeling van Karel is
geweest om een didactische collectie samen te stellen. De
hypothese van Helena Wille dat Karel bij zijn dood de collectie
aan de Universiteit van Leuven zou geschonken hebben, zoals
Marchantius en Sanderus schrijven, werd tot op heden door niets
bevestigd.
Bij de Exotic plants zouden de planten met een exotische
naam (van toen) kunnen gevoegd worden, zoals de planten die naar
Indië verwijzen, zoals (Nux indica, A23.020), (Avellana
indica, A23.020v), Valeriana wallichii DC. ( Nardus
indica, A19.025), een traditionele medicinale plant uit
India, en (Cyperus indicus, A29.025).
In deze context heb ik een Historisch ecologisch onderzoek
gedaan / Vergelijking tussen de gegevens in de
aquarellencollectie van Karel van Sint
Omaars (1560-1568) en die in de nieuwe Atlas van de
Flora van Vlaanderen en het Brussels gewest, 2006, INBO,
Nationale Plantentuin van België & Flo.Wer. / zie
www.tzwin.be/ Ecologisch.
The beginnings of
ecological thought. Andrea Ubrizsy
Savoia, Alicja Zemanek, and Bogdan Zemane
Seacoast – halophytes
Indien er zoveel bladen met afbeeldingen van halophyten in de
collectie te vinden zijn is het omdat Moerkerke zeer dicht bij
het Zwin lag. In de streek waren er nog overal slikken en
schorren. Karel moest geen grote moeite doen om deze planten te
vinden. Al deze zoutminnende planten zijn nu nog in het
Zwinreservaat aan de kust op de Belgisch-Nederlandse grens te
vinden. Ik moet toch opmerken dat de plant, die nu symbool staat
voor het Zwin, de zwinnebloem of lamsoor (Limonium vulgare),
in de collectie niet voorkomt.
In het artikel The beginnings of ecological thought in the
Renaissance: an account based on the Libri picturati A.18-30
collection of water-colours, Archives of natural history 34 (1):
87-108.2007. schreven zij nog dat bepaalde van deze planten
waarschijnlijk uit het Middellandse Zeegebied kwamen.
Enkele zoutminnende planten werden in hun lijst niet opgenomen:
Plantago maritima (A18.082v) / Lobularia maritima
(A27.097) /
Ook enkele planten die bij Karel worden beschreven als
voorkomende langs de kust staan er hier niet bij: Onobrychis
viciifolia (A23.084) en Eriophorum angustifolium
(A24.008). Bij de Onobrychis schreef ook Dodoens in zijn
Cruyde-Boeck (1554) dat de plant aan zee, in de duinen,
voorkwam.
Plants depicted in the Flora Iberica and present in the
Libri picturati.
Luis Ramon-Laca
Rariorum
aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia
Luis Ramon-Laca
schrijft: About 129 illustrations in the Libri picturati
A18-30 were used as templates in Clusius’s publication,
waarvan 69 in de Spaanse Flora.
Daarna geeft hij
elementen aan om te tonen dat de tekeningen door Pieter van der
Borcht werden gebruikt voor het overbrengen van deze tekeningen
op de houtblokken.
Ik denk dat men de
tekeningen uit de collectie van Karel niet mag verwarren met de
tekeningen die Pieter van der Borcht in handen kreeg. De
tekeningen uit de Libri werden hoogstwaarschijnlijk in 2
exemplaren vervaardigd, 1 voor Karel’s collectie en 1 voor
Clusius om ze op houtblokken te laten overtekenen,
waarschijnlijk door Pieter van der Borcht.
Deze bedenking haal ik
uit het volgende (zie ook vroeger).
Thyni ramusculum quem
nuper misisti curavit a Jacobo depingi, hunc cum non perperam
alteri illi Thyno hispanico, quam Dominus pridem habet et cuius
non penes te est, adiungi posse existimet, si ita videbitur et
huius posterioris iconem quam primum ad te mittet. Itidem te
iconem Arisari alterius florentis necdum a quoque exhibiti, qui
dum hic postremo esses, in manibus pictoris erat.
In de brief van Karel aan Clusius vinden we deze aanwijzing van
hun samenwerking. Hier laat Karel schrijven, dat hij het takje
Thynus, dat Clusius hem heeft laten geworden, heeft doorgegeven
aan Jacobus om het te laten schilderen. Hij zal Clusius een
kopie van de andere Thynus hispanicus, die hij in zijn
collectie heeft maar die Clusius nog niet bezit, opsturen. Ook
de afbeelding van de Arisarum, van een andere bloeiwijze,
is in handen van de schilder.
In de Spaanse Flora vinden we een Arisarum angustifolium II.
De tekening ervan is de kopie van het blad A22 -38 uit de ‘Libri’.
