't Zwin

 

 

 

 [Afbeelding bedrijfslogo] 

Jacques De Groote   Vlienderhaag 4 B-8340 Damme 050 501032 jacqdegr@skynet.be

 

 

Drawn after Nature

The complete botanical watercolours of the 16th-century Libri picturati.

 

In juni 2008 kwam dit boek uit onder de redactie van Jan de Koning, Gerda van Uffelen, Alicja en Bogdan Zemanek, uitgegeven door KNNV Publishing, Zeist, Nederland. Dit boek is de geannoteerde uitgave van de Libri picturati A18-30, die zich nu in de Jagielonska bibliotheek te Krakow bevinden. De A18-30 zijn een deel van de Libri picturati A16-31. A16 en A17 zijn aquarellen van vogels, vissen en viervoeters; A31 bevat grotendeels kopieën van de botanische aquarellen uit de collectie.

Het belangrijkste deel van deze aquarellen is de collectie die in de in de jaren 60 van de 16de eeuw door jonker Karel van St. Omaars, gezegd Moerbeke, heer van Dranouter, Oudenem, Merris, Moerkerke, etc. werd samengesteld te Moerkerke in Vlaanderen. Hij verzamelde de planten en liet ze door Jacob vanden Coorenhuuse aquarelleren.

Toen ik in 2002 vernam dat er een project was opgestart om de Libri uit te geven, heb ik mij kandidaat gesteld om eraan mee te werken. Jan de Koning liet mij toen weten dat er genoeg mensen waren in het project. Ook Helena Wille werd uit het project geweerd. In 2006 hadden wij op het kasteel van Moerkerke een vergadering met Florike Egmond en mensen van het Vlaams Gewest, waar de mensen van het Vlaams Gewest voorstelden om na te gaan of Vlaanderen bereid zou zijn om financieel aan het project deel te nemen zodat het eventueel mogelijk zou zijn om de volledige collectie op ware grootte uit te geven. Ons voorstel werd nooit bestudeerd met als resultaat het boek Drawn after Nature waarin de meeste aquarellen op grootte van een postzegel worden voorgesteld, waardoor de teksten die in het boek niet werden opgenomen onmogelijk te lezen zijn en dit boek voor verder onderzoek waardeloos is.

Het onderzoek van Helena Wille, alsook dat van mezelf, werd door verschillende schrijvers in Drawn after Nature gebruikt om hun artikels te stofferen zolang het in hun artikel paste. Wanneer onze visie van de hunne verschilde werd die gewoonweg verzwegen. Dit heeft als gevolg dat dit boek een zeer tendentieuze visie weergeeft.

Ik wil hier dan ook mijn visie verdedigen en de fouten die in het boek voorkomen aantonen. Ik zal dit doen pro rata van de hoofdstukken uit het boek.

The making of the Libri Picturati A 16 – 30. Florike Egmond.

One collection?

In het begin van haar betoog schrijft Florike Egmond dat Ramon-Laca op basis van de analyse van de watermerken op het papier van de collectie vaststelde dat 1115 van de ongeveer 1300 (en niet 1400 à 1500 zoals zij schrijft) bladen hetzelfde watermerk droegen (twee gekruiste pijlen met daarboven een ster)[1]. Ze schrijft verder dat dit papier in Fabriano in Italië vanaf 1554 werd geproduceerd en dat het dus uitgesloten is dat er aquarellen voordien zouden ontstaan zijn. Om dit te bewijzen baseert Ramon-Laca zich op C.M. Briquet[2] die verschillende merken (6298-6299-6300) bestaande uit twee gekruiste pijlen met erboven een ster vond. Ramon-Laca kiest daaruit het papier van het formaat reale dat in 1554 in Fabriano werd gebruikt en besluit dat het papier waarschijnlijk daar werd gemaakt. Er zijn echter een aantal andere steden waar het papier in dezelfde periode ook werd gebruikt ( het formaat reale in Praag (1543-48), Ausburg (1554), Firenze (1518-28), Pistoia (1524-40), Rome (1527-66) en Fabriano (1554 en 1576); het formaat imperiale in Brussel (1551-56)).

Uit de steden waar het papier werd gebruikt Fabriano uitpikken en omdat daar in 1554 papier met het watermerk werd gebruikt gaan beweren dat het onmogelijk is dat er voor dit jaar aquarellen werden gemaakt is nogal ver gezocht. Als men dan toch een jaartal zou moeten kiezen waarvoor het weinig waarschijnlijk is dat Karel de collectie heeft samengesteld, dan zou ik opteren voor het jaar 1559. In dat jaar stierf Karel’s moeder Anna van Praet en werd Karel volle eigenaar van het familiebezit. Hij was in 1551, bij de dood van zijn oudere zuster, al heer van Dranouter, Oudenem en Merris geworden, maar toen nog onder voogdij.

De meeste bladen waarvan sprake hebben geen watermerk maar zijn wel van dezelfde kwaliteit, wat erop zou kunnen wijzen dat er bladen van het formaat imperiale werden gebruikt, zoals die uit Brussel, die in twee werden gedeeld. Dit zou met zich meebrengen dat het papier niet per se uit Fabriano zou komen. In de aquarellencollectie zitten er ook enkele volle bladen van het formaat imperiale (A23.032v-033, A25.039v-040, A27.043v-044, A27.062v-063).

Er moet hier ook op gewezen worden dat het papier dat Karel heeft gebruikt waarschijnlijk uit één van de Brugse drukkerijen kwam en hoogstwaarschijnlijk uit die van Marcus Laurinus, waarvan Hubertus Goltzius de leiding had. Op bladen van boeken die in 1563 en in 1566 in de drukkerij van Goltzius werden gedrukt vindt men het watermerk met twee gekruiste pijlen en erboven een ster.[3]

Verder schrijft Florike Egmond: Moreover, the watercolours on these particular 1115 sheets belong to only two categories: a group of 625 watercolours annotated in a ‘professional hand’, and a smaller group of watercolours, many of which match the engravings in some of Clusius’s publications.

De ongeveer 1150 bladen bestaan in feite uit 684 bladen met annotaties van de professional hand, een vijftigtal bladen met tekeningen en aquarellen, die overeenstemmen met afbeeldingen in bepaalde van Clusius’ publicaties, en de overige bladen zonder annotaties, waarvan er 288 tot de originele collectie behoren en 129 later werden toegevoegd.

Annotation

Florike Egmond schrijft: The Libri picturati contain various types of annotations and only one of them – the annotations in the ‘professional hand’ – is relevant to their origin. Dit is een foutieve bewering. De namen van de planten in het Frans (Gall.), het Duits (Germ.) en het Zuid Nederlands (Belg.) zijn van een andere hand maar behoren tot het origineel project (zie verder).

De boeken waarnaar in de annotaties wordt verwezen zijn de volgende: in de tweede hand, meestal onderaan de bladen, wordt verwezen naar Jacques Daléchamps, Historia generalis plantarum (1586-1587), Rembert Dodoens, Stirpium historiae pemptades sex (1583), en Matthias de l’Obel, Kruydtboeck (1581). De annotaties van het derde type verwijzen voor het grootste deel ook naar Daléchamps en de l’Obel, en niet naar Clusius, zoals Florike Egmond beweert.

Who and when?

Clusius and Saint Omer

In haar betoog probeert Florike Egmond te bewijzen dat Clusius de auctor intellectualis van het project is geweest. Daarvoor gebruikt ze de meningen van vroegere onderzoekers, maar brengt zelf geen enkel argument bij.

Ze tracht wel te bewijzen dat het grootste deel van de collectie zou tot stand gekomen zijn in de periode tussen de herfst van 1565 en de winter 1568-69, de periode tussen de aankomst van Clusius bij Karel van St. Omaars in Moerkerke en de dood van Karel in februari 1569. Wat ze er niet bij zegt is dat Guido Laurinus in november 1564 in een brief aan Clusius laat weten dat Karel van St. Omaars op dat ogenblik zijn collectie aan het ordenen is volgens de methode van Dioscorides. Ze gaat dit ook staven aan de data die in de collectie terug te vinden zijn. Het moet wel gezegd worden dat er in de ganse collectie maar viermaal een jaartal voorkomt (1564 en 1465). Zich daarop baseren om te bewijzen dat de collectie van na 1565 zou zijn is wel zeer tendentieus.

Ze laat hier ook doorschemeren dat Clusius bij Karel zou verbleven hebben als vriend. Karel heeft Clusius echter niet bij hem geroepen omdat deze zijn vriend was maar wel omdat hij een secretaris nodig had die hem zou kunnen bijstaan in zijn botanische studie. In de brieven die Clusius in de periode die hij bij Karel doorbracht heeft ontvangen kunnen we duidelijk lezen dat de schrijver ervan meestal antwoordt op een brief geschreven door Clusius in opdracht van Karel van St. Omaars.

Een voorbeeld van deze werkwijze vinden we in de brief die Johannes Cruquius op 21 december 1566 vanuit Parijs aan Clusius in Brugge zond[4]. Hier lezen we duidelijk dat Karel vSO planten, waarvan hij wist dat ze in Frankrijk voorkwamen, aan Cruquius vraagt. Cruquius kan ze niet onmiddellijk vinden, maar zal er alles aan doen om het volgend jaar zaden te oogsten en op te sturen. Hij stuurt hem wel een scheut van een Aporynum, die Karel vSO hem vroeger gevraagd had, en ook zaden en de vrucht van een Arbor vitae, die hijzelf van de heer Rassius had gekregen. Merkwaardig is ook dat het niet Karel is die de vraag aan Cruquius richt, maar wel Clusius in Karel’s naam.

Het is bij Karel vSO dat Clusius voor het eerst werd ingezet om voor Karel zaden, bloembollen en planten van overal te verwerven. In een brief uit 1570 die François Rapaert uit Brugge naar Clusius, die dan bij de heer van Brancion te Mechelen verblijft en er dezelfde functie als voordien bij Karel vSO uitoefent, zendt kunnen we lezen: et studiosius, quam vnquam antea cognitioni simplicium incumbere, et vndique ad vos mitti seram, bulbos, et plantas, adeo vt ditior nunc hac in parte sis quam vnquam fuerit D. de dranoultre,

Clusius werd waarschijnlijk ook door Karel in dienst genomen als beheerder van zijn Renaissancetuin. We zien bij voorbeeld ook dat Clusius naar Antwerpen wordt gezonden om er in 1566 bij Plantijn boeken te gaan ophalen, die er door Karel vSO waren besteld.

In de staat van goederen van de nalatenschap van Karel van St. Omaars staat er dat er aan Clusius nog een som geld moet betaald worden, wat erop wijst dat Clusius bepaalde handelingen in dienstverband voor Karel van St. Omaars had uitgevoerd.

Cluyt

Hier weerlegt Florike Egmond de hypothese van Claudia Swan die beweerde dat deze aquarellencollectie het werk was van Clutius in haar boek The Clutius botanical watercolours. Plants and flowers of the Renaissance uit 1998.

Op het einde van haar betoog schrijft Florike Egmond het volgende: Cluyt undoubtedly owned a large collection of botanical watercolours, but Swan’s identification of these watercolours as the ones contained in the Libri picturati – which rests completely on an unproven identification of the ‘professional hand’ as Cluyt’s - remains as unconvincing as her efforts to disprove the connections between Clusius, Saint Omer and the Libri picturati. Cluyt may not even have more than elementary Latin.   

Een bewijs dat Clutius een botanische collectie bezat vinden we in de correspondentie van Anselmus de Boodt met Clusius. In zijn brief van 5 april 1602 uit Praag[5] aan Clusius in Leiden, schrijft Anselmus de Boodt:

Geachte heer, toen ik enkele jaren geleden in Leiden was heb ik bij de weduwe van apotheker Clutius een herbarium met naar het leven getekende tekeningen gezien. Die stond me in die tijd zo aan dat ik die van de weduwe wou kopen. Daar de vraagprijs mij nogal hoog leek heb ik met haar geen prijs kunnen overeenkomen. Ik vraag mij af of deze nu nog te koop zou zijn? Indien dit het geval is zou ik u willen vragen of U zou kunnen nagaan welke de waarde er nu van is en welke figuren of bladen - of het voltallig werk - en nog bestaan. Als ik me niet vergis waren er toen 1050 figuren of getekende bladen. Het zou spijtig zijn indien er een aantal figuren uit het werk verdwenen waren.

In de marge van de brief schrijft Clusius: petit 450 fl. / Lorretus 300 aestimat, wat betekent dat Clutius’ weduwe in 1602 het herbarium nog in eigendom had, er 450 florijn voor vroeg en dat Lorretus de waarde ervan op 300 florijn schatte.

In de brief van Anselmus de Boodt aan Clusius van 10 december 1602, waarin hij Clusius dankt voor de zaden die deze hem samen met zijn antwoord heeft gestuurd, komt hij ook terug op het onderwerp ‘herbarium’. Hij schrijft: Betreffende het herbarium heb ik verstaan dat de weduwe er 450 florijn voor wil, wat neerkomt op 20 stijver (per blad). ... Toen ik enkele jaren geleden in Delft was, heeft de schilder Elias Crans, die deze bloemen schilderde, mij dezelfde willen schilderen voor niet meer dan zes stijver per figuur. Hij heeft dan ook geen interesse meer in het herbarium van Clutius.

Gezien Karel van Arenberg de aquarellen van Karel van St. Omaars in 1595 had kunnen kopen en het herbarium van Clutius in 1602 nog altijd eigendom was van zijn weduwe, staat het vast dat het hier om twee verschillende collecties gaat.

