|
't Zwin
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jacques De Groote Vlienderhaag 4 B-8340 Damme 050 501032 jacqdegr@skynet.be |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De botanische en zoölogische aquarellencollectie van jonker Karel van Sint Omaars, gezegd van Moerbeke, heer van Dranouter, Merris, Oudenem, Moerkerke, etc. Charles de St Omer dict de Morbecque / seigneur de dranoultre / merris / Oudenem Moerkercke etc.
De Libri picturati in de Biblioteka Jagiellonska van Krakau in Polen Bij de toenemende bombardementen op Berlijn door de Geallieerden in 1941, werd de Duitse overheid ertoe gedwongen de waardevolle kunstcollecties, waaronder de boekenverzamelingen uit de Preussische Staatsbibliothek, uit de stad te evacueren. Deze evacuatie duurde tot in de lente van 1944. Ongeveer drie miljoen volumes -manuscripten, oude drukken en muziekmanuscripten van grote componisten- werden verdeeld over 29 bestemmingen op het grondgebied van het Reich. 505 dozen werden in het Fürstenstein-kasteel bij Walbrzych bewaard. In 1943 werd het kasteel klaargemaakt om als hoofdkwartier van Hitler te dienen, wat een potentieel gevaar voor de collecties betekende. De collecties werden verhuisd naar Grüssau bij Kamienna Góra. De dozen werden op de zolder van de Cisterciënzerabdij geplaatst. Toen de Russen in 1945 door Grüssau marcheerden, vonden ze deze collecties niet, maar hetzelfde jaar werden ze door een groep Poolse wetenschappers en bibliothecarissen ontdekt. Een jaar later werden de collecties naar Krakau verhuisd, waar ze in twee abdijen werden ondergebracht. Ze werden in oktober 1947 naar de Jagiellonskabibliotheek verhuisd omdat ze dringend aan restauratie toe waren. Het onderzoek duurde van 1 november tot februari 1948. Dat de collectie uit de vroegere Preussische Staatsbibliothek in Krakau terechtkwam werd door Polen angstvallig stilgehouden. De collectie bestond uit twee delen, enerzijds manuscripten, muziekmanuscripten, incunabelen, orientalia en kunstdrukken, anderzijds volgende drukken: Judaica, Oorlogsverzamelingen, Periodieken, linguïstiek, Italiaans, Slavisch en atlassen. Van de 505 dozen kwamen er maar 490 in Krakau terecht. Verschillende manuscripten waren ook zeer beschadigd. Buiten de speciale collecties kwamen er ook tijdschriften en nieuwe boeken in Krakau terecht. Die werden nooit in Polen gecatalogeerd. In 1957 kreeg de directeur van de Jagiellonskabibliotheek de opdracht om de Berlijnse collecties klaar te maken om ze naar Duitsland terug te zenden. Er werden van de belangrijkste en waardevolste stukken microfilms gemaakt. Enkele tijd later werd de beslissing om de collecties terug te sturen opgeheven. Een paar jaar later werd een groot deel van de tijdschriften naar Berlijn gestuurd. Ze kwamen in de vroegere Staatsbibliothek, toen de Deutsche Staatsbibliothek van de DDR, terecht. De belangrijkste stukken bleven in de Jagiellonskabibliotheek. Ondertussen bereidden een aantal vermaarde Poolse juristen een expertiseadvies naar internationaal recht voor. Zij besloten eensgezind dat de collecties uit Grüssau eigendom waren van de Poolse staat. Niettemin werden de collecties geheim gehouden. Half de zeventiger jaren begon men de ‘Berlinka’ in de collecties van de Jagiellonskabibliotheek te integreren. Het duurde tot 1979 voor onderzoekers om toegang te krijgen tot deze collecties en dan nog enkel bij ministeriële toelating. Half 1981 kregen alle onderzoekers toegang tot zowel de originelen als tot de microfilms. De collecties van de Jagiellonskabibliotheek bevatten een brede waaier aan kultureel werelderfgoed. Eén van die collecties zijn de Libri picturati. Vandaag vraagt Berlijn nog altijd zijn collecties terug en is de zaak nog altijd niet beslecht. Al in 1936 had Dr Hans Wegener, bij de reorganisatie van de Libri in Berlijn, het bestaan van een unieke verzameling aquarellen van dieren en planten vastgesteld. Bij onderzoek van de bladen kwam