Dit wijst in een gans andere richting. Het zou er kunnen op
wijzen dat Karel, toen Clusius bij hem verbleef, de tekeningen
voor de Spaanse Flora heeft laten tekenen en heeft bekostigd. Zo
zijn er 69 tekeningen en aquarellen
uit de Libri terug te vinden in de Spaanse Flora, waarin
er 233 afbeeldingen staan. De Thyni zijn in de Libri,
niet te vinden, wat erop zou kunnen wijzen dat er nog meer
tekeningen voor de Spaanse Flora in opdracht van Karel werden
gemaakt.
Anderzijds zien we ook dat bepaalde planten, waarvan tekeningen
in de Libri voorkomen, niet worden beschreven in de
Spaanse Flora.
Dat Karel in zijn brief alleen de voornaam Jacobus laat
schrijven, wijst erop dat Clusius deze Jacobus, die voor Karel
werkt, zeker goed kent en het is dan ook zonder twijfel Jacob
vanden Coorenhuuse.
Later fate
Na wat ik hiervoor heb
aangetoond is het dus heel goed mogelijk dat Clusius een aantal
tekeningen in zijn bezit heeft gehad (kopieën van die uit
Karel’s collectie).
Dat er een gelijkenis is
tussen de aquarellen uit Karel’s collectie en some twenty
xylographies in het Kruydtboeck (1581) van Lobelius
is zeker. Ook hier werden sommige aquarellen uitgeleend of in
het dubbel gemaakt om ze te kunnen gebruiken als voorbeeld om ze
over te brengen op houtblokken. Het gaat hier wel niet om een
twintigtal maar zeker om meer dan 200 xylografieën, waarvan het
grootste deel voor het eerst of alleen maar bij Lobelius
voorkomen.
Appendix:
list and description (by Clusius) of the plants included in the
Spanish flora and the Libri picturati A18-30
Er moet een onderscheid
gemaakt worden tussen de tekeningen en de aquarellen. De meeste
hier voorgestelde afbeeldingen zijn kopieën van tekeningen uit
de Libri, maar sommige zijn kopieën van aquarellen.
Sommige hier voorgestelde afbeeldingen komen in de Libri
onder deze vorm niet voor. Sommige getekende planten uit de
Libri komen in de Spaanse Flora ook niet voor.
A18.055v komen in de
Libri onder deze vorm niet voor.
A18.083 is een aquarel.
A18.089 is een aquarel.
Clusius zegt dat de zaden die hij naar België bracht er werden
gezaaid, dat er planten groeiden en bloeiden, maar geen zaad
voortbrachten. Deze planten werden waarschijnlijk in de tuin van
Karel van Sint Omaars gezaaid en het is van die planten dat er
een aquarel werd geschilderd.
A18.099 komt in de
Libri onder deze vorm niet voor. Clusius zegt dat de
planten, die in België werden gezaaid, nooit vruchten droegen.
Op de aquarel staan er geen vruchten afgebeeld, op de tekening
in de Flora wel.
A20.012/a komt in de
Flora niet voor.
A20.017/b komt in de
Flora niet voor.
A20.018v/b komt in de
Flora niet voor.
A20.050/b komt in de
Flora niet voor.
A20.050v/a komt in de
Flora niet voor.
A20.093 is een aquarel.
A21.011 is een aquarel,
maar behoort niet tot de originele collectie van Karel; A21.011v
idem.
A21.095
– Coix lacryma-jobi komt in de Spaanse flora voor op p. 501 als
Lacryma Iob.
A22.014 en
A22.014v zijn aquarellen.
De afbeeldingen in de
Flora zijn er geen kopieën van.
A22.038 is een aquarel.
Ramon-Laca schrijft: He … took it to the Low Countries and
cultivated in the garden.
In de Flora staat er:
sed ad nos delatum in hortis alitur (zie ook hierboven).
A22.046 is een aquarel.
A22.053 is een aquarel,
maar behoort niet tot de originele collectie van Karel. De
afbeelding in de Flora is er geen kopie van.
A23.014v zijn
tekeningen, maar komen in de Flora niet voor.
A23.016 is een aquarel.
A23.028 is een aquarel.
A23.032v-033 is een
aquarel.
A23.034 is een aquarel.
A24.003 is een aquarel.
De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.
A24.004 is een aquarel.
De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.
A24.014 is een aquarel.
De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.
A24.018 is een aquarel.
A24.023v is een aquarel.
A26.011 is een aquarel.
A26.030v is
een aquarel.
A26.033v is
een aquarel.
A27.006v/a komt in de
Flora niet voor.
A27.012v komt in de
Flora niet voor.
A27.046 is een aquarel.
A27.049 is een aquarel.
De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.
A27.052 is een aquarel.
A27.084 zijn tekeningen,
maar komen in de Flora niet voor.
A27.085 is een aquarel.
De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.
A30.084 is een aquarel.
Nog een kleine
opmerking. De tekst van de brief van Guido Laurinus seminum
fasciculum una cum literis ad clarissimum virum D. a Dranoutere
ipsemet Moerckerckam detuli vertaalt Lamon-Laca als I
sent to Moerkerke, waar er eigenlijk staat: ik heb aan de
heer zelf gebracht …
In de context van dit hoofdstuk is het toch belangrijk om nog
even te blijven stilstaan bij het feit dat er zoveel
xylografieën, die kopieën zijn van planten uit de Libri,
in het Kruydtboeck van Lobelius uit 1581 voorkomen.