De zin die Florike Egmond gebruikt om de foutieve redenering van Claudia Swan te onderlijnen zou ook tegen haar kunnen gebruikt worden: but Egmond’s identification– which rests completely on an unproven identification of the ‘professional hand’ as Clusius’s - remains as unconvincing as her efforts to prove the connections between Clusius and the Libri picturati. Geen enkele tekst van Clusius komt grafologisch overeen met de teksten op de bladen van de aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars.

Where?

Florike Egmond tracht de streek waarin de collectie is ontstaan te bepalen. Ze stelt dat ‘here’  a limited section of the Dutch-speaking part of the Southern Netherlands, de streek van Antwerpen, Leuven en Brugge, is. Men kan zich hier afvragen hoe ze ertoe komt om dit als een streek te bepalen. Ook komt Antwerpen nergens in de collectie als plaats voor.

De omgeving waar de collectie is ontstaan is die van Moerkerke. Moerkerke lag en ligt nog altijd op de overgang tussen de zandstreek en de polders. Het dorp was omgeven door akkers en weiden. In de omgeving lagen er aan de zuidzijde bossen, heide, moerassen en aan de noordzijde polders, het Zwin en de kust van de Noordzee, met duinen, schorren en kreken. Het was de ideale omgeving om allerhande planten te vinden. We zien dan ook dat er afbeeldingen van planten uit al deze biotopen in de collectie terug te vinden zijn, zoals bij voorbeeld van zoutminnende planten (halofyten), die in de overgang tussen slik en schor groeien en nu nog altijd in het Zwinreservaat te vinden zijn.

Het klopt dat men de streek moet kennen om te weten waar Moerkerke, Heist, Wulpen, enz. liggen. Dit is ook zo voor Middelburg, (A19.026). Het gaat hier natuurlijk om Middelburg in Vlaanderen, nabij Moerkerke, en niet om Middelburg op Walcheren, zoals Florike Egmond dacht. De plant, die op de weg van Moerkerke naar Middelburg werd gevonden, is de Valeriana silvestris, aut pratensis minor. Deze plant groeit in bossen. Op de kaart van Pourbus van 1561-71 zien we dat de weg Moerkerke - Middelburg grotendeels door een (nu verdwenen) bos liep. In dit bos lag toen het kasteel van Matthias Laurinus, Karels vriend.

De connectie tussen Karel van St. Omaars en Scheveningen is niet alleen die met Adriaen Coenen. Karel verbleef ook in 1564 gedurende een periode van ongeveer zes maand in Den Haag voor een proces die de familie van Praet al geruime tijd voerde betreffende aanwassen aan de polders van Scobbe en Evenrocken langs de Maas waarvan zij eigenaar was. Karel heeft dus alle tijd gehad om dan in Scheveningen langs het strand te wandelen en er Zeeraket (Cakile maritima)(A27.098) te vinden.

Authors and friends.

Florike Egmond schrijft dat in de collectie het meest wordt gerefereerd naar Dodoens, Clusius vriend. Ze vergeet te zeggen dat Dodoens en Karel van Sint Omaars elkaar ook zeer goed kenden.

Het boek waarnaar wordt gerefereerd is het Cruydeboeck (en niet Cruydt-boeck zoals Florike Egmond meermaals schrijft) uit 1563. Dat het hier wel duidelijk om het Cruydeboeck van 1563 gaat en niet om de eerste editie van 1554 of om de vertaling Histoire des plantes uit 1557 stel ik na onderzoek vast doordat er in een aantal teksten op de bladen, waar Dodoens wordt vermeld, het over planten gaat, die noch in de eerste editie, noch in de vertaling voorkomen, maar wel in de editie van 1563.

Ook bij de verwijzing naar Hadrianus Junius en zijn beschrijving van de Phallus impudicus uit 1564 moet gewezen worden naar het jaartal van de uitgave. Het is de periode waarin Karel in Den Haag verbleef en het is dus zeer waarschijnlijk dat hij Hadrianus Junius dan heeft ontmoet.

All works could, moreover, easily have been known to Clusius. Dat klopt, maar om uit deze werken te kunnen citeren, moet men ze ook bij de hand hebben en er is weinig kans dat Clusius al deze boeken bezat, Karel echter was rijk genoeg om deze boeken te bezitten. In zijn testament schenkt hij ook al zijn Latijnse en Franse boeken aan Clusius. Clusius zal er dan ook alles aan doen om deze boeken te bekomen, zoals uit zijn briefwisseling kan opgemaakt worden.

Florike Egmond gaat verder met het vernoemen van de vrienden en donoren van planten en tekeningen. Een van hen noemt ze a certain Jacobus. In een vroeger artikel identificeerde ze deze Jacob als Jacques Plateau, apotheker uit Doornik. Mijn antwoord daarop was: Zij vergist zich ook wanneer ze bij de beschrijving van mensen, die planten en tekeningen uitwisselden Marcus Laurinus noemt. Het is niet Marcus, maar wel Matthias Laurinus en diens vrouw Radegonde du Quesnoy, die interesse hadden in planten. Matthias was de beste vriend van Karel en woonde op het kasteel van Leeskens, tussen Moerkerke en Middelburg, en ook in Antwerpen. In haar betoog over de collectie in het kader van Brugs humanisme noemt ze de gebroeders Laurinus sleutelfiguren in de kring van planten- en naturalialiefhebbers in Vlaanderen. In de boeken van zowel Clusius als Lobelius worden zeer vele namen van liefhebbers, apothekers en dokters, die zich op de ene of andere manier met botanica bezig hielden in onze gewesten, vermeld. Lobelius vermeldt er een aantal in de inleiding van zijn Kruydtboeck (1581): naest den vermaerden Caerle de I’Ecluse (die inde oeffeninge ende eruarentheyt in dese conste by hem soo in Oistenriick als andere landen vercregen by niemanden naer ons goetduncken en wordt te bouen ghegaen) de voornaemtste gheweest te syne wylen rnyne heeren van Reynoultre , van Brancion ende vander Delft, ende nv teghenwoordeliick in dese saecke gheliick in alle andere seer pryselick te wesen heere Philips van Marnix, Heere van Sint Aldegonde, met oock voornamentliick heeren Caerle de Houchin, heere van Longastre, heere Jan Bosoit, Mathias Laurin ,Tresorier der Staten der Nederlanden, Cornelis Pruynen, Tresorier: meesters, Willem Martini, ende Jan van Hobboken Greffiers der voorseyden stadt van Antwerpen: Ionckers Jacob Duym ende Jaspar Roelofs: lan Mouton, Iacques Durin , ende eenighe andere. Verder vinden we o.a. nog Kaerle van Croy, Prince van Chimay, Mijnheer du Bosqueil, rouart van Rijssel, Joris vander Ryen, uit Mechelen, Raphael Coxia, schilder te Mechelen, Frederick Gembello, Olivier Dries, Jan Coene .En er waren in die tijd ook vrouwen, die tuinen aanlegden: Joufvrouwe Marie de Brimeu, huysvrouwe van Coenraedt Schetz, Mijn-Vrouwe Catharine van Eekeren huysvrouwe van Heer Jan Straele, Amant van Antwerpen, Radegonde du Quesnoy huysvrouwe van Heer Matthias Laurin Tresorier generael van Vlaanderen. Bij Clusius vinden we ook nog Francois de Hollebecque, Jacques Plateau uit Doornik, Wilhelm Jasparduyn, aphoteker, Thobias Roels, medicus, Jan van Hogelande, Charles de Tisnac, Philippe de Sivry, heer van Walhain, Peter van Overstraete, Apotheker te Brussel, Karel de Tassin, e.a. Nergens worden de gebroeders Laurinus in deze context maar één maal vernoemd. Zij vergist zich ook wanneer ze op het einde van haar artikel beweert dat de Officina Goltziana, de drukkerij die door Marcus Laurinus voor Hubertus Gotzius werd opgericht, zich in zijn landgoed buiten de stad Brugge, de Laurocorinthus, bevond. De drukkerij bevond zich in Brugge in het huis ‘de Groene Wynckle’ op het Biscayersplein.

De Jacobus waarvan sprake is in feite Jacob vanden Coornhuuse. Karel laat in een brief aan Clusius weten dat hij het takje Thynus, dat Clusius hem heeft laten geworden, heeft doorgegeven aan Jacobus (vanden Coornhuuse) om het te laten schilderen. Hij zal Clusius een kopie van de andere Thynus hispanicus, die hij in zijn collectie heeft maar die Clusius nog niet bezit, opsturen. Ook de afbeelding van de Arisarum, van een andere bloeiwijze, is in handen van de schilder.

Hierbij kunnen we twee opmerkingen maken. Eerst zien we dat Karel, zelfs nadat Clusius hem heeft verlaten, nog altijd tekeningen laat maken door Jacob vanden Coornhuuse. Deze tekeningen zullen dienen voor de vervaardiging van de houtblokken voor Clusius’ Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia. Anderzijds zien we ook dat Karel, zelfs na het vertrek van Clusius, nog altijd bezig is met de samenstelling van zijn collectie.

Florike Egmond gaat verder met: Three more names have recently come to my attention, not included in this list of donors. Wat daarna volgt is de analyse van een blad, dat eigenlijk niet bij de aquarellencollectie hoort en een latere toevoeging is. Het blad draagt een ander watermerk en de vernoemde mensen zijn kennissen van Clusius van na de dood van Karel van St. Omaars. De eerste brief van Jean Boisot aan Clusius in de collectie te Leiden dateert van 1582. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Karel van St. Omaars en Karel van Arenberg elkaar zouden gekend hebben.

The respective roles of Clusius and Saint Omer

Saint Omer as collector

Hier besteedt Florike Egmond enige aandacht aan mijn vondst van de staat van goed van Karel van St. Omaars in het rijksarchief te Brugge. Ze eindigt hierbij met de vraag of het feit dat de aquarellencollectie bij de dood van Karel zich in het ‘cabinet’ van Anne d’Oingnies bevond erop zou wijzen dat ook zij aan de collectie zou meegewerkt hebben. Dit is weinig waarschijnlijk gezien geen enkel gegeven over haar terug te vinden is in verband met deze collectie. Radegonde du Quesnoy, vrouwe van Wulpen, vrouw van Matthias Laurin, heer van Leeskens, Tresorier Generaal van Vlaanderen, die in het nabijgelegen kasteel van Leeskens woonde en ook in Antwerpen, was wel geïnteresseerd in kruiden, had een kruidentuin en had ook een aquarellencollectie laten maken door Jacob vanden Corenhuuse. Zij wordt door Lobelius in zijn Kruydtboeck vermeld.[6] Indien Anne d’Oingnies ook liefhebster zou geweest zijn, dan zou Lobelius dit hier zeker vermeld hebben. Indien zij echt interesse zou gehad hebben in de botanica, dan zou Karel zijn boeken zeker aan haar nagelaten hebben.

De bezittingen van Anna staan wel in de staat van goed beschreven.

Verder haalt Florike Egmond een passage aan uit Clusius’ Exoticorum Libri Decem, waarin Clusius Karel beschrijft als een expert in de botanica, wat meer is dan alleen een collector zoals zij hem beschrijft. Hier moet ook vermeld worden dat zij bij deze tekst iets belangrijks over het hoofd ziet. Wat ze namelijk niet opmerkt is dat de voorstelling van het takje Cinnamon in het boek van Clusius de kopie is van het voorgestelde takje in de aquarellencollectie op het blad A23.024 met de vermelding Cinamomum verum cum suo ligno. Het is ook merkwaardig dat Clusius in deze passage alludeert op de aquarellencollectie maar geenszins vermelt dat hij er eventueel zou aan meegewerkt hebben.

In haar betoog gaat ze verder in op een brief van Guido Laurin uit Moerkerke ( zij schrijft uit Brugge) aan Clusius in Spanje. Ze schrijft dat Guido en Karel in het midden van de winter planten aan het determineren zijn en that wonderful book, of wich I believe you have seen a sample aan het ordenen zijn. Wat Guido Laurin in zijn brief aan Clusius schrijft is hetvolgende: Et iam dies quindecim nichil Dominus et ego agimus, quam quod ille in cognoscendis simplicibus (licet hyeme altissima) me exerceat, librum illum pulcherrimum cuius specimen te vidisse credo in certum ordinem ad Dioscoridis methodum digerentes. Karel brengt Guido Laurin de kennis der planten bij. Dit is wel iets anders dan samen planten te determineren. librum illum pulcherrimum cuius specimen te vidisse credo vertaalt Florike Egmond als that wonderful book, of wich I believe you have seen a sample; ik vertaal dit als: dit mooie boek, dat ik veronderstel dat je waarschijnlijk al gezien hebt.

Verder schrijft ze dat ik beweer dat de aquarellencollectie in de winter van 1564 al volledig zou afgewerkt zijn. Wat ik wel zeg is dat de aquarellen voor een deel op dat ogenblik reeds bestonden en dat Karel van Sint Omaars samen met Guido Laurinus deze aan het ordenen waren naar Dioscorides. Zij schrijft echter: Thus Laurin and Saint Omer must have been ordening loose sheets of paper with illustrations on them, alsof het hier niet om de aquarellen zou gaan. Zij schrijft verder: incidentally showing that the making of the Libri picturati was in some ways a collective project in which friends were involved as well. Wat hier vooraf staat geeft wel een andere kijk op de zaak.

Florike Egmond schrijft dat Clusius was probably already involved in this project before his Spanish journey, zich alleen baserend op het feit dat Guido Laurin hem schrijft dat hij denkt dat Clusius het boek al heeft gezien. Dit is toch wel een zeer pover bewijs.

Clusius’s involvement.