hij tot het besluit dat de collectie bijna zeker door Clusius was samengesteld. Het duurde tot 1977 voor Peter Whitehead de collectie, die men toen als verloren waande, in Krakau terug kon opsporen. Sindsdien hebben verschillende deskundigen de A16-30(31) heronderzocht en de bevindingen van Wegener bevestigd, namelijk de rol van Clusius bij de totstandkoming van deze waardevolle aquarellen. In 1997 kon Helena Wille de link leggen tussen de Libri picturati A16-30(31) en Karel van Sint Omaars, gezegd Morbeke. Door haar onderzoek, gebaseerd op codicologische analyse van de collectie, het vergelijken van de aquarellen met het Kruydtboeck van Lobelius en de studie van de correspondentie van Clusius in de Universiteitsbibliotheek van Leiden en die van Karel van Arenberg in de archieven van de familie in Edingen, kwam ze tot het besluit dat de collectie hoofdzakelijk werd geschilderd door Jacob vanden Coornhuuse in opdracht van Karel van Sint Omaars, dat Clusius de bladen annoteerde en dat ze later door Karel van Arenberg werden herschikt en aangevuld. Karel, prins en graaf van Arenberg, hertog van Aarschot, baron van Zevenbergen en heer van Edingen (1550-1616), had de collectie in 1595 kunnen kopen. Spijtig genoeg weten we niet van wie. In zijn Flandria commentariorum lib. IIII. descripta[i] uit 1596 schrijft Jacobus Marchantius wel dat Karel van Sint Omaars de collectie aan de medische faculteit van Leuven naliet.[ii] Een hele tijd later, namelijk in 1668, staat de collectie vermeld in de catalogus van de bibliotheek van Friedrich Wilhelm, keurvorst van Brandenburg, koning van Pruisen. De bibliothecaris Johann Rauwe schreef: XVI tomi tam animalium quam plantarum ex bibliotheca cancellarii Weinmanni. Friedrich Wilhelm had de collectie rond 1663 door aankoop of schenking van Daniel Weinmann, kanselier van Kleef, kunnen verwerven. Zijn bibliotheek lag aan de basis van de Koninklijke Bibliotheek in Berlijn, die in 1919 de naam Preussische Staatsbibliothek kreeg. Sinds verschillende jaren doe ik onderzoek naar Karel van Sint Omaars en zijn aquarellencollectie. Ik heb verschillende interessante ontdekkingen gedaan. Dit zijn mijn bevindingen:
De aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars en de ‘Libri picturati A.16-30(31)’ Jonker Karel van Sint Omaars, schildknaap, heer van Dranouter, Merris, Oudenem, Moerkerke, etc.[iii] is in de 16de eeuw een belangrijke botanicus geweest. Hoewel hij zelf geen geschriften heeft nagelaten, weten we dit uit die van Lobelius en Guicciardini. Zijn tuin wordt door Guicciardini, in zijn boek Description de touts les Pays-Bas[iv] als volgt geloofd: En une lieuë et demye de Bruges en la Seigneurie de Meerkercke le Seigneur du lieu nommé Charles de saint Omer Gentil-homme bien qualifié, et honorable, a un jardin digne d’estre admiré, pour estre embelly d’infinies sortes de simples excellens ; outre mille autres gentillesses, qui rendent le lieu agreable ; et tant iceluy, que la chose et le Seigneur d’iceux digne de perpetuelle memoire. Bij Lobelius lezen we in de inleiding van zijn Kruydtboeck (1581): Wesende tot tselue verweckt niet alleenliick deur het erntstich bidden ende aenhouden van vele treffeliicke vermaerde mannen van verscheyde landen ende plaetsen deser Nederlanden, maer oock deur de hulpe ende onderstandt die wy int becomen der cruyden van henlieden neersticheyt hebben gheuoelt ende ghenoten, de welcke sulcx is geweest dat bouen de sorghe ende cloecheyt die sy ghebruyckt hebben int opbrenghen van verscheyden cruyden, waer af sy eensdeels het saedt ende eensdeels de planten van ons wt andere plaetsen hen ghesonden, hadden ontfanghen, sy hen oock niet en hebben laeten verdrieten, wt verre landen, als wt beyde Indien, Constantinopolen, Italien, Spaengien, Duytslandt ende meer andere, niet sonder wtnemende moeyte, merckeliick ghetal van cruyden herwaerts te doen comen, ende in heuren hoeuen met eene sunderlinghe sorchvoldicheyt op