Wanneer we het vorige boek van Lobelius, de Plantarum seu
Stirpium Historia uit 1576, analyseren, dan komen we tot de
bevinding dat er in dat boek maar een zestigtal xylografieën
voorkomen die meestal kopieën zijn van de tekeningen uit de
collectie van Karel vSO, de zelfde als die in de Spaanse flora
van Clusius. Beide boeken werden door Plantijn in 1576
uitgegeven; het privilege voor beide boeken werd ook op
hetzelfde ogenblik verleend, namelijk in juli 1575. Het feit dat
kopieën van aquarellen van Karel’s collectie in de Plantarum
seu Stirpium Historia niet voorkomen maar wel in het
Kruydtboeck zou er kunnen op wijzen dat Lobelius de
aquarellencollectie zelf maar heeft leren kennen tussen 1576 en
1781, na de dood van Karel. Ook het feit dat de naam van Karel
vSO in de inleiding van de Plantarum seu Stirpium Historia
bij de plantenliefhebbers der Lage Landen niet wordt
vernoemd, maar in het Kruydtboeck wel en dat Karel daar
als een van de voornaamste wordt genoemd, wijst in dezelfde
richting.
Men zou kunnen opwerpen dat dit niet per se het geval moet zijn,
maar het feit dat de meeste xylografieën in de Plantarum seu
Stirpium Historia nieuwe waren, dat een aantal van deze
kopieën zijn van de tekeningen die ook voor de Spaanse flora van
Clusius werden gebruikt en dat er in de Plantarum seu
Stirpium Historia geen enkele vermelding naar Karel en zijn
aquarellencollectie staat, wat in het Kruydtboeck wel het
geval is, wijst toch duidelijk in deze richting.
De vraag is dus waar en wanneer is Lobelius tussen 1575 en 1581
met de collectie in contact gekomen? Wie heeft hem de
mogelijkheid geboden om de collectie te analyseren en de
aquarellen te kopiëren? In elk geval Clusius niet, want die was
in die periode aan het hof van Maximiliaan II in Oostenrijk.
Andrea Ubrizsy Savoia
beëindigt het hoofdstuk Common
names in Italian met de bedenking dat het
waarschijnlijk is dat de teksten in het Italiaans na de teksten
in de andere landstalen op de bladen werden geschreven. Ik denk
dat dit weinig waarschijnlijk is gezien de Italiaanse namen van
dezelfde hand zijn als de Latijnse teksten.
Common names in French, German, and Dutch.
Gerda van Uffelen
De benaming op de
aquarellen die voor het Zuid-Nederlands uit die tijd in de
Libri wordt gebruikt is Belg., wanneer de naam van de
plant in het ganse taalgebied dezelfde is. Wanneer de naam
echter in Vlaanderen (van toen) of in Brabant verschillend is
van de algemene naam, dan vinden we Flandris of
Brabantis in de tekst.
Dodoens’s Cruydeboeck
Gerda van
Uffelen schrijft: It is probable that Dodoens’s Cruydeboeck,
published in 1554, has been one of the books, or even the main
book, consulted during the creation of the core collection of
the Libri watercolours.
Uit onderzoek volgt dat
het niet het Cruydeboeck uit 1554 noch de Franse
vertaling van Clusius uit 1557 is, maar wel de uitgave van het
Cruydeboeck uit 1563, dat als referentiewerk werd
gebruikt. Een aantal planten, waarvan de teksten in de Libri
naar Dodoens verwijzen, komen in de eerste editie en ook in de
Franse vertaling niet voor, maar wel in de editie van 1563.
Gerda van
Uffelen schrijft the annotation ‘Tornacensib.’ which refers
to the town of Tournai in northern France.
Tournai lag in de 16de
eeuw in de Zuidelijke Nederlanden en vandaag in België.
Names still
in current use.
Gerda van
Uffelen schrijft: Not all common names given in the Libri can
be found in Dodoens’s Cruydeboeck.
Dit is logisch gezien de
aquarellencollectie tot stand gekomen is in het graafschap
Vlaanderen van die tijd en het Cruydeboeck van Dodoens in
het hertogdom Brabant.
Dit wil niet zeggen dat
beide botanici elkaar niet kenden of met elkaar niet
communiceerden. Een mooi voorbeeld van hun samenwerking is de
volgende:
Lobelius vermeldt Karel van Sint Omaars bij de beschrijving van
zijn Witte affodille incarnaet in zijn Kruydtboeck
(1581). Hij schrijft dat Karel een aquarel van de plant door
Jacob vanden Coorenhuuse heeft laten schilderen. Het gaat hier
hoogstwaarschijnlijk om A22.022, waarbij de enige tekst
ASPHODELVS / ex candido púrpúrascens
is.