Uit de tekst van dezelfde brief haalt Florike Egmond dat Clusius Karel’s interesse in naturalia heeft gestimuleerd. Wat ik lees is dat Karel Clusius vriendelijk bedankt voor de zaden die hij hem gestuurd heeft, zoals zo velen na hem zullen doen.

Florike Egmond analyseert verder een andere brief, die door Karel aan Clusius werd gestuurd, toen deze laatste naar Mechelen was verhuisd. De passage handelt over de naam die aan het boek, waaraan Clusius aan het werken is, zou kunnen gegeven worden. Zij denkt dat het over een boek gaat dat Karel in de context van de aquarellencollectie had willen uitgeven.

Een eerste opmerking die ik maak is de link tussen de aquarellen en de naam Centuriae plantarum rariorum. De naam wijst naar honderden zeldzame planten. De aquarellencollectie bestaat hoofdzakelijk uit planten uit de Zuidelijke Nederlanden en het is bijna niet mogelijk om in de originele collectie een honderdtal zeldzame planten te vinden met een beschrijving. De planten zonder beschrijving erbij zijn meestal planten die toen door anderen nog niet waren beschreven, maar men kan zich moeilijk voorstellen dat van deze planten een boek zou uitgegeven worden zonder tekst erbij.

Een andere opmerking is de volgende: Uit de brief van Karel kunnen we ook afleiden dat Clusius, toen hij bij Karel verbleef, was begonnen met het schrijven van een boek over planten. Zonder zich te willen opdringen stelt Karel voor om het de naam Centuriae plantarum rariorum etc te geven, ingedeeld in honderdtallen, zodat het later mogelijk zou zijn om er meerdere honderdtallen aan toe te voegen. We vinden in een brief van Clusius aan Crato[7], geschreven uit Brugge op 27 april 1566, een vermelding van een Plantarum Centuria, die Clusius, samen met een ander geschrift aan Crato hoopt te kunnen overhandigen op de volgende jaarmarkt te Frankfurt[8]. Dit zou er kunnen op wijzen dat Clusius een project had opgezet om een boek over planten uit te geven en dat dit het project is geweest, waaraan Clusius heeft gewerkt gedurende zijn verblijf in Moerkerke. De Plantarum Centuria zou dus wel eens het klad kunnen zijn van de Spaanse Flora, de Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia (1576), waaraan Clusius heeft gewerkt, toen hij bij Karel verbleef, of zelfs de eerste geschriften van wat later zijn Rariorum plantarum historia (1601)[9] zou worden. Zoals we vroeger zagen, liet Karel de tekeningen maken, die moesten dienen als voorbeeld voor de houtblokken van het boek.

Uit deze passage van de brief concludeert Egmond: For the moment we may at least conclude that these quotations support the notion of close cooperation between Saint Omer and Clusius, and on the participation of various persons (friends) in the creation of the Libri. Clusius, who was already in contact whit Saint Omer before his departure to Spain, seems to have been closely involved in the way the collection was organized, and it looks as if he stimulated Saint Omer to set the step from collecting to publishing.

De werkelijkheid is anders. Het is Karel die Clusius aanzet om zijn boek te schrijven, die hem een naam voor het boek voorstelt, die de tekeningen, die voor het boek zullen dienen, door Jacob vanden Coorenhuuse laat maken, die Clusius alle faciliteiten geeft door hem zijn huis en zijn tuin open te stellen.

In de brief van Karel aan Clusius vinden we nog een aanwijzing van hun samenwerking[10]. Hier laat Karel schrijven, dat hij het takje Thynus, dat Clusius hem heeft laten geworden, heeft doorgegeven aan Jacobus (vanden Coorenhuuse) om het te laten schilderen. Hij zal Clusius een kopie van de andere Thynus hispanicus, die hij in zijn collectie heeft maar die Clusius nog niet bezit, opsturen. Ook de afbeelding van de Arisarum, van een andere bloeiwijze, is in handen van de schilder.

Arisarum angustifolium II[11], in Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum Historia, Antwerpen, 1576, 305. en in de Rariorum plantarum historia, 1601, II, lxxiiij

In de Spaanse Flora vinden we een Arisarum angustifolium II. De tekening ervan is de kopie van het blad A22 -38 uit de Libri. Dit wijst in een gans andere richting. Het zou er kunnen op wijzen dat Karel, toen Clusius bij hem verbleef, de tekeningen voor de Spaanse Flora heeft laten tekenen en heeft bekostigd. Zo zijn er meer dan 90 tekeningen[12] uit de Libri terug te vinden in de Spaanse Flora, waarin er 233 afbeeldingen staan. De Thyni zijn in de Libri, niet te vinden, wat erop zou kunnen wijzen dat er nog meer tekeningen voor de Spaanse Flora in opdracht van Karel werden gemaakt[13]. We moeten ook vaststellen dat enkele tekeningen uit de Libri in de Spaanse Flora niet werden opgenomen noch beschreven.

Daarna schrijft Florike Egmond een kleine zin die heel veel wil zeggen en waarop men zich even moet buigen. Although graphological evidence remains inconclusive, none of the ‘circumstantial’ evidence about chronology, geography, or personal connections, as discussed above, contradicts the personal involvement of Clusius as author of these annotations.

Er is echter geen enkel bewijs dat het Clusius zou zijn die de annotaties heeft opgesteld en op de bladen heeft geschreven. Grafologisch is er geen enkele gelijkenis tussen de teksten op de bladen en Clusius’ handschrift. De schrijfwijze van Clusius is ook zeer typisch. In het Latijn schrijft hij de ‘u’ in het begin van een woord ook als ‘u’ en de ‘v’ als ‘v’ binnen een woord (niet de hoofdletter ‘U’, die wordt wel met een ‘V’ geschreven), waar in die periode normaal de ‘u’ als ‘v’ wordt geschreven en de ‘v’ als ‘u’. Op de bladen van de Libri worden de ‘u’ als ‘v’ en de ‘v’ als ‘u’ geschreven. In zijn brieven schrijft Clusius in het Latijn ‘et’ als ‘et’; op de bladen van de Libri wordt er voor ‘et’ het teken & gebruikt. Clusius schrijft de ‘ss’ in een Latijns woord als ‘ss’; op de bladen van de Libri wordt er voor ‘ss’ de Duitse b gebruikt.

De teksten in de Libri zijn naar de vorm ook volledig verschillend van de teksten, die Clusius in dezelfde periode heeft samengesteld voor zijn Spaanse flora. Maar het grootste bewijs dat het Clusius niet is die de teksten voor de aquarellen heeft samengesteld, vind ik, is het feit dat bij de plantennamen in de landstalen er geen namen in het Spaans voorkomen, uitgenomen 2, Vazillos (A22.045) en Amores ciegos (A26.048). Hoe kan men verklaren dat Clusius de namen in het Italiaans zou opgenomen hebben maar niet in het Spaans. Hij was juist terug uit Spanje, had er overal planten bestudeerd en verzameld, had vele namen in het Spaans opgeschreven, maar zou het niet opportuun hebben gevonden deze namen in de collectie op te nemen. Dit is toch niet geloofwaardig! In de teksten zelf zijn er in de hele collectie maar 3 namen in het Spaans terug te vinden: Tabaco (die er later is aan toegevoegd), Erizo en Guindas de las Indias (A23.029-029v, A27.065, A28.059).

Wie heeft er de teksten dan wel samengesteld en geschreven? We hebben gezien dat Karel in elk geval zijn collectie aan het ordenen was volgens Dioscorides, wat erop wijst dat hij opzoekingen deed. Dat hij de teksten op de bladen zou geschreven hebben is onwaarschijnlijk. Iemand van het vast personeel zou kunnen, maar er is nog iemand die het zou kunnen gedaan hebben.

In een brief, geschreven op 14 december 1567 in opdracht van Karel aan Clusius in Mechelen, vraagt Karel aan Clusius onder andere om in Leuven een priester te zoeken, die enerzijds niet ongeletterd is en anderzijds geïnteresseerd is in de botanica. Deze zou dan in Moerkerke kunnen komen werken, om de vorige priester te vervangen[14]. Clusius had begin december Moerkerke verlaten en zou er niet meer terugkeren[15].

Dit betekent dat er bij Karel in Moerkerke een priester in loondienst verbleef, die op de hoogte was van botanica. Men kan zich moeilijk voorstellen dat deze priester daar was om de tuin te onderhouden. Hij was er dus hoogstwaarschijnlijk om aan de aquarellencollectie te werken.

Wie de eerste priester was, hebben we nog niet met zekerheid kunnen vaststellen. Het zou hier onder andere wel eens om Martinus Smetius (Maarten de Smet) kunnen gaan, die ook voor Marcus Laurinus’ muntenverzameling heeft gewerkt en die later, als calvinistisch predikant, op 8 februari 1567 werd opgehangen. In een brief van 15 november 1565 aan Clusius schrijft Smetius op het einde Vale, ac generosissimo viro, Domino de Dranoultre, communi nostro patrono, me ex animo quaeso commenda.

Grafologisch is er een grote gelijkenis tussen Smetius’ handschrift en de teksten van de namen van de planten in het Frans (Gall.), het Duits (Germ.) en het Nederlands (Belg., Flandris, Brabantis) op de aquarellen, wat niet het geval is voor de Latijnse (en Griekse) teksten.

Als we ervan uitgaan dat de Franse, Duitse en Nederlandse teksten door Smetius geschreven zijn nadat de Latijnse op de aquarellen werden geschreven, dan is het in de tijd ook onmogelijk dat Clusius de Latijnse teksten opgemaakt en geschreven zou hebben in de twee eerste maanden van zijn verblijf bij Karel. Clusius is in september 1565 bij Karel vSO aangekomen en Smetius was begin 1566 al zeker niet meer in Moerkerke (en misschien al niet meer sinds 15 november 1565, gezien zijn brief aan Clusius vanuit zijn woonplaats Sleidinghe werd geschreven).

The artists

Jacques van den Corenhuyse

Het mooiste bewijs dat Jacob vanden Coorenhuuse de kunstenaar is die de aquarellen heeft geschilderd is, buiten het feit dat hij verbonden was met de familie van Karel, zoals in de staat van goederen kan gelezen worden, de ontdekking die ik gedaan heb betreffende de gelijkenis van de paddenstoelen die op het enige schilderij, dat van hem gekend is, geschilderd zijn en paddenstoelen die op de aquarel A22.019 te vinden zijn.

Het enige schilderij dat van hem gekend is, namelijk het Laatste Oordeel uit 1578, bevindt zich in Brugge in de collectie van het Groeningemuseum, Dit schilderij werd, samen met een ander, in 1575 door het bestuur van de Proosdij aan Jacob besteld voor de raadzaal van het landhuis van de Proosdij[16]. Op dit schilderij staan, zoals op zo vele uit die periode, planten als decor op het onderste deel van het schilderij geschilderd. Eén van de elementen is een groep paddenstoelen (coprinus micaceus). Dit element is een exacte kopie van paddenstoelen die Jacob op het blad A.22-019 met Fungi in de Libri picturati zovele jaren voordien had geschilderd (zie hieronder). Een tweede groep paddenstoelen (zwavelkop) - niet een juiste kopie, maar even overtuigend - komt ook van hetzelfde blad. In 1578 schildert Jacob dus paddenstoelen, die hij een tiental jaren voordien al geaquarelleerd had en waarvan hij waarschijnlijk nog schetsen had, op het schilderij. Als dit geen bewijs is! Ook Jacob’s monogram (IC) staat op het schilderij onderaan rechts met ernaast een hagedis.

[17]

Pieter van der Borcht

Er is geen enkele aanwijzing die erop wijst dat van der Borcht aquarellen van de collectie zou geschilderd hebben.

Luis Ramon-Laca denkt dat ook Peter van der Borcht een van de kunstenaars was, die aan de Libri meewerkte. Dit is weinig waarschijnlijk voor wat de collectie van Karel betreft. Het zou echter kunnen zijn dat hij sommige latere tekeningen maakte, die hebben gediend voor sommige houtblokken voor Clusius’ boeken[18]. De bewijsvoering van Ramon-Laca klopt ook niet. Hij legt uit dat het onmogelijk lijkt dat Coornhuuse in 20 dagen van Mechelen naar Moerkerke zou teruggekeerd zijn, maar hij vergist zich bij de brieven. Zowel de brief van Clusius aan Crato van 25 november 1567 als die in opdracht van Karel aan Clusius van 14 december 1567 zijn vanuit Brugge en Moerkerke geschreven en op 14 december was Clusius al in Mechelen, wat bewijst dat het wel mogelijk was. Anderzijds ontvangt Clusius Karel’s brief al op 18 december in Mechelen, 4 dagen na verzending[19]. In zijn brief van 25 november schrijft hij ook dat hij binnen de 8 dagen naar Mechelen zal gaan. De kunstenaar, naar wie Clusius in zijn brief verwijst, zou dan ook in het Brugse moeten gezocht worden en het is dan ook hoogstwaarschijnlijk Jacob vanden Coorenhuuse. Het is ook weinig waarschijnlijk dat Karel op van der Borcht beroep zou gedaan hebben, gezien die toen in Mechelen woonde en er geen enkele aanwijzing bestaat, dat hij ook maar eens in Moerkerke zou geweest zijn. Dat van der Borcht kopieën van de aquarellen en van de tekeningen op houtblokken heeft getekend zou wel kunnen, maar dit heeft met de originele collectie niets te maken. Dat van der Borcht daar zeer goed in was vinden we in een latere brief van Clusius, waarin deze schrijft j’ay encore quelques pourtraicts d’herbes que je feroye voluntiers tirer sur planches de bois comme les autres par M. Peeter van der borcht.[20] Van der Borcht was zeer goed in het overbrengen van tekeningen op houtblokken. Zo komen we tot de logische handelingen: Jacob vanden Coornhuuse aquarelleerde of tekende, de tekeningen werden later naar Peter van der Borcht gezonden, die ze op houtblokken kopieerde en de blokken werden dan door een houtsnijder uitgesneden[21].