In de Epilogus ad lectorem van zijn Florum et
coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia (1568)
schrijft Dodoens :
Hvivs autem historiae editionem dum paramus, duarum ecce
rarissimarum stirpium, & ad hanc operis partem pertinentium, ad
nos icones dantur, Chrysanthemi videlicet Peruniani, &
Afphodeli palustris.
Chrysanthemi Peruniani nobis communicauit integerrima ac
honestissima domina Chriftina
Bertolfia, a charissimo coniuge
suo clarissimo ac amplissimo viro D. Ioachimo Hoppero
Regis consiliario ex Hispania sibi missam.
Asphodeli autem palustris, misit multis
modis ornatissimus ac
nobilissimus D. Carolus S. Audomaro, dominus de Dranoutre,
vir non modo stirpium, verum & historiae animalium omnium
studiosissimus, idemque peritissimus. Vtramque autem huic libro,
coronidis vice addendam
putauimus. Nequaquam enim tam celebris
& admirandae magnitudinis floris imago; aut tam peregrini
Asphodeli, praetermittenda videbatur.
In de beschrijving van de Asphodelus palustris in het
boek p. 298 vermeldt Dodoens ook dat de plant te vinden is op
natte plaatsen en in moerassen in de heiden niet ver van Brugge
in Vlaanderen.
In zijn Stirpium historiae pemptades sex sive libri XXX
noemt hij de plant Asphodelus luteus palustris. Hij
beschrijft de plant op dezelfde manier en zegt dat de plant in
sommige heidegebieden in Vlaanderen te vinden is en ze in de
zomer bloeit. Hij voegt er nog aan toe : Asphodeli lutei esse
palustrem speciem, aut Pseudoasphodelum luteum, caulis cum
floribus ostendit, tametsi folia Gladioli sint aut Iridis.
Bij Lobelius staat dezelfde afbeelding in zijn Kruydtboeck
(1581) en hij beschrijft de plant als volgt:
Water Affodille met gele bloemen. In Latijn /
Asphodelus, minimus luteus, Acorifolius palustris. Dit
cruydt is voorts commende op vochte ende waterachtighe plaetsen
in Enghellandt ende Vlaenderen ende wt een wtghespreydde
safelachtighe ende grasachtighe wortelde welcke heeft niet zeere
dickachtighe aenhancksels / tusschen spatien. De bladers
spruyten smalder dan die vanden Gladiolus oft Acorus, doncker
groen ende gestreept. De stele is van onderhalue palme / van
gewas / grootte fatsoen ende saedt in fleskens / die vanden
Iacynthe ghelyck.
Karel van Sint Omaars had de vondst belangrijk genoeg gevonden
om er een aquarel van te laten schilderen en om bevriende
botanici op de hoogte te stellen van zijn vondst. Dodoens vond
de vondst ook zo belangrijk dat hij er een artikel met
afbeelding in de epiloog van zijn boek aan wijdde. Dezelfde
afbeelding werd in 1601 ook door Clusius gebruikt.
Wat wel opvalt, is dat de plant bij Karel niet bij de
Asphodeli terug te vinden is, maar wel bij de Sparganii.
De tekst bij A26.025, waarop twee planten geaquarelleerd staan,
luidt: Forte SPARGANIVM DIOSCORIDIS / multúm
ad eius descriptionem accedent. Dit
betekent dat zowel Dodoens, Lobelius als Clusius
de plant anders hebben geinterpretteerd. Dit toont ook aan dat
de tekst op de aquarel niet van Clusius kwam, gezien hij veertig
jaar later de plant nog altijd een pseudoasphodelus noemt en
niet een sparganium, zoals op de aquarel.
In feite gaat het om een Narthecium ossifragum (L.) Huds.
die evenals de Asphodelus deel uitmaakt van de Leliefamilie.
Beenbreek is nu in Vlaanderen een zeldzame soort, die licht
achteruitgaat. De soort is haast volledig beperkt tot de Kempen
(Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest,
2006).
Interessant is ook te weten hoe Karel van St. Omaars deze plant
had gevonden. In zijn Rariorum plantarum historia (1601)
schrijft Clusius: ASPHODELVM porro illum flavo flore palustrem,
cujus Dodonaeus & Lobelius in suis scriptis meminerunt, vel
potius Pseudo-asphodelum (…) Xyphij folijs aut tenuifoliae
Iridis, aliquando eruebam in palustribus illis ericetis
Maldeghemo vicinis secundo à Brugarum urbo Flandriae celeberrimi,
miliari, Maio mense cum Ill. Viro Carolo à
Divo Audomaro, Dn. de Dranoutre, Moerkercke, &c. curru vectus
relaxandi animi gratià, altero a meo ex Hispanijs reditu anno.
(De Asphodelus palustris met goudgele bloem, die Dodoens
en Lobelius elk in hun boek vermelden, maar het zou wel de
Pseudo-asphodelus met bladeren zoals de Xyphis of kleinbladig
zoals de Iris kunnen zijn, heb ik op een dag in de moerassen van
de heide aan de tweede mijlpaal langs de weg tussen Maldegem en
het zeer bevolkte Brugge in Vlaanderen in de maand mei gevonden,
toen ik samen met de illustere man Karel van Sint Omaars, heer
van Dranouter, Moerkerke, &c., om uit te rusten met de koets
werd rondgereden, het jaar nadat ik uit Spanje was
teruggekeerd.)
Op blz. 314 schrijft hij ook in verband met een Gentiana: …,
humentibus ericetis secundo ab urbe Brugensi miliari, inter
Maldeghemum & Malam, frequentissima, ubi eam (niveo etiam flore
variantem aliquando conspexi) cum Pseudoasphodelo luteo, folio
Xiphij, Roréque Solis duorum generum eruere memini. (...ik
herinner mij dat ik in de vochtige heide aan de tweede mijlpaal
vanaf de druk bevolkte stad Brugge, tussen Maldegem en Male, die
(Gentiaan) samen met een Pseudoasphodelus en zonnedauw van beide
soorten heb gevonden, (ook de variant met sneeuwwitte bloemen
had ik eerder waargenomen)
Hier lezen we duidelijk dat Karel van Sint Omaars en Clusius (in
1566) samen in de streek van Moerkerke rondreden en ook planten
zochten. Wat nu opvalt bij de aquarellen is dat de door Clusius
beschreven vondst nergens wordt vermeldt. Waar op verschillende
bladeren duidelijk de vindplaats in de omgeving van Moerkerke
wordt aangegeven, zoals op A19.026, vinden we degene die Clusius
in zijn boek beschrijft op geen enkel blad. Indien hij de
professionele hand zou geweest zijn, zou hij dit belangrijk
gegeven toch zeker vermeld hebben, gezien hij het nog doet in
1601, meer dan dertig jaar later.
Medicinal plants,
drugs, and kitchen herbs. Jan de
Koning
Medicinal plants
Jan de Koning schrijft in het begin van dit
deel: Altough many of the depicted plants have, or were supposed
to have medicinal properties, these are seldom referred to in
the annotations.
Dit is een belangrijke vaststelling! Het loont dan ook de moeite
om hier even bij stil te staan. Alle boeken, die in de periode
van de samenstelling van de aquarellencollectie hier werden
geschreven, bevatten uitgebreide medicinale gegevens, zowel in
die van voor als van na het ontstaan van de collectie van Karel
vSO. Al deze boeken zijn geschreven in de geest van planten in
dienst van de geneeskunde.
De aquarellencollectie van Karel van St. Omaars is een zuiver
botanische collectie, wat nieuw is voor zijn tijd!
Fodder plants. Gerda van
Uffelen.
Cattle
In dit hoofdstuk vermeld Gerda van Uffelen kort dat er een
dertigtal grassen in de collectie worden voorgesteld (het zijn
er meer dan 50). Waar ze niet op wijst is het feit dat het hier
om de grootste verzameling gaat uit die periode. Lobelius zal in
zijn Kruydtboeck van 1581 een aantal grassen uit Karel’s
collectie overnemen. Hij schrijft: Het meeste-deel van dese
voorseyde Graskens is wel gheobserueert vanden vromen Heere
goeder ghedachtenissen Mijn-heer de Reynoutre / ende
gheschildert door Meester Jacques van Koren-huyse zeer
gheschickt in dese conste.(1581: I/26). Dodoens en Clusius
beschrijven veel minder grassen.
Karel zal aan een aantal grassen die door anderen nog niet
beschreven waren een naam geven. Zo lezen we bij voorbeeld op
A23.055 GRAMEN PHALARICUM / à Phalaris similitudine sic nobis
appelatum.
Fungi.
Thomasz Malewski
Hier worden de bladeren
beschreven waarop Fungi voorkomen. Er wordt echter geen
woord gerept over Clusius, die als de grondlegger van de
mycologie wordt beschouwd.
Op het einde van zijn Rariorum plantarum historia
(1601) schrijft Clusius een hoofdstuk over de
paddenstoelen, met als titel Fungorum in Pannoniis
observatorum brevis historia. Daarin beschrijft hij de
paddenstoelen, die hij gedurende zijn tochten in Hongarije heeft
ontdekt, in twee delen: de eetbare en de giftige. Merkwaardig is
dat op het einde van het hoofdstuk nog een tweede deel wordt
opgenomen, namelijk:
Beelden van een aantal andere paddenstoelen.