The watercolours in the context of Bruges humanism and collecting

Bruges humanism

The function of the collection

Clusius and the Libri picturati after Saint Omer’s death

Hier schrijft Florike Egmond dat Anne d’Oingnies de dochter was van Claude de St. Omer en Jaqueline Mallet. Haar vader was wel Claude d’Oingnies.

Technical description. Piotr Hordynski

Regular annotations

Piotr Hordynski beschrijft vier regular annotations.

Bij de eerste professional hand schrijft hij: Generally not directly under the Latin name,…, local names may be noted in lower case in Italian (Ital.), Dutch (Belg.), German (Germ.) and French (Gall.). De landsnamen in het Frans, het Duits en het Nederlands (niet alleen Belg., maar ook soms Flandris en Brabantis) zijn niet van dezelfde hand, maar wel van een andere hand, waarschijnlijk die van Smetius (zie vroeger). Andrea Ubrizsy Savoia heeft dit in het hoofdstuk over namen in het Italiaans (zie later) wel opgemerkt en schrijft: As a concluding remark referring to the Italian names we observe that the handwriting of the Italian names is different in comparison to the other languages, such as the Belgian (Dutch) names.

De second hand vindt men meestal onderaan het blad en deze teksten refereren naar Jacques Dalechamps, Historia generalis plantarum I en II (1586-87), en Lobelius, Kruydtboeck (1581), en soms ook naar Dodoens, Stirpium historiae pemptades sex (1583).

Ook de teksten in de derde hand refereren naar Dalechamps en Lobelius.

Het is hier dan ook moeilijk om te bepalen welk van deze beide teksten in de periode dat de collectie eigendom van Karel van Arenberg (vanaf 1595) was op de bladen werden aangebracht.

De teksten in de vierde hand refereren naar Caspar Bauhin, Pinax theatri botanica (1623) en werden aangebracht nadat de boeken in de huidige vorm waren gebonden, waarschijnlijk in de tweede helft van de 17de eeuw. Piotr Hordynski schrijft: Another hand only appears in volume A18. Dit klopt niet. Ook op de bladen A19.001 en A19.002 staan er teksten die naar Bauhin verwijzen. Dit wijst erop dat iemand begonnen was met het aanbrengen van de namen naar Bauhin, maar dit niet tot een goed einde heeft kunnen brengen.

Dramatis Personae. Florike Egmond and Luis Ramon Laca

Charles de Saint Omer

Geen enkele maal in het ganse boek wordt zijn naam volledig geschreven. Hij was Jonker Karel van Sint Omaars, gezegd van Moerbeke, heer van Dranouter, Merris, Oudenem, Moerkerke, etc. (in het Frans: Charles de Saint Omer dict de Morbecque, seigneur de dranoultre, merris, oudenem, Moerkerke, etc.) (zie ook www.tzwin.be / Sint Omaars)

Op het einde van het stuk wordt Clusius rol weer beschreven, wat ik hiervoor heb weerlegd.

Carolus Clusius

Er staan enkele onjuistheden in de tekst.

Waar sprake is van de vertalingen van boeken staat er Dodoens’ Cruydtboeck, wat CruydeBoeck moet zijn en het boek werd door Clusius niet in het Latijn vertaald maar in het Frans. Het plan bestond toen wel om een Latijnse vertaling uit te geven. Ludovicus Camerarius schrijft in zijn brief[22] van 08 07 1566 aan Clusius: De Herbario Dodonaei latino quiq sit? Quando habebimus illum? Expectatur enim a multis.

Er staat verder: By the mid 1560s Clusius was back in the southern Netherlands, enjoying the protection of influential patrons, such as Guy and Marcus Laurin (Lauweryn) in Bruges,… De gebroeders Laurin zijn nooit Clusius’ broodheren geweest. Marcus Laurinus had hem wel gevraagd om in Spanje Latijnse teksten te verzamelen.

Dirk Cluyt

Ik heb hierboven aangetoond dat de collectie botanische tekeningen van Cluyt en de aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars wel twee verschillende collecties waren. Volgens de inhoud van de brief van Anselmus de Boodt was het Elias Crans, en niet Pieter van der Borcht, die de tekeningen voor Cluyt maakte.

Pieter van der Borcht

Luis Ramon-Laca denkt dat ook Peter van der Borcht een van de kunstenaars was, die aan de Libri meewerkte. Dit is weinig waarschijnlijk voor wat de collectie van Karel betreft; het zou echter kunnen zijn dat hij sommige latere tekeningen maakte, die hebben gediend voor sommige houtblokken voor Clusius’ boeken (zie vroeger). Hij heeft ook tekeningen op houtblokken getekend.

Op het einde van het stuk staat: So we have at least four people involved: the draughtsman, the painter, the person who transferred the painting, and the cutter. De eerste en de tweede persoon zijn waarschijnlijk één en dezelfde. Deze handelswijze staat duidelijk op het einde van het New Kreüterbuch van Leonhart Fuchs, 1543, uitgegeven bij Michael Isingrin in Bazel. We zien de tekenaar en de kopiist aan het werk en eronder staat de houtsnijder afgebeeld.

In deze context zijn er nog markante voorbeelden.

In een rekening[23] van Plantijn staat volgend artikel:

Le 25 Octobre 1566

Aromatum etc. historia in India nascitur p. Carol Clusium debiteur a Casse fl … patz … J’ay paye a Pieter Vander Borcht paintre à Malines pour la pourtraire de 15. figures dud. livre a 6 patz la piece 4 fl. 10 patz – Et a Arnolt Nicolay tailleur de figures pour la talle d’icelles ! patz piece soit 6 fl en tout

In een brief aan Plantijn (1581) schrijft Clusius[24]: Seigneur Plantin, Apres la description du fruit de Balsamum et des cinq autres ensuyvans que je fis contrefaire dernierement à Pieter vande Burcht, laquelle est mise à la fin de Notae in Garciae Aromatorum historiam, et des autres choses obseruees au voyage de Drake: il faudra adjouster ce qui sensuit, et mettre une ligne de quadrats entre celles ja décrites et les autres à adjouster. At postquam Viennam redij, … De Latijnse tekst uit de brief werd integraal achteraan in het boek opgenomen. Clusius liet ook hier door van der Borcht houtblokken tekenen en we kunnen nog altijd zien welke deze waren.

Jacques vanden Corenhuyse

Ik heb hiervoor al aangetoond welke the main evidence for his identification as (one of) the creator(s) of the Libri picturati watercolours was.

Donors of plants or their pictures named in annotations of the Libri picturati

Men geeft hier de indruk dat alleen deze mensen met Karel betreffende planten en naturalia zouden gecommuniceerd hebben, wat onjuist is. Uit brieven en geschriften zien we dat Karel met veel mensen communiceerde over deze materie.

Marcus and Guy Laurin

Florike Egmond stelt de gebroeders Laurinus hier voor als zijnde botanical enthusiast. Ik vraag mij af waar ze dat haalt. We hebben gezien dat het Karel was die Guido de kennis van planten bijbracht (Et iam dies quindecim nichil Dominus et ego agimus, quam quod ille in cognoscendis simplicibus (licet hyeme altissima) me exerceat, ...)

Ze schrijft ook: The brothers Laurin contributed plants or their pictures to Saint Omer’s collection. In de collectie wordt er 3 maal naar de Laurin’s en hun buitenverblijf het Laurocorinthum verwezen. 1x schrijft Karel dat hij een laurier in hun buitenverblijf heeft kunnen observeren (A20.092), 1x staat er een naam Laury(n) (A21.010)[25], waarbij het niet zeker is dat het om de Laurin’s gaat (de aquarel maakt ook geen deel uit van de originele collectie), en 1x staat er ex horto Laurinorum Brugis (A24.046), maar deze tekst is van latere datum. Daaruit besluiten wat hiervoor staat, is buiten alle proportie.

Peeter van Coudenberghe

Johannes van Eede (or Heede)

Hier staat: After the latter’s death Van Eede acted on behalf of Clusius, who tried to retrieve some of the books that he lent to Saint Omer. Dit is een fout. De boeken die Clusius tracht te bekomen zijn geen boeken die hij aan Karel had geleend, maar boeken die hij van Karel had geërfd en die hij tot dan nog niet had ontvangen.[26]

Clusius had naar Jan vanden Heede in Brugge een brief gestuurd om te vragen wanneer hij de erfenis zou krijgen. Die antwoordde op 10 april 1570 dat meester Charles de Scildere hem liet weten dat de heer van Morbeke erop stond dat de schulden eerst zouden betaald worden en dan pas de schenkingen zouden gedaan worden[27]. Op 2 juli 1570 antwoordde Matthias Laurinus op een brief van Clusius, waarbij hij schreef dat hij niet wist waar bepaalde boeken van Karel’s bibliotheek naartoe waren, waaronder een ‘Opera Plinii in parva forma’, waar Clusius om vroeg. Ook het geld, waar hij nog recht op had, had Clusius toen nog niet ontvangen[28]. Jan van Halewyn uit Ieper liet Clusius op 4 juli 1570 weten dat hij de boeken, die Clusius nog uit de bibliotheek van Karel in zijn bezit had en hem had teruggestuurd, goed had ontvangen[29].

Sources cited in the annotations. Florike Egmond and Gerda van Uffelen

Beide dames schrijven hier o.a.: Both the brief references to the work of de l’Obel in the margins of some sheets (), and the abbreviated references to Caspar Bauhin () must have been added later, given the dates of publication of these works. Some of the frequent references to Clusius’s work, usually at the bottom of the page, match the page numbers in his Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatorum historia (1576) or Rariorum plantarum historia (1601).

Some of the frequent references refereren niet naar de werken van Clusius, maar wel, zoals ik al vroeger schreef, naar Jacques Dalechamps, Historia generalis plantarum I en II (1586-87), naar Lobelius, Kruydtboeck (1581), en soms ook naar Dodoens, Stirpium historiae pemptades sex (1583) en een enkele maal naar zijn Florum, et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia (1568). Ook de teksten in de derde hand refereren naar Dalechamps en Lobelius. Er zijn geen verwijzingen naar de Spaanse Flora van Clusius, zoals de dames hier schrijven, maar wel naar Dalechamps, die in zijn boeken de namen, door Clusius aan planten gegeven, gebruikt.[30]

Bij de lijst van de authors of early botanical or medical works zouden dan ook moeten toegevoegd worden:

DALECHAMPS, J., 1586  Historia generalis plantarum, Lyon, Guillaume Roville, Vol I, Pp 1107; 1587 Vol II, Pp 939.

DODOENS, R., 1568 Florum, et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia, Antwerpen, C. Plantijn, Pp 308.

Het boek van Dodoens waarnaar in de originele annotaties verwezen wordt is niet het CruydeBoeck uit 1554, maar wel de editie uit 1563.

De boeken van Clusius zijn in deze lijst niet op hun plaats.

Een boek van Avicenna had in de lijst moeten opgenomen worden.[31] Hier kan men ook vermelden dat er in de collectie twee planten met hun Arabische naam worden genoemd, namelijk A23.094 / Orobanche rapum-genistae que Arabum CASSVTHA est, en A24.031 / Salicornia europaea / KALY et ALKALY, Arabibus.

De namen van planten waarin Eginolff wordt genoemd refereren naar zijn Herbarvm, arborvm, frvticvm, frvmentorvm ac legvminem : Animalium praeterea terrestrium, uolatilium & aquatilium, aliorumq; quorum in medicinis usus est, simplicium, imagines, aduiuum depictae, vnà cum nomenclaturis eorundem usitatis ; Kreutter, Bäume, Gestende, unnd frücht, deszgleichen Gethier : zam und wild, im Lufft, Wasser und Erdtrich lebende, mitiren namen benennet.
Francoforti : Apud Chr. Egenolphum, 1546. [15], 265 Pp. / Buglossa syluestris (133) en Argemone (224).

The influence of the famous medical school of Salerno can be discerned in the reference to Mattheus Silvaticus, also known as ‘Pandectarius’, in Pesanininus (sic) Pandectarij (A19.019, now Alliaria petiolata); dit gaan beweren is nogal overdreven. In zijn CruydeBoeck uit 1563 schrijft Dodoens bij Loock sonder loock Pandectarius heet dit cruydt, Pes asininus. Het is hoogstwaarschijnlijk deze vermelding die overgenomen werd.

Verder wordt er naar Monardes verwezen in Acorum verum Monardo (A22.067v). Er staat now Iris humilis, wat verkeerd is. Het gaat hier om wortels van de Acorus calamus. De naam op het blad is waarschijnlijk ook fout. Er had waarschijnlijk Acurum verum Matthioli moeten staan en niet Monardo. Even meegeven dat Monardes’ Historia Medicinal de las cosas  que se traende nuestras Indias Occidentales (1574) al in 1574 ook in Latijnse vertaling van Clusius werd uitgegeven onder de naam De simplicibus medicamentis ex Occidentali India delatis, quorum in Medicina usus est.

The Libri picturati and the early history of the Hortus botanicus Leiden. Gerda van Uffelen

Ik vraag mij af waarom dit hoofdstuk in het boek voorkomt. Er is weinig gelijkenis tussen de Libri en de Hortus. Alleen kan men zeggen dat het bij Karel van Sint Omaars in Moerkerke is dat Clusius voor het eerst met de creatie van een grote botanische Renaissancetuin in contact kwam. De kennis die hij bij Karel in Moerkerke en nadien bij de heer van Brancion in Mechelen heeft opgedaan heeft hem later bij zijn realisaties geholpen.