Als inleiding daartoe schrijft hij (in het Latijn):
Nadat de typograaf al een aantal beelden van paddenstoelen had
gesneden, die door CV Matthias Lobelius voor het drukken van
zijn Kruidenboek van de Nederlanden, in de volkstaal geschreven,
werden gebruikt, zou ik deze hier graag voorstellen en zijn
beschrijvingen ervan gebruiken. Wij bekennen gewis dat wij er
twee van diegenen in onze commentaar ingelast hebben, die konden
gebruikt worden voor de bepaling van deze, die wij in onze
Historia Fungorum beschrijven, namelijk eerst de eetbare
soorten en nadien de gevaarlijke. Wij hebben van deze zeker
evenveel afbeeldingen met levendige kleuren geschilderd, en van
beide soorten hebben wij de aard beschreven. Wij hebben er maar
weinige in houtblokken willen laten uitsnijden, om de typograaf
niet te belasten met te grote uitgaven.
Lobelius had in zijn Kruydtboeck in 1581 ook een deel
geschreven over paddenstoelen. Clusius neemt dit in 1601 gewoon
over.
De houtblokken uit Lobelius’ boek werden gekopieerd van de
bladen van de aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars,
namelijk van de bladen A.22/19, A.22/19v en A.27/99. In zijn
tekst schrijft Lobelius ook bij de Campernoelien de
honich-raten ghelijckende:
De voorleden iaeren sijn dese Campernoellen van mijn Heer van
Anin gheschonken: die de selue wt Hongarijen vercreghen hadde
waermen veel af houdt door gulsicheydt vande menschen /
bereydende, cokende ende stouende als de andere. Mijn Heer van
Reynoutre saligher ghedachtenisse heeft de selue hier voortijts
naer t’leuen doen conterfeyten wt versche planten die hier te
lande beuonden waeren, maer op wat plaetse / is my ende den
schildere diese ghemaect heeft noch onbekent. Clusius
beschrijft deze paddenstoel als eerste in zijn deel over de
paddenstoelen uit Hongarije en gebruikt dezelfde afbeelding als
bij Lobelius. Ook de laatste uit zijn reeks komt uit Lobelius en
de aquarellencollectie.

(1581: II/308)

Clusius, Rariorum plantarum
historia, 1601.
We kunnen ons hier dan ook afvragen hoe het komt dat Clusius,
die zegt ingekleurde afbeeldingen van al deze paddenstoelen te
bezitten,
zich niet herinnert dat er door Jacob vanden Coorenhuuse ook
afbeeldingen voor Karel van Sint Omaars werden gemaakt, dat ze
zich in de collectie bevonden en dat het hier juist om deze
paddenstoelen gaat. Nergens in zijn oeuvre schrijft hij ooit dat
deze merkwaardige collectie heeft bestaan en dat hij eraan heeft
meegewerkt. Het is alleen Karel van Arenberg, die hem daaraan
herinnert! We kunnen ons dan ook afvragen welke zijn deelname
aan Karel’s collectie echt is geweest.
Ik ben ook niet de enige die Clusius’ deelname aan de
aquarellencollectie in vraag stelt. Gillian Lewis,
die de vissen in de aquarellencollectie (A16) heeft bestudeerd,
schrijft in haar artikel Clusius in Montpellier, 1551-1554: A
humanist education completed? in het boek Carolus Clusius.
Towards a cultural history of a Renaissance naturalist
(uitgegeven door Florike Egmond, Paul Hoftijzer en Robert
Visser, KNAW, Amsterdam, 2007) het volgende:
However, even were it to be the case that the highly
professional botanical
and d zoological watercolours painted on the Fabriano paper,
could be dated a
little earlier than 1554, there would still be no
evidence that they had come
into the hands of Clusius, and in Montpellier, between 1552
and 1554. Furthermore, careful scrutiny of the
zoological pictures shows up so many small
differences in the precise representation of the cetaceans,
cartilaginous and bony fishes, shell fish and amphibians
that it becomes impossible to sustain
the view that the illustrations in Rondelet's book were
based on these particular
paintings. The drawings in Rondelet's possession can be
deduced from the
plates to have been a rough and ready lot of uneven quality,
the best of them
vigorous representations which have a point to make, the
weakest of them
little more than formless scribbles. In contrast, most of
the fish pictures in
the Libri picturati are clearly the work of a one, or
possibly two accomplished
professional hands. They are beautiful to look at. In the
way they
combine form, colour, presentation on the page they look
more like an album
of natural history paintings to be kept alongside a
collection than like
preparatory drawings for an illustrated printed book. They
surely belong to
the same convention as the pictures Ligozzi did for the
Grand Duke of Tuscany,
or the ones Joris Hoefnagel did at the Imperial court.
Charles de Saint
Omer was a lucky man. If Clusius had anything to do with
these pictures at
all, it is likely to have been no more than advising,
perhaps with the text of
Rondelet in hand, on the identification of the specimens the
painter had at his disposal.
The complete annotations & plates of the Libri Picturati
A18-30
Introduction to the annotations on Libri Picturati A18-30
Gerda van Uffelen
In deze
introductie worden de verschillende handschriften en teksten
geanalyseerd. Er worden er wel twee vergeten. Enerzijds zijn
er de teksten onmiddellijk onder de plant (wortel of tak)
die verwijzen naar Dalechamps (1586) en Lobelius (1571).
Anderzijds zijn er de teksten onderaan de bladen. Meestal
vindt men onderaan links een tekst verwijzend naar
Dalechamps (1586) en onderaan rechts, maar niet zo frequent,
in hetzelfde handschrift een tekst verwijzend naar Lobelius
(1571). Een van deze beide groepen teksten werd aangebracht
in de periode dat de collectie in handen van Karel van
Arenberg was.
De teksten werden
per blad niet geanalyseerd, wat spijtig is gezien dit juist
zo belangrijk is, zowel op historisch als botanisch gebied.
Dit is geen klein werk en daarom was het zo belangrijk om
goede afbeeldingen van de bladen te hebben. Zoals de bladen
nu worden voorgesteld is het onmogelijk om op deze verder
onderzoek te doen.
Hier
enkele voorbeelden van analyse (naar grote voorgestelde
bladen).
A20.084 (p.182)
De tekst Flandr. is van dezelfde hand als de Latijnse
teksten (professional hand). De tekst Lombaertsche
haesenooten oft Baerdenooten is van een andere hand. De
tekst Auellana Hispanica is van dezelfde hand als die
onder de tak van de Corylus maxima. Deze tekst had
hier volgens het gebruikte systeem dan ook niet moeten
opgenomen worden. Bij de annotatie wordt de
wetenschappelijke naam Corylus maxima gegeven, maar
niet de naam van de vruchten. Dit zijn noten van de
Corylus avellana.
A23.046v (p.222)
Boven de naam MILIVM NIGRVM staat er onder B nog een tekst.
Deze is in de annotaties niet opgenomen. Onder de wortel
staat de tekst Milium nostras 409 / Hirs L.50 (hand
three – Dalechamps en Lobelius). Onderaan links staat er
milium vt videtur nostras folio 409 Libro.4°. (
hand two – Dalechamps). Beide teksten zijn in de
annotatie niet opgenomen.
A30.049 (p.150)
De teksten Ital. Frabinella,
Ginocchito & sigillo di Sta Maria / Gall. / Germ.
/ Belg.
zijn door de professional hand geschreven, de teksten
Signet de Salomon, Genoillet ou Grenolliere / Weysz wurtz
/ Salomons zeghel door een andere hand. Onderaan links
staat er lib. 15 fol. 1623 vtrumque habes (Dalechamps).
A30.024 (p.329) en
A30.028 (p.330) zijn speciale bladen.
Eerst moet men
opmerken dat A30.028 geen # blad maar wel een * is.
Wanneer we de
teksten op deze bladen analyseren dan zien we dat er op
A30.028 een deel van de teksten door de professional hand
geschreven werden en een ander deel door een andere
hand. Op A30.024 staan er alleen teksten van deze andere
hand. Deze aanvullende teksten dateren van na de uitgave van
DODOENS, R., 1568 Florum, et coronariarum odoratarumque
nonnularum herbarum historia, gezien ze naar dit boek
verwijzen. Dit zou ook betekenen dat de professional hand
van voor deze periode is. Ook A30.048 past in deze
reeks. De Latijnse tekst bij de planten aan de linker zijde
is van de professional hand en die aan de rechter
zijde van de andere hand.
Bij de annotaties
zijn er ook enkele verkeerde wetenschappelijke namen,
bijvoorbeeld: A18.042v / Erodium cicutarium = Erodium
cicutarium ss. dunense – A19.025 / cf. Limonium spec. =
Valeriana celtica – A27.020 / Populus alba = Populus
canescens – A27.028 / Acer pseudoplatanus = Acer opalus.
Op het einde van dit artikel wil ik nog eens terugkomen op de
naam van het boek: Drawn after Nature, The complete botanical
watercolours of the 16th century Libri Picturati.
Nadat Claudia Swan de collectie in 1998 voorstelde als
The Clutius botanical watercolors. Plants and
flowers of the Renaissance, hebben
de uitgevers van het nieuwe boek hier het boek ook niet naar de
creator van de aquarellencollectie willen noemen. Nadat
het boek eerst werd voorgesteld als The complete
botanical watercolours of Clusius. An enquiry
into the 16th century Libri Picturati collection
besloten ze na protest het boek de naam te geven die we nu
kennen Drawn after Nature, The
complete botanical watercolours of the 16th century Libri
Picturati.
Was het niet eerlijker geweest het boek naar de man die deze
collectie heeft samengesteld te noemen, namelijk:
The botanical
watercolours of Charles de Saint Omer dit de Morbecque
De meeste zijn wel
tekeningen en geen aquarellen, maar wel op hetzelfde
papier met watermerk met gekruiste pijlen en ster waarop
ook de aquarellen geschilderd zijn. Bij Lobelius vinden
we in zijn Kruydtboeck 51 kopieën van aquarellen
uit Karel’s collectie.