The Libri picturati watercolours and early botanical illustrations. Andrea Ubrizsy Savoia and Luis Ramon-Laca.

In dit hoofdstuk wordt de opkomst van de botanische illustratie beschreven, maar het verband met de aquarellencollectie van Karel van St. Omaars in het geheel niet.

In vele botanicaboeken die in Karel’s periode en na zijn dood in de Zuidelijke Nederlanden werden uitgegeven komen afbeeldingen van planten voor die uit de aquarellencollectie werden gekopieerd. Het is dan ook zeer spijtig dat er in dit hoofdstuk, waarvan de titel zegt dat het hier gaat over de relatie tussen de Libri en botanische illustratie, in het geheel niets over deze relatie wordt geschreven. Er staat echter wel een deel in over Clusius en de botanische illustratie

In mijn onderzoek naar de aquarellencollectie van Karel van St. Omaars heb ik al de illustraties uit Lobelius’ Kruydtboeck (1581), die kopieën zijn van aquarellen uit de collectie, opgenomen. Ik zal hier proberen de lijst aan te vullen en die ook uit te breiden naar de andere boeken (zie www.tzwin.be / Libri picturati, onderaan).

In Clusius’s network staat er dat sommige van de vermelde tekeningen in de aquarellencollectie zouden kunnen opgenomen zijn maar er worden er geen vermeld.

Dat Clusius zijn netwerk dankzij de kennissenkring van Karel van St. Omaars heeft kunnen uitbreiden wordt hier niet vermeld. Een voorbeeld is juist Nicolas Rassius, de arts van de Franse koning. In een brief die Johannes Cruquius op 21 december 1566 uit Parijs aan Clusius in Brugge zond[32] lezen we duidelijk dat Karel vSO planten, waarvan hij wist dat ze in Frankrijk voorkwamen, aan Cruquius vraagt. Cruquius kan ze niet onmiddellijk vinden, maar zal er alles aan doen om het volgend jaar zaden te oogsten en op te sturen. Hij stuurt hem wel een scheut van een Aporynum, die Karel vSO hem vroeger gevraagd had, en ook zaden en de vrucht van een Arbor vitae, die hijzelf van de heer Rassius had gekregen. Merkwaardig is ook dat het niet Karel is die de vraag aan Cruquius richt, maar wel Clusius in Karel’s naam. Dit geeft ons een aanwijzing van wat Clusius bij Karel ook deed. Hij hield Karel gezelschap en gezien zijn botanische kennis, fungeerde hij ook als zijn secretaris in deze materie.

The flowering plants in the Libri picturati. Jan de Koning and Gerda van Uffelen

Met dit hoofdstuk (en het hoofdstuk ervoor over lichens e.a.) begint het botanische gedeelte van het boek. In dit hoofdstuk wordt voor de eerste maal niet geschreven over Clusius, maar over Karel van St. Omaars en zijn wonderbaarlijke collectie. Hier wordt Karel naar waarde geschat. Ik citeer:

Looking at these colourful drawings, and taking into account the enormous undertaking of not only collecting the plants and animals, both in gardens and in the field, but also to have them meticulously depicted in several seasons, one must admit that the auctor intellectualis or ‘owner of the idea’ of the images must have been a very special person indeed. A man interested in all new things that were there to discover, a man whit time on his hands, and of course with the means, to look at nature with eyes to learn. Karel van St. Omaars must have been such a man and we owe these drawings to him.

Daar ik geen botanicus ben, wil ik mij dan ook onthouden om opmerkingen te maken over het botanisch onderzoek betreffende de aquarellencollectie. Hier en daar wil ik wel nog enkele algemene opmerkingen maken.

Bij het onderzoek naar de namen werd de Heukel’s Flora van Nederland (2005) gebruikt. Misschien was het beter geweest om de Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, Instituut voor natuur- en bosonderzoek, Nationale Plantentuin van België & Flo.Wer. (2006) te gebruiken, gezien de plaats van creatie van de collectie Moerkerke in Vlaanderen was.

Op het einde van dit hoofdstuk staat er: Already at the time of the making of the Libri picturati not all the plants included were well-known, met een voorbeeld. Op enkele van de bladen staat er ook: bvb. A nemine hactenus descripta, of a nemine hactemus exibita, nullus tamen hactenus eam descripsit, enz. Er moet ook opgemerkt worden dat een groot deel van de planten, waarbij geen tekst staat, er zijn die toen door anderen nog niet beschreven waren en dat vele planten dan ook voor de eerste maal in deze collectie werden voorgesteld.

 

In de hoofdstukken die volgen wordt de botanische waarde van de collectie op verschillende manieren aangetoond. Wel zijn er twee belangrijke items vergeten, namelijk de orchideeën en de grassen. Zowel orchideeën als grassen worden in de aquarellencollectie voor de eerste maal zo uitvoerig voorgesteld en beschreven.

Phytogeography, .... Bogdan Zemanek.

In de lijst met geografische namen zijn er enkele gegevens over het hoofd gezien, namelijk het blad A22.034 met de tekst Cette herbe a este veue et obseruee au commenchement de Juin 1564. Venant de Ysbrouck vers Ausborch, sur le direct chemin pres Rhoonen, dix lieues dela Ausborch et la noment ence lieu pfaffenschoen. De steden zijn Innsbruck in Oostenrijk en Ausburg in Beieren. (Rhoonen heb ik niet kunnen bepalen). Ook A23.020v met o.a. de tekst Nux ex Pennon de Velez allata 1564. Pennon de Velez was een haven op de Afrikaanse kust bij Ceuta en behoorde tot Spanje.

Middelburg was toen de stad Middelburg in Vlaanderen, gelegen tussen Moerkerke en Maldegem, nu een deelgemeente van Maldegem, Oost-Vlaanderen, en niet Middelburg in Zeeland, zoals Florike Egmond dacht. Wulpen was toen nog een klein eiland ten Westen van het eiland Cadsant gelegen, maar was vroeger een veel groter eiland voor Cadsant in de monding van het Zwin. Wat nu nog van Wulpen overblijft, is een kleine kuststrook tussen Nieuwvliet en Breskens.

In Indirect phytogeographical information schrijft Bogdan Zemanek: Quite striking is the absence of alpine plants in the collection. Toch is er tenminste één te vinden, namelijk de Valeriana celtica L. (Nardus celtica, A19.025). Ook bergplanten komen in de collectie voor.

In deze context kunnen we hier ook nog het volgende melden:

Merkwaardig en hoogst interessant is dat voor de verspreiding van de Erica en Calluna in de Latijnse teksten "in campestribus" wordt gebruikt. Waarschijnlijk verwijst men hier naar de “veld / velt" zones uit Vlaanderen. Veld had al in de 16de eeuw in Brabant een andere betekenis dan in Vlaanderen. In Brabant (vgl. Kiliaen, 1599) betekende het eerder veld zoals we het nu vooral nog kennen in de betekenis van bebouwd land, akker. In het graafschap Vlaanderen betekent veld / velt in de 16de eeuw in de eerste plaats wastine. We zien dit nog duidelijk op de kaarten van de Ferraris, met namen zoals Maleveld, Bulskampveld, Maldegemveld, Scheldeveld. "In campestribus" lijkt dus te verwijzen naar de gemeen gebruikte veldzones van het graafschap Vlaanderen, waar heide en gagel toen nog weelderig voorkwamen, terwijl ze dit nu nog mondjesmaat doen! Die zones lagen als het ware aan de voordeur van Karel vSO.[33]

Onder Synanthropic plants schrijft Zemanek: This also shows that the main aim of the preparation of illustrations was cognitive and/or didactic (to acknowledge students with all plants one could lay his or her hands on). Ik denk niet dat het ooit de bedoeling van Karel is geweest om een didactische collectie samen te stellen. De hypothese van Helena Wille dat Karel bij zijn dood de collectie aan de Universiteit van Leuven zou geschonken hebben, zoals Marchantius en Sanderus schrijven, werd tot op heden door niets bevestigd.[34]

Bij de Exotic plants zouden de planten met een exotische naam (van toen) kunnen gevoegd worden, zoals de planten die naar Indië verwijzen, zoals (Nux indica, A23.020), (Avellana indica, A23.020v), Valeriana wallichii DC. ( Nardus indica, A19.025), een traditionele medicinale plant uit India, en (Cyperus indicus, A29.025).

In deze context heb ik een Historisch ecologisch onderzoek gedaan / Vergelijking tussen de gegevens in de aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars (1560-1568) en die in de nieuwe Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels gewest, 2006, INBO, Nationale Plantentuin van België & Flo.Wer. / zie www.tzwin.be/ Ecologisch.

The beginnings of ecological thought. Andrea Ubrizsy Savoia, Alicja Zemanek, and Bogdan Zemane

Seacoast – halophytes

Indien er zoveel bladen met afbeeldingen van halophyten in de collectie te vinden zijn is het omdat Moerkerke zeer dicht bij het Zwin lag. In de streek waren er nog overal slikken en schorren. Karel moest geen grote moeite doen om deze planten te vinden. Al deze zoutminnende planten zijn nu nog in het Zwinreservaat aan de kust op de Belgisch-Nederlandse grens te vinden. Ik moet toch opmerken dat de plant, die nu symbool staat voor het Zwin, de zwinnebloem of lamsoor (Limonium vulgare), in de collectie niet voorkomt.

In het artikel The beginnings of ecological thought in the Renaissance: an account based on the Libri picturati A.18-30 collection of water-colours, Archives of natural history 34 (1): 87-108.2007. schreven zij nog dat bepaalde van deze planten waarschijnlijk uit het Middellandse Zeegebied kwamen.

Enkele zoutminnende planten werden in hun lijst niet opgenomen: Plantago maritima (A18.082v) / Lobularia maritima (A27.097) /

Ook enkele planten die bij Karel worden beschreven als voorkomende langs de kust staan er hier niet bij: Onobrychis viciifolia (A23.084) en Eriophorum angustifolium (A24.008). Bij de Onobrychis schreef ook Dodoens in zijn Cruyde-Boeck (1554) dat de plant aan zee, in de duinen, voorkwam.

Plants depicted in the Flora Iberica and present in the Libri picturati. Luis Ramon-Laca

Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia

Luis Ramon-Laca schrijft: About 129 illustrations in the Libri picturati A18-30 were used as templates in Clusius’s publication, waarvan 69 in de Spaanse Flora. Daarna geeft hij elementen aan om te tonen dat de tekeningen door Pieter van der Borcht werden gebruikt voor het overbrengen van deze tekeningen op de houtblokken.

Ik denk dat men de tekeningen uit de collectie van Karel niet mag verwarren met de tekeningen die Pieter van der Borcht in handen kreeg. De tekeningen uit de Libri werden hoogstwaarschijnlijk in 2 exemplaren vervaardigd, 1 voor Karel’s collectie en 1 voor Clusius om ze op houtblokken te laten overtekenen, waarschijnlijk door Pieter van der Borcht.

Deze bedenking haal ik uit het volgende (zie ook vroeger).

Thyni ramusculum quem nuper misisti curavit a Jacobo depingi, hunc cum non perperam alteri illi Thyno hispanico, quam Dominus pridem habet et cuius non penes te est, adiungi posse existimet, si ita videbitur et huius posterioris iconem quam primum ad te mittet. Itidem te iconem Ari­sari alterius florentis necdum a quoque exhibiti, qui dum hic postremo esses, in manibus pictoris erat.

In de brief van Karel aan Clusius vinden we deze aanwijzing van hun samenwerking. Hier laat Karel schrijven, dat hij het takje Thynus, dat Clusius hem heeft laten geworden, heeft doorgegeven aan Jacobus om het te laten schilderen. Hij zal Clusius een kopie van de andere Thynus hispanicus, die hij in zijn collectie heeft maar die Clusius nog niet bezit, opsturen. Ook de afbeelding van de Arisarum, van een andere bloeiwijze, is in handen van de schilder.

In de Spaanse Flora vinden we een Arisarum angustifolium II. De tekening ervan is de kopie van het blad A22 -38 uit de ‘Libri’. Dit wijst in een gans andere richting. Het zou er kunnen op wijzen dat Karel, toen Clusius bij hem verbleef, de tekeningen voor de Spaanse Flora heeft laten tekenen en heeft bekostigd. Zo zijn er 69 tekeningen en aquarellen[35] uit de Libri terug te vinden in de Spaanse Flora, waarin er 233 afbeeldingen staan. De Thyni zijn in de Libri, niet te vinden, wat erop zou kunnen wijzen dat er nog meer tekeningen voor de Spaanse Flora in opdracht van Karel werden gemaakt[36]. Anderzijds zien we ook dat bepaalde planten, waarvan tekeningen in de Libri voorkomen, niet worden beschreven in de Spaanse Flora.

Dat Karel in zijn brief alleen de voornaam Jacobus laat schrijven, wijst erop dat Clusius deze Jacobus, die voor Karel werkt, zeker goed kent en het is dan ook zonder twijfel Jacob vanden Coorenhuuse.

Later fate

Na wat ik hiervoor heb aangetoond is het dus heel goed mogelijk dat Clusius een aantal tekeningen in zijn bezit heeft gehad (kopieën van die uit Karel’s collectie).

Dat er een gelijkenis is tussen de aquarellen uit Karel’s collectie en some twenty xylographies in het Kruydtboeck (1581) van Lobelius is zeker. Ook hier werden sommige aquarellen uitgeleend of in het dubbel gemaakt om ze te kunnen gebruiken als voorbeeld om ze over te brengen op houtblokken. Het gaat hier wel niet om een twintigtal maar zeker om meer dan 200 xylografieën, waarvan het grootste deel voor het eerst of alleen maar bij Lobelius voorkomen.

Appendix: list and description (by Clusius) of the plants included in the Spanish flora and the Libri picturati A18-30

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de tekeningen en de aquarellen. De meeste hier voorgestelde afbeeldingen zijn kopieën van tekeningen uit de Libri, maar sommige zijn kopieën van aquarellen. Sommige hier voorgestelde afbeeldingen komen in de Libri onder deze vorm niet voor. Sommige getekende planten uit de Libri komen in de Spaanse Flora ook niet voor.

A18.055v komen in de Libri onder deze vorm niet voor.

A18.083 is een aquarel.

A18.089 is een aquarel. Clusius zegt dat de zaden die hij naar België bracht er werden gezaaid, dat er planten groeiden en bloeiden, maar geen zaad voortbrachten. Deze planten werden waarschijnlijk in de tuin van Karel van Sint Omaars gezaaid en het is van die planten dat er een aquarel werd geschilderd.

A18.099 komt in de Libri onder deze vorm niet voor. Clusius zegt dat de planten, die in België werden gezaaid, nooit vruchten droegen. Op de aquarel staan er geen vruchten afgebeeld, op de tekening in de Flora wel.

A20.012/a komt in de Flora niet voor.

A20.017/b komt in de Flora niet voor.

A20.018v/b komt in de Flora niet voor.

A20.050/b komt in de Flora niet voor.

A20.050v/a komt in de Flora niet voor.

A20.093 is een aquarel.

A21.011 is een aquarel, maar behoort niet tot de originele collectie van Karel; A21.011v idem.

A21.095 – Coix lacryma-jobi komt in de Spaanse flora voor op p. 501 als Lacryma Iob.

A22.014 en A22.014v zijn aquarellen. De afbeeldingen in de Flora zijn er geen kopieën van.

A22.038 is een aquarel. Ramon-Laca schrijft: He … took it to the Low Countries and cultivated in the garden. In de Flora staat er: sed ad nos delatum in hortis alitur  (zie ook hierboven).

A22.046 is een aquarel.

A22.053 is een aquarel, maar behoort niet tot de originele collectie van Karel. De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.

A23.014v zijn tekeningen, maar komen in de Flora niet voor.

A23.016 is een aquarel.

A23.028 is een aquarel.

A23.032v-033 is een aquarel.

A23.034 is een aquarel.

A24.003 is een aquarel. De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.

A24.004 is een aquarel. De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.

A24.014 is een aquarel. De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.

A24.018 is een aquarel.

A24.023v is een aquarel.

A26.011 is een aquarel.

A26.030v is een aquarel.

A26.033v is een aquarel.

A27.006v/a komt in de Flora niet voor.

A27.012v komt in de Flora niet voor.

A27.046 is een aquarel.

A27.049 is een aquarel. De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.

A27.052 is een aquarel.

A27.084 zijn tekeningen, maar komen in de Flora niet voor.

A27.085 is een aquarel. De afbeelding in de Flora is er geen kopie van.

A30.084 is een aquarel.

Nog een kleine opmerking. De tekst van de brief van Guido Laurinus seminum fasciculum una cum literis ad clarissimum virum D. a Dranoutere ipsemet Moerckerckam detuli vertaalt Lamon-Laca als I sent to Moerkerke, waar er eigenlijk staat: ik heb aan de heer zelf gebracht …

In de context van dit hoofdstuk is het toch belangrijk om nog even te blijven stilstaan bij het feit dat er zoveel xylografieën, die kopieën zijn van planten uit de Libri, in het Kruydtboeck van Lobelius uit 1581 voorkomen. Wanneer we het vorige boek van Lobelius, de Plantarum seu Stirpium Historia uit 1576, analyseren, dan komen we tot de bevinding dat er in dat boek maar een zestigtal xylografieën voorkomen die meestal kopieën zijn van de tekeningen uit de collectie van Karel vSO, de zelfde als die in de Spaanse flora van Clusius. Beide boeken werden door Plantijn in 1576 uitgegeven; het privilege voor beide boeken werd ook op hetzelfde ogenblik verleend, namelijk in juli 1575. Het feit dat kopieën van aquarellen van Karel’s collectie in de Plantarum seu Stirpium Historia niet voorkomen maar wel in het Kruydtboeck zou er kunnen op wijzen dat Lobelius de aquarellencollectie zelf maar heeft leren kennen tussen 1576 en 1781, na de dood van Karel. Ook het feit dat de naam van Karel vSO in de inleiding van de Plantarum seu Stirpium Historia bij de plantenliefhebbers der Lage Landen niet wordt vernoemd, maar in het Kruydtboeck wel en dat Karel daar als een van de voornaamste wordt genoemd, wijst in dezelfde richting.

Men zou kunnen opwerpen dat dit niet per se het geval moet zijn, maar het feit dat de meeste xylografieën in de Plantarum seu Stirpium Historia nieuwe waren, dat een aantal van deze kopieën zijn van de tekeningen die ook voor de Spaanse flora van Clusius werden gebruikt en dat er in de Plantarum seu Stirpium Historia geen enkele vermelding naar Karel en zijn aquarellencollectie staat, wat in het Kruydtboeck wel het geval is, wijst toch duidelijk in deze richting.

De vraag is dus waar en wanneer is Lobelius tussen 1575 en 1581 met de collectie in contact gekomen? Wie heeft hem de mogelijkheid geboden om de collectie te analyseren en de aquarellen te kopiëren? In elk geval Clusius niet, want die was in die periode aan het hof van Maximiliaan II in Oostenrijk.

Andrea Ubrizsy Savoia beëindigt het hoofdstuk Common names in Italian met de bedenking dat het waarschijnlijk is dat de teksten in het Italiaans na de teksten in de andere landstalen op de bladen werden geschreven. Ik denk dat dit weinig waarschijnlijk is gezien de Italiaanse namen van dezelfde hand zijn als de Latijnse teksten.

Common names in French, German, and Dutch. Gerda van Uffelen

De benaming op de aquarellen die voor het Zuid-Nederlands uit die tijd in de Libri wordt gebruikt is Belg., wanneer de naam van de plant in het ganse taalgebied dezelfde is. Wanneer de naam echter in Vlaanderen (van toen) of in Brabant verschillend is van de algemene naam, dan vinden we Flandris of Brabantis in de tekst.

Dodoens’s Cruydeboeck

Gerda van Uffelen schrijft: It is probable that Dodoens’s Cruydeboeck, published in 1554, has been one of the books, or even the main book, consulted during the creation of the core collection of the Libri watercolours.

Uit onderzoek volgt dat het niet het Cruydeboeck uit 1554 noch de Franse vertaling van Clusius uit 1557 is, maar wel de uitgave van het Cruydeboeck uit 1563, dat als referentiewerk werd gebruikt. Een aantal planten, waarvan de teksten in de Libri naar Dodoens verwijzen, komen in de eerste editie en ook in de Franse vertaling niet voor, maar wel in de editie van 1563.

Gerda van Uffelen schrijft the annotation ‘Tornacensib.’ which refers to the town of Tournai in northern France. Tournai lag in de 16de eeuw in de Zuidelijke Nederlanden en vandaag in België.

Names still in current use.

Gerda van Uffelen schrijft: Not all common names given in the Libri can be found in Dodoens’s Cruydeboeck. Dit is logisch gezien de aquarellencollectie tot stand gekomen is in het graafschap Vlaanderen van die tijd en het Cruydeboeck van Dodoens in het hertogdom Brabant.

Dit wil niet zeggen dat beide botanici elkaar niet kenden of met elkaar niet communiceerden. Een mooi voorbeeld van hun samenwerking is de volgende:

Lobelius vermeldt Karel van Sint Omaars bij de beschrijving van zijn Witte affodille incarnaet in zijn Kruydtboeck (1581). Hij schrijft dat Karel een aquarel van de plant door Jacob vanden Coorenhuuse heeft laten schilderen. Het gaat hier hoogstwaarschijnlijk om A22.022, waarbij de enige tekst ASPHODELVS / ex candido púrpúrascens is.

In de Epilogus ad lectorem van zijn Florum et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia (1568) schrijft Dodoens :

Hvivs autem historiae editionem dum para­mus, duarum ecce rarissimarum stirpium, & ad hanc operis partem pertinentium, ad nos icones dantur, Chrysanthemi videlicet Peruniani, & Afphodeli palustris. Chrysanthemi Peruniani nobis communicauit integerrima ac honestissima domina Chriftina Bertolfia, a charissimo coniu­ge suo clarissimo ac amplissimo viro D. Ioachi­mo Hoppero[37] Regis consiliario ex Hispania sibi missam. Asphodeli autem palustris, misit multis modis ornatissimus ac nobilissimus D. Carolus S. Audomaro, dominus de Dranoutre, vir non modo stirpium, verum & historiae animalium omnium studiosissimus, idemque peritissimus. Vtramque autem huic libro, coronidis vice ad­dendam putauimus. Nequaquam enim tam ce­lebris & admirandae magnitudinis floris imago; aut tam peregrini Asphodeli, praetermittenda vi­debatur.

In de beschrijving van de Asphodelus palustris in het boek p. 298 vermeldt Dodoens ook dat de plant te vinden is op natte plaatsen en in moerassen in de heiden niet ver van Brugge in Vlaanderen.

In zijn Stirpium historiae pemptades sex sive libri XXX noemt hij de plant Asphodelus luteus palustris. Hij beschrijft de plant op dezelfde manier en zegt dat de plant in sommige heidegebieden in Vlaanderen te vinden is en ze in de zomer bloeit. Hij voegt er nog aan toe : Asphodeli lutei esse palustrem speciem, aut Pseudoasphodelum luteum, caulis cum floribus ostendit, tametsi folia Gladioli sint aut Iridis.

Bij Lobelius staat dezelfde afbeelding in zijn Kruydtboeck (1581) en hij beschrijft de plant als volgt:

Water Affodille met gele bloemen. In Latijn / Asphodelus, minimus luteus, Acorifolius palustris. Dit cruydt is voorts commende op vochte ende waterachtighe plaetsen in Enghellandt ende Vlaenderen ende wt een wtghespreydde safelachtighe ende grasachtighe wortelde welcke heeft niet zeere dickachtighe aenhancksels / tusschen spatien. De bladers spruyten smalder dan die vanden Gladiolus oft Acorus, doncker groen ende gestreept. De stele is van onderhalue palme / van gewas / grootte fatsoen ende saedt in fleskens / die vanden Iacynthe ghelyck.

Karel van Sint Omaars had de vondst belangrijk genoeg gevonden om er een aquarel van te laten schilderen en om bevriende botanici op de hoogte te stellen van zijn vondst. Dodoens vond de vondst ook zo belangrijk dat hij er een artikel met afbeelding in de epiloog van zijn boek aan wijdde. Dezelfde afbeelding werd in 1601 ook door Clusius gebruikt.

Wat wel opvalt, is dat de plant bij Karel niet bij de Asphodeli terug te vinden is, maar wel bij de Sparganii. De tekst bij A26.025, waarop twee planten geaquarelleerd staan, luidt: Forte SPARGANIVM DIOSCORIDIS / multúm ad eius descriptionem accedent. Dit betekent dat zowel Dodoens, Lobelius als Clusius de plant anders hebben geinterpretteerd. Dit toont ook aan dat de tekst op de aquarel niet van Clusius kwam, gezien hij veertig jaar later de plant nog altijd een pseudoasphodelus noemt en niet een sparganium, zoals op de aquarel.

In feite gaat het om een Narthecium ossifragum (L.) Huds. die evenals de Asphodelus deel uitmaakt van de Leliefamilie. Beenbreek is nu in Vlaanderen een zeldzame soort, die licht achteruitgaat. De soort is haast volledig beperkt tot de Kempen (Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, 2006).[38]

Interessant is ook te weten hoe Karel van St. Omaars deze plant had gevonden. In zijn Rariorum plantarum historia (1601) schrijft Clusius: ASPHODELVM porro illum flavo flore palustrem, cujus Dodonaeus & Lobelius in suis scriptis meminerunt, vel potius Pseudo-asphodelum (…) Xyphij folijs aut tenuifoliae Iridis, aliquando eruebam in palustribus illis ericetis Maldeghemo vicinis secundo à Brugarum urbo Flandriae celeberrimi, miliari, Maio mense cum Ill. Viro Carolo à Divo Audomaro, Dn. de Dranoutre, Moerkercke, &c. curru vectus relaxandi animi gratià, altero a meo ex Hispanijs reditu anno. (De Asphodelus palustris met goudgele bloem, die Dodoens en Lobelius elk in hun boek vermelden, maar het zou wel de Pseudo-asphodelus met bladeren zoals de Xyphis of kleinbladig zoals de Iris kunnen zijn, heb ik op een dag in de moerassen van de heide aan de tweede mijlpaal langs de weg tussen Maldegem en het zeer bevolkte Brugge in Vlaanderen in de maand mei gevonden, toen ik samen met de illustere man Karel van Sint Omaars, heer van Dranouter, Moerkerke, &c., om uit te rusten met de koets werd rondgereden, het jaar nadat ik uit Spanje was teruggekeerd.)