In 1576 herinnert Clusius
zich ogenschijnlijk niet meer van waar sommige
tekeningen komen. In de inleiding van zijn Spaanse Flora
schrijft hij : Inde factum est, vt clarissimus vir
Rembertus Dodonaeus, nunc Caesareus medicus, veteri
amicitia mihi conjunctus, quas ex meis iconibus voluerit,
libere in suam Purgantium historiam intulerit. Ego
vicissim eadem libertate fretus, Anemones quatuor
generum, Aristolochiae longae vulgaris, quam &
Sarracenicam Galli appelant, & Chamaesyces effigies,
quoniam meo argumento deseruiebant, ex eodem libro
desumpserim. De tekening van de Anemone latifolia
altera II (p.309) is een kopie van de aquarel A26.033v
en die van de Chamaesyce (p.441), waarvan sprake, komt
ook uit de collectie van Karel, namelijk de A27.085. Het
is dan ook verwonderlijk dat hij hier Karel niet
vernoemt.
In Karel’s testament staat : Quant aux liuris delaissez
par ledict Sr en grec et en latin legatez a
chaerles de lescluse lon entend les laisser seruire
audict escluse Parquoy Memoire
Audict
Charles de lescluse a este donne pour les paines et
assistence quil a faict audict Sr la somme
de ijc lb t.
Universitaire Bibliotheek Leiden, Clusius’
correspondentie, VUL 101, brief van Mathias Laurinus aan
Clusius in Mechelen, 2 juli 1570.
Mathias schrijft:
"Jaij recheu vos dernieres lettres et me desplaist que
je ne scaij rataindre les livres desquelles font vos
lettres mention qui doibvent estre de la bibliotheque de
feu le Sr. de Dranoultre non obstant touttes les
recherches que jen aij fait et certes il me souvient
bien avoit veu opera Plinii in parva forma: ensemble le
second thome des vieulx medecins, mais personne ne me
peult donner certitude ou ils peuvent estre devenus.
J'en ai faict aultrefoijs diceulx livres parler a
Franciscus qui dit les avoir veu, non scachant aultre ou
ils peuvent estre devenus’.
Florike Egmond schrijft dat het boeken waren van Clusius,
die nog in Karels bibliotheek lagen, wat erop wijst dat
ze problemen heeft met het lezen van oude Franse
teksten. Franciscus, die in de brief wordt vernoemd, is
waarschijnlijk Fransisce Tassin, één van de vroegere
pages van Karel van Sint Omaars.
MARCHANTIUS, J., 1596 Flandria commentariorum lib. IIII.
descripta.
Antverpiae, ex officina Plantiniana, apud viduam &
Ioannem Moretum, in-8, [16], 422, [2] Pp.
Marchantius schrijft over Karel : Quidquid rariorum
piscium mare, fluvii, lacus : quidquid notabilium avium
aër, silvae, stagna: quidquid herbarum: quidquid etiam
lapidum usu aut raritate insignium tellus Flandrium
producit … omnia luculente nobis expressisset, nisi …
praematuro exitu, huic patriae funestissimo desiderio,
exitioque praevertisset, Carolus a Mourbeka Drenoutrius,
emissarios investigationi, omnigenas herbas usui,
peritum pictorem memoriae et oblectamento impense
nutriebat, in suo ad flumen Liviam Moerkercano:
legatisque Lovaniensi medicorum collegio simplicium
perspectorum, florisissimeque effictorum quatuor
voluminibus, et Gesneri de Lapidibus, seque bona illius
opera usum, scribendis commendatione celebris documentum
statuit, quam pronus esset doctorum studiis adjuvendis,
quam appositus Flandriae illustrandae. (p. 27-28).
SANDERUS, A.
(SANDERS, A.), 1624 De scriptoribus Flandriae libri
tres, Antwerpen, G. a Tongris, Pp 160, [8].
De meeste zijn wel degelijk tekeningen en geen
aquarellen, maar wel op hetzelfde papier met watermerk
met gekruiste pijlen en ster waarop ook de aquarellen
geschilderd zijn. Bij Lobelius vinden we in zijn
Kruydtboeck meer dan 200 kopieën van tekeningen en
aquarellen uit Karel’s collectie.
In 1576 herinnert Clusius
zich ogenschijnlijk niet meer van waar sommige
tekeningen komen. In de inleiding van zijn Spaanse Flora
schrijft hij : Inde factum est, vt clarissimus vir
Rembertus Dodonaeus, nunc Caesareus medicus, veteri
amicitia mihi conjunctus, quas ex meis iconibus voluerit,
libere in suam Purgantium historiam intulerit. Ego
vicissim eadem libertate fretus, Anemones quatuor
generum, Aristolochiae longae vulgaris, quam &
Sarracenicam Galli appelant, & Chamaesyces effigies,
quoniam meo argumento deseruiebant, ex eodem libro
desumpserim. De tekening van de Anemone latifolia
altera II (p.309) is een kopie van de aquarel A26.033v
en die van de Chamaesyce (p.441), waarvan sprake, komt
ook uit de collectie van Karel, namelijk de A27.085. Het
is dan ook verwonderlijk dat hij hier Karel niet
vernoemt.
|