Op blz. 314 schrijft hij ook in verband met een Gentiana: …, humentibus ericetis secundo ab urbe Brugensi miliari, inter Maldeghemum & Malam, frequentissima, ubi eam (niveo etiam flore variantem aliquando conspexi) cum Pseudoasphodelo luteo, folio Xiphij, Roréque Solis duorum generum eruere memini. (...ik herinner mij dat ik in de vochtige heide aan de tweede mijlpaal vanaf de druk bevolkte stad Brugge, tussen Maldegem en Male, die (Gentiaan) samen met een Pseudoasphodelus en zonnedauw van beide soorten heb gevonden, (ook de variant met sneeuwwitte bloemen had ik eerder waargenomen)

Hier lezen we duidelijk dat Karel van Sint Omaars en Clusius (in 1566) samen in de streek van Moerkerke rondreden en ook planten zochten. Wat nu opvalt bij de aquarellen is dat de door Clusius beschreven vondst nergens wordt vermeldt. Waar op verschillende bladeren duidelijk de vindplaats in de omgeving van Moerkerke wordt aangegeven, zoals op A19.026, vinden we degene die Clusius in zijn boek beschrijft op geen enkel blad. Indien hij de professionele hand zou geweest zijn, zou hij dit belangrijk gegeven toch zeker vermeld hebben, gezien hij het nog doet in 1601, meer dan dertig jaar later.

Medicinal plants, drugs, and kitchen herbs. Jan de Koning

Medicinal plants

Jan de Koning schrijft in het begin van dit deel: Altough many of the depicted plants have, or were supposed to have medicinal properties, these are seldom referred to in the annotations.

Dit is een belangrijke vaststelling! Het loont dan ook de moeite om hier even bij stil te staan. Alle boeken, die in de periode van de samenstelling van de aquarellencollectie hier werden geschreven, bevatten uitgebreide medicinale gegevens, zowel in die van voor als van na het ontstaan van de collectie van Karel vSO. Al deze boeken zijn geschreven in de geest van planten in dienst van de geneeskunde.

De aquarellencollectie van Karel van St. Omaars is een zuiver botanische collectie, wat nieuw is voor zijn tijd!

Fodder plants. Gerda van Uffelen.

Cattle

In dit hoofdstuk vermeld Gerda van Uffelen kort dat er een dertigtal grassen in de collectie worden voorgesteld (het zijn er meer dan 50). Waar ze niet op wijst is het feit dat het hier om de grootste verzameling gaat uit die periode. Lobelius zal in zijn Kruydtboeck van 1581 een aantal grassen uit Karel’s collectie overnemen. Hij schrijft: Het meeste-deel van dese voorseyde Graskens is wel gheobserueert vanden vromen Heere goeder ghedachtenissen Mijn-heer de Reynoutre / ende gheschildert door Meester Jacques van Koren-huyse zeer gheschickt in dese conste.(1581: I/26). Dodoens en Clusius beschrijven veel minder grassen.[39]

Karel zal aan een aantal grassen die door anderen nog niet beschreven waren een naam geven. Zo lezen we bij voorbeeld op A23.055 GRAMEN PHALARICUM / à Phalaris similitudine sic nobis appelatum.

Fungi. Thomasz Malewski

Hier worden de bladeren beschreven waarop Fungi voorkomen. Er wordt echter geen woord gerept over Clusius, die als de grondlegger van de mycologie wordt beschouwd.

Op het einde van zijn Rariorum plantarum historia (1601) schrijft Clusius een hoofdstuk over de paddenstoelen, met als titel Fungorum in Pannoniis observatorum brevis historia. Daarin beschrijft hij de paddenstoelen, die hij gedurende zijn tochten in Hongarije heeft ontdekt, in twee delen: de eetbare en de giftige. Merkwaardig is dat op het einde van het hoofdstuk nog een tweede deel wordt opgenomen, namelijk:

Beelden van een aantal andere paddenstoelen.

Als inleiding daartoe schrijft hij (in het Latijn):

Nadat de typograaf al een aantal beelden van paddenstoelen had gesneden, die door CV Matthias Lobelius voor het drukken van zijn Kruidenboek van de Nederlanden, in de volkstaal geschreven, werden gebruikt, zou ik deze hier graag voorstellen en zijn beschrijvingen ervan gebruiken. Wij bekennen gewis dat wij er twee van diegenen in onze commentaar ingelast hebben, die konden gebruikt worden voor de bepaling van deze, die wij in onze Historia Fungorum beschrijven, namelijk eerst de eetbare soorten en nadien de gevaarlijke. Wij hebben van deze zeker evenveel afbeeldingen met levendige kleuren geschilderd, en van beide soorten hebben wij de aard beschreven. Wij hebben er maar weinige in houtblokken willen laten uitsnijden, om de typograaf niet te belasten met te grote uitgaven.[40]

Lobelius had in zijn Kruydtboeck in 1581 ook een deel geschreven over paddenstoelen. Clusius neemt dit in 1601 gewoon over[41].

De houtblokken uit Lobelius’ boek werden gekopieerd van de bladen van de aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars, namelijk van de bladen A.22/19, A.22/19v en A.27/99. In zijn tekst schrijft Lobelius ook bij de Campernoelien de honich-raten ghelijckende[42]: De voorleden iaeren sijn dese Campernoellen van mijn Heer van Anin gheschonken: die de selue wt Hongarijen vercreghen hadde waermen veel af houdt door gulsicheydt vande menschen / bereydende, cokende ende stouende als de andere. Mijn Heer van Reynoutre saligher ghedachtenisse heeft de selue hier voortijts naer t’leuen doen conterfeyten wt versche planten die hier te lande beuonden waeren, maer op wat plaetse / is my ende den schildere diese ghemaect heeft noch onbekent. Clusius beschrijft deze paddenstoel als eerste in zijn deel over de paddenstoelen uit Hongarije en gebruikt dezelfde afbeelding als bij Lobelius. Ook de laatste uit zijn reeks komt uit Lobelius en de aquarellencollectie.

(1581: II/308)

Clusius, Rariorum plantarum historia, 1601.

We kunnen ons hier dan ook afvragen hoe het komt dat Clusius, die zegt ingekleurde afbeeldingen van al deze paddenstoelen te bezitten[43], zich niet herinnert dat er door Jacob vanden Coorenhuuse ook afbeeldingen voor Karel van Sint Omaars werden gemaakt, dat ze zich in de collectie bevonden en dat het hier juist om deze paddenstoelen gaat. Nergens in zijn oeuvre schrijft hij ooit dat deze merkwaardige collectie heeft bestaan en dat hij eraan heeft meegewerkt. Het is alleen Karel van Arenberg, die hem daaraan herinnert! We kunnen ons dan ook afvragen welke zijn deelname aan Karel’s collectie echt is geweest.

Ik ben ook niet de enige die Clusius’ deelname aan de aquarellencollectie in vraag stelt. Gillian Lewis[44], die de vissen in de aquarellencollectie (A16) heeft bestudeerd, schrijft in haar artikel Clusius in Montpellier, 1551-1554: A humanist education completed? in het boek Carolus Clusius. Towards a cultural history of a Renaissance naturalist (uitgegeven door Florike Egmond, Paul Hoftijzer en Robert Visser, KNAW, Amsterdam, 2007) het volgende:

However, even were it to be the case that the highly professional botanical and d zoological watercolours painted on the Fabriano paper, could be dated a little earlier than 1554, there would still be no evidence that they had come into the hands of Clusius, and in Montpellier, between 1552 and 1554. Fur­thermore, careful scrutiny of the zoological pictures shows up so many small differences in the precise representation of the cetaceans, cartilaginous and bony fishes, shell fish and amphibians that it becomes impossible to sustain the view that the illustrations in Rondelet's book were based on these particu­lar paintings. The drawings in Rondelet's possession can be deduced from the plates to have been a rough and ready lot of uneven quality, the best of them vigorous representations which have a point to make, the weakest of them little more than formless scribbles. In contrast, most of the fish pictures in the Libri picturati are clearly the work of a one, or possibly two accomplished professional hands. They are beautiful to look at. In the way they combine form, colour, presentation on the page they look more like an album of natural history paintings to be kept alongside a collection than like preparatory drawings for an illustrated printed book. They surely belong to the same convention as the pictures Ligozzi did for the Grand Duke of Tuscany, or the ones Joris Hoefnagel did at the Imperial court. Charles de Saint Omer was a lucky man. If Clusius had anything to do with these pictures at all, it is likely to have been no more than advising, perhaps with the text of Rondelet in hand, on the identification of the specimens the painter had at his disposal.

The complete annotations & plates of the Libri Picturati A18-30

Introduction to the annotations on Libri Picturati A18-30 Gerda van Uffelen

In deze introductie worden de verschillende handschriften en teksten geanalyseerd. Er worden er wel twee vergeten. Enerzijds zijn er de teksten onmiddellijk onder de plant (wortel of tak) die verwijzen naar Dalechamps (1586) en Lobelius (1571). Anderzijds zijn er de teksten onderaan de bladen. Meestal vindt men onderaan links een tekst verwijzend naar Dalechamps (1586) en onderaan rechts, maar niet zo frequent, in hetzelfde handschrift een tekst verwijzend naar Lobelius (1571). Een van deze beide groepen teksten werd aangebracht in de periode dat de collectie in handen van Karel van Arenberg was.

De teksten werden per blad niet geanalyseerd, wat spijtig is gezien dit juist zo belangrijk is, zowel op historisch als botanisch gebied. Dit is geen klein werk en daarom was het zo belangrijk om goede afbeeldingen van de bladen te hebben. Zoals de bladen nu worden voorgesteld is het onmogelijk om op deze verder onderzoek te doen.

Hier enkele voorbeelden van analyse (naar grote voorgestelde bladen).

A20.084 (p.182)

De tekst Flandr. is van dezelfde hand als de Latijnse teksten (professional hand). De tekst Lombaertsche haesenooten oft Baerdenooten is van een andere hand. De tekst Auellana Hispanica is van dezelfde hand als die onder de tak van de Corylus maxima. Deze tekst had hier volgens het gebruikte systeem dan ook niet moeten opgenomen worden. Bij de annotatie wordt de wetenschappelijke naam Corylus maxima gegeven, maar niet de naam van de vruchten. Dit zijn noten van de Corylus avellana.

A23.046v (p.222)

Boven de naam MILIVM NIGRVM staat er onder B nog een tekst. Deze is in de annotaties niet opgenomen. Onder de wortel staat de tekst Milium nostras 409 / Hirs L.50 (hand three – Dalechamps en Lobelius). Onderaan links staat er milium vt videtur nostras folio 409 Libro.4°. ( hand two – Dalechamps). Beide teksten zijn in de annotatie niet opgenomen.

A30.049 (p.150)

De teksten Ital. Frabinella, Ginocchito & sigillo di Sta Maria / Gall. / Germ. / Belg. zijn door de professional hand geschreven, de teksten Signet de Salomon, Genoillet ou Grenolliere / Weysz wurtz / Salomons zeghel door een andere hand. Onderaan links staat er lib. 15 fol. 1623 vtrumque habes (Dalechamps).

A30.024 (p.329) en A30.028 (p.330) zijn speciale bladen.

Eerst moet men opmerken dat A30.028 geen # blad maar wel een * is.

Wanneer we de teksten op deze bladen analyseren dan zien we dat er op A30.028 een deel van de teksten door de professional hand geschreven werden en een ander deel door een andere hand. Op A30.024 staan er alleen teksten van deze andere hand. Deze aanvullende teksten dateren van na de uitgave van DODOENS, R., 1568 Florum, et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia, gezien ze naar dit boek verwijzen. Dit zou ook betekenen dat de professional hand van voor deze periode is. Ook A30.048 past in deze reeks. De Latijnse tekst bij de planten aan de linker zijde is van de professional hand en die aan de rechter zijde van de andere hand.

Bij de annotaties zijn er ook enkele verkeerde wetenschappelijke namen, bijvoorbeeld: A18.042v / Erodium cicutarium = Erodium cicutarium ss. dunense – A19.025 / cf. Limonium spec. = Valeriana celtica – A27.020 / Populus alba = Populus canescens – A27.028 / Acer pseudoplatanus = Acer opalus.

Op het einde van dit artikel wil ik nog eens terugkomen op de naam van het boek: Drawn after Nature, The complete botanical watercolours of the 16th century Libri Picturati.

Nadat Claudia Swan de collectie in 1998 voorstelde als The Clutius botanical watercolors. Plants and flowers of the Renaissance, hebben de uitgevers van het nieuwe boek hier het boek ook niet naar de creator van de aquarellencollectie willen noemen. Nadat het boek eerst werd voorgesteld als The complete botanical watercolours of Clusius. An enquiry into the 16th century Libri Picturati collection besloten ze na protest het boek de naam te geven die we nu kennen Drawn after Nature, The complete botanical watercolours of the 16th century Libri Picturati.

https://www.webshopboekhandel.nl/Webshop/ProductImages/9789050112383.jpg

Was het niet eerlijker geweest het boek naar de man die deze collectie heeft samengesteld te noemen, namelijk:

The botanical watercolours of Charles de Saint Omer dit de Morbecque

 


 

[1] Ramon-Laca, L., 2001 Charles de l’Ecluse and Libri picturati A.16-30. Archives of natural history 28 (2): 195-243.

[2] Briquet, C.M., 1923 Les filigranes. Dictionnaire historique des marques du papier. Leipzig, Karl W. Hiersemann. Pp. 836.

[3] LE LOUP, W., 1983  Hubertus Goltzius en Brugge 1583-1983. Tentoonstellingscatalogus Gruuthusemuseum, 1983-1984, 166.

[4] Leiden, UB, VUL 101, Cruquius, J-001, CLUY128-001.

[5] Anselmus de Boodt was toen arts aan het hof van keizer Rudolf II te Praag.

[6] Op blz. I/125, bij de witte Affodille incarnaet, schrijft Lobelius: Myn-Heere van Renoutre van goede ghedachtenisse heeftse hier voortijdts wel gheobserueert ende naer tleuen doen contrefeyten door Jacques van Corenhuyse: die Mijn-Vrouwe Laurin huysurouwe van M. D. Tresorier generael van Vlaenderen oock een hubsch contrefeytsel heeft ghemaeckt met zeer vele andere vremde cruyden / met dies dat sy groote liefhebstere is.

[7] P.F.X. de RAM, Caroli Clusii Atrebatis ad Thomam Redigerum et Johannem Cratonem epistolae, in: Compte-rendu des séances de la Commission Royale d’Histoire, Tome XII, 1847, XXXV, p.51-53.

[8] Johannes Crato had erom gevraagd in zijn brief aan Clusius van 9 april 1566 (Leiden, CLUY 123-018)

[9] Een aantal beschrijvingen van planten in de Rariorum plantarum historia (1601) zijn dezelfde als de beschrijvingen van dezelfde planten in de Spaanse flora.

[10] Thyni ramusculum quem nuper misisti curavit a Jacobo depingi, hunc cum non perperam alteri illi Thyno hispanico, quam Dominus pridem habet et cuius non penes te est, adiungi posse existimet, si ita videbitur et huius posterioris iconem quam primum ad te mittet. Itidem te iconem Ari­sari alterius florentis necdum a quoque exhibiti, qui dum hic postremo esses, in manibus pictoris erat.

[11] …, quandoquidem eius tempore Arisarum toti Belgio fuerit incognitum, & anno 1565. que illud Antuerpiam ad amicos Olyssipone misi istis primum innotescere caeperit latifolium.

[12] De meeste zijn wel tekeningen en geen aquarellen, maar wel op hetzelfde papier met watermerk met gekruiste pijlen en ster waarop ook de aquarellen geschilderd zijn. Bij Lobelius vinden we in zijn Kruydtboeck 51 kopieën van aquarellen uit Karel’s collectie.

In 1576 herinnert Clusius zich ogenschijnlijk niet meer van waar sommige tekeningen komen. In de inleiding van zijn Spaanse Flora schrijft hij : Inde factum est, vt clarissimus vir Rembertus Dodonaeus, nunc Caesareus medi­cus, veteri amicitia mihi conjunctus, quas ex meis iconibus voluerit, libere in suam Purgantium historiam intulerit. Ego vicissim eadem libertate fretus, Anemones quatuor generum, Aristolochiae longae vulgaris, quam & Sarracenicam Galli ap­pelant, & Chamaesyces effigies, quoniam meo argumento deseruiebant, ex eodem libro desumpserim. De tekening van de Anemone latifolia altera II (p.309) is een kopie van de aquarel A26.033v en die van de Chamaesyce (p.441), waarvan sprake, komt ook uit de collectie van Karel, namelijk de A27.085. Het is dan ook verwonderlijk dat hij hier Karel niet vernoemt.

[13] In de Spaanse Flora vinden we een Tinus II (in Lusitania) (1576/81-82) en in de Plantarum seu stirpium historia van Lobelius (1576/572) een Tinus Lusitanica Clusij (met dezelfde afbeelding).

[14] Vertaling: Als het zou voorvallen dat, terwijl je daar bent, je naar Leuven gaat, of als je kan, vraagt de heer je uit te zien indien er ergens een niet ongeletterde priester te vinden is en als het kan, beslagen in zake kruiden. Als hij al niet ervaren is, dan moet hij tenminste toch leergierig zijn. Hij krijgt hetzelfde jaarloon als diegene die laatst van hier tevreden wegging (het bedroeg min of meer negen pond Vlaams en het dagelijkse levensonderhoud). Als hij zich in de toekomst zou toewijden aan de studies van de kruiden in de familie van de heer, kan hij, als hij niet bedrieglijk handelt, in het vervolg rekenen op een betere voorwaarde; dit indien hij aan de verwachting van de heer in deze zaak zou voldoen.

[15] Hetzelfde scenario zal zich voordoen bij Jan van Brancion. Clusius zal hem verlaten en naar Wenen verhuizen, op het ogenblik dat Jan zeer ziek is, in november 1573. Jan van Brancion sterft een jaar later op 18 februari 1575.

[16] D DE VOS, Cat. Stedelijke Musea Brugge, Catalogus Schilderijen 15de en 16de Eeuw, Brugge, 1979, p. 207-209, Jacob Van den Coornhuuse, 0.154. Laatste Oordeel (1578). Met dank aan de Stedelijke Musea Brugge, die mij de mogelijkheid gaven om het Laatste Oordeel te bestuderen.

[17] Monogram van Jacob vanden Coorenhuuse op A17.029

[18] In Plantijns’ archief XXXI (Hunger, 1927, I/99) vinden we een notitie, waarin wordt gewezen op het feit dat hij van van der Borgt nog 52 figuren van het boek van M. Charles (einde 1567) heeft ontvangen.

[19] Bimestri jam Mechliniae fui, intra octiduum, Deo volente, eo rediturus (Treviranus 1830. 46).

[20] E ROZE, 1895, Huit lettres de Charles de l’Ecluse, Journal de botanique 9 ; 116.

[21] Deze handelswijze staat duidelijk op het einde van het New Kreüterbuch van Leonhart Fuchs, 1543, uitgegeven bij Michael Isingrin in Bazel. We zien de tekenaar en de kopiist aan het werk en eronder staat de houtsnijderafgebeeld.

[22] CLUY089.001a

[23] Museum Plantin-Moretus, Register III, p. 59, Journal des affaires commençant en Octobre 1563 etc.

[24] CLUX015.001

[25] Dit blad maakt geen deel uit van de originele collectie en ook de tekst is van een andere hand.

[26] In Karel’s testament staat : Quant aux liuris delaissez par ledict Sr en grec et en latin legatez a chaerles de lescluse lon entend les laisser seruire audict escluse Parquoy          Memoire

Audict Charles de lescluse a este donne pour les paines et assistence quil a faict audict Sr la somme de         ijc lb t.

[27] vanden Heede schrijft: touchant a vre. testament de monsr. de dranoutre duquel toucheez, jay parle a mr charles de schildre luy remonstrant le temp es desia passe et que le testaments deburoit estre satisfaictz lequel me repondit que monsr. de morbecque veult soustenier que les debtes doibuent estre payes deuant les donations. UB Leiden, Clusiuscorrespondentie, VUL 101.

[28] Universitaire Bibliotheek Leiden, Clusius’ correspondentie, VUL 101, brief van Mathias Laurinus aan Clusius in Mechelen, 2 juli 1570.

Mathias schrijft: "Jaij recheu vos dernieres lettres et me desplaist que je ne scaij rataindre les livres desquelles font vos lettres mention qui doibvent estre de la bibliotheque de feu le Sr. de Dranoultre non obstant touttes les recherches que jen aij fait et certes il me souvient bien avoit veu opera Plinii in parva forma: ensemble le second thome des vieulx medecins, mais personne ne me peult donner certitude ou ils peuvent estre devenus. J'en ai faict aultrefoijs diceulx livres parler a Franciscus qui dit les avoir veu, non scachant aultre ou ils peuvent estre devenus’. Florike Egmond schrijft dat het boeken waren van Clusius, die nog in Karels bibliotheek lagen, wat erop wijst dat ze problemen heeft met het lezen van oude Franse teksten. Franciscus, die in de brief wordt vernoemd, is waarschijnlijk Fransisce Tassin, één van de vroegere pages van Karel van Sint Omaars.

[29] Jan van Halewyn schrijft. Monsr. de lescluse. Jay par le sr. de vroijlandt receu vostre lettre accompaignee des trois livres de feu de bonne memoire monsr. de dranoultre auecq la promesse dassistance des bulbes. UB Leiden, Clusiuscorrespondentie, VUL 101.

[30] Zie bvb. A20.044v. Er staan twee verwijzingen naar de bladzijden 225 en 226 van Dalechamps Historia generalis plantarum I, met de namen Cistus mas 1. Clusij en Cistus mas 5. Clusij.

[31] In het Plantijns archief (Museum Plantin-Moretus) 37 wordt een boek van Avicenna vermeld dat door Karel vSO bij Plantijn wordt aangekocht op 16 november 1566.

[32] CLUY128-001

[33] Paul Van den Bremt, Erfgoedonderzoeker Landschappen, VIOE.

[34] MARCHANTIUS, J., 1596  Flandria commentariorum lib. IIII. descripta. Antverpiae, ex officina Plantiniana, apud viduam & Ioannem Moretum, in-8, [16], 422, [2] Pp.

Marchantius schrijft over Karel : Quidquid rariorum piscium mare, fluvii, lacus : quidquid notabilium avium aër, silvae, stagna: quidquid herbarum: quidquid etiam lapidum usu aut raritate insignium tellus Flandrium producit … omnia luculente nobis expressisset, nisi … praematuro exitu, huic patriae funestissimo desiderio, exitioque praevertisset, Carolus a Mourbeka Drenoutrius, emissarios investigationi, omnigenas herbas usui, peritum pictorem memoriae et oblectamento impense nutriebat, in suo ad flumen Liviam Moerkercano: legatisque Lovaniensi medicorum collegio simplicium perspectorum, florisissimeque effictorum quatuor voluminibus, et Gesneri de Lapidibus, seque bona illius opera usum, scribendis commendatione celebris documentum statuit, quam pronus esset doctorum studiis adjuvendis, quam appositus Flandriae illustrandae. (p. 27-28).

SANDERUS, A. (SANDERS, A.), 1624 De scriptoribus Flandriae libri tres, Antwerpen, G. a Tongris,  Pp 160, [8].

[35] De meeste zijn wel degelijk tekeningen en geen aquarellen, maar wel op hetzelfde papier met watermerk met gekruiste pijlen en ster waarop ook de aquarellen geschilderd zijn. Bij Lobelius vinden we in zijn Kruydtboeck meer dan 200 kopieën van tekeningen en aquarellen uit Karel’s collectie.

In 1576 herinnert Clusius zich ogenschijnlijk niet meer van waar sommige tekeningen komen. In de inleiding van zijn Spaanse Flora schrijft hij : Inde factum est, vt clarissimus vir Rembertus Dodonaeus, nunc Caesareus medi­cus, veteri amicitia mihi conjunctus, quas ex meis iconibus voluerit, libere in suam Purgantium historiam intulerit. Ego vicissim eadem libertate fretus, Anemones quatuor generum, Aristolochiae longae vulgaris, quam & Sarracenicam Galli ap­pelant, & Chamaesyces effigies, quoniam meo argumento deseruiebant, ex eodem libro desumpserim. De tekening van de Anemone latifolia altera II (p.309) is een kopie van de aquarel A26.033v en die van de Chamaesyce (p.441), waarvan sprake, komt ook uit de collectie van Karel, namelijk de A27.085. Het is dan ook verwonderlijk dat hij hier Karel niet vernoemt.

[36] In de Spaanse Flora vinden we een Tinus II (in Lusitania) (1576/81-82) en in de Plantarum seu stirpium historia van Lobelius (1576/572) een Tinus Lusitanica Clusij (met dezelfde afbeelding).

[37] Joachim Hopper, koninklijk groot zegelbewaarder aan het hof te Madrid, was een neef van Dodoens langs vaders zijde.

[38] Paul Van den Bremt van het VIOE heeft de plant voor mij naar de aquarel gedetermineerd.

[39] Zie de lijst in /libri picturati.

[40] FWT HUNGER, Charles de l’Escluse, I, 1927. Op p. 258 schrijft Hunger, steunend op MEYER, Geschichte der Botanik, 1857, IV, 357, dat Clusius, op uitdrukkelijk verzoek van zijn uitgever, de afgebeelde paddestoelen uit Lobelius’ boek toevoegt, weil der Verleger die Formen nochmals zu benutzen wünchte. De werkelijkheid is dus anders.

[41] HUNGER ( I, 160) schrijft dat hij vermoedt dat Clusius eerst gedurende zijn tweede verblijf in Oostenrijk – dus na zijn terugkeer in 1581 – zich meer bepaald op de studie der Hongaarse paddestoelen heeft toegelegd. Lobelius was hem dus bij de beschrijving van paddestoelen voor geweest en Clusius vond de beschrijving goed genoeg om in zijn eigen boek in 1601 over te nemen.

[42] Kruydtboeck, II/308.

[43] Dit waren waarschijnlijk kopieën van de aquarellen die zijn Hongaarse vriend en beschermheer Boldizsar de Batthyany had laten maken (Hunger I/131); Gedurende zijn verblijf in Oostenrijk werd Clusius meerdere malen bij hem op zijn kastelen van Német-Ujvar en Szalonak uitgenodigd en ze maakten ook samen reizen. Deze afbeeldingen werden echter niet gebruikt voor zijn eigen beschrijving van de paddenstoelen, daar ze toen bij de drukker verdwenen waren. Deze Codex fungorum werd later teruggevonden en berust nu in Universiteitsbibliotheek van Leiden. De houtsneden in Clusius’ beschrijving zijn van veel mindere kwaliteit.

[44] Senior Research Fellow of St. Anne’s College in the University of Oxford.

 

Copyright © 2003-2009 Nedstat Basic - Gratis web site statistieken Eigen homepage website teller

     Home

     Letterswerve

     Zegels

     De Lieve

     Slekkeput

     Sint Omaars

     Libri picturati

Drawn after Nature

     Ecologisch

     Brugse poort

     Het waterrecht

     Sint Elooi

     Het hoornwerk

     Obiit

     Vergierrecht

     Artikels