te voeden. Welcken aengaende gheliick wy ons laeten duncken dat andere volcken behooren te bekennen, het Nederlantsche, in desen deel bouen anderen sunderlinghe eere ende lof te verdienen: alsoo en conden wy oock niet verswyghen hierinne, naest den vermaerden Caerle de l Ecluse (die inde oeffeninge ende eruarentheyt in dese conste by hem soo in Oistenriick als andere landen vercregen by niemanden naer ons goetduncken en wordt te bouen ghegaen) de voornaemtste gheweest te syne wylen myne heeren van Reynoultre ,van Brancion ende vander Delft, ende nv teghenwoordeliick in dese saecke gheliick in alle andere seer pryseliick te wesen heere Philips van Marnix, Heere van Sint Aldegonde, met oock voornamentliick heeren Caerle de Houchin, heere van Longastre, heere Jan Bosoit, Mathias Laurin ,Treforier der Staten deser Nederlanden, Cornelis Pruynen,Tresorier: meesters, Willem Martini, ende lan van Hobboken Greffiers der voorseyden stadt van Antwerpen: Jonckers Jacob Duym ende Jafspar Roelofs: Jan Mouton, Jacques Durin, ende eenighe andere. Dewelcke soo veele by ons hebben ghevoirdert, dat wy niet alleenliick den arbeyt en hebben ghenomen, omme verscheyden cruyden, planten ende saeden, di wy met groote moyete wt Italien, Duytslandt, Enghellandt, Languedoc, Piemont, Prouence, ende andere landen hadden ghebracht, ende door de ongerustheden deser Nederlanden waeren verstroyt, wederomme te becomen : maer oock de voorderinghe van desen sulcx hebben ter herten ghenomen, dat wy ons niet vermydt en hebben om dies in onse eyghene faecke merckeliick ende verscheyden achterdeel te lyden. Dit geeft niet alleen een algemeen beeld van hoe het er toen aan toe ging maar ook hoe belangrijk Lobelius ook Karel van Sint Omaars achtte. Dodoens (1568) vermeldt hem als volgt: multis modis ornatissimus ac nobilissimus D. Carolus S. Audomaro, dominus de Dranoutre, vir non modo stirpium, verum & historiae animalium omnium studiosissimus, idemque peritissimus. Lobelius schreef ook: Antonius Sanderus (1586-1664) schrijft in het eerste boek van zijn De scriptoribus Flandriae libri tres uit 1624 hetvolgende over Karel van Sint Omaars: CAROLVS ex Illustri à Divo Audomaro stirpe progenitus, Drenoultre Dominus, amoenissimam eruditonem natalibus nobilissimis coniunxit. Hortum habuit egregium in rure suo Moërbekano, vbi alebat omne genus florum, herbarum, auiumque emissis qui in Belgio & extra, studiosissimè conquirerent. Multos annos doctum Pictorem in ea quam diximus Villa habuit, qui omnigenos flores herbasque depingeret. Horum quatuor volumina elegantissimè depicta legauit Louaniensi Medicorum Collegio, & Conradum Gesnerum Heluetium iuuit, (vt ille appertè fatetur) ad componendam suam lapidum historiam, diuersisque aliis argumentis, quam procliuis esset ad Flandriam condecorandam, & studia Medicinae illustranda. Mortuus Moerkerckae, vbi monumentum sumptuosum è marmore & porphyretico lapide cum hac inscriptione habet, D. O. M. Carolo à Diuo Audomaro dicto à Moerbeke, Domino Drenoultre, Moerkercke, &c. qui primà aetate in castris egregiè peracta, cum morbo victus militis oneribus se imparem fateri cogeretur, ad amoeniores litteras animum flectens, in simplicium & animalium cognitione ita excelluit, vt non facilis inuentu fuerit, qui parem cum generis nobilitate eruditionem sit assecutus. Testam. execut. iussi PP. Vixit annos 36. mensem vnum. Obiit pridiè Idus Februarias anno 1569. Een bevoorrechte getuige is ongetwijfeld François Rapaert, gekend geneesheer uit Brugge, die de arts van Karel van Sint Omaars is geweest.[vi] In een brief[vii], die hij na de dood van Karel in 1670 aan Clusius, die toen bij zijn broodheer en vriend de heer van Brancion in Mechelen verbleef, schreef, zegt hij: Beste Clusius, … Onlangs heeft de heer Mathias Laurinus mij in jouw naam gegroet, waarbij ik heb verstaan dat je het goed stelt en dat je zeer ijverig bent in je vroegere kennis van de planten en dat er jullie ook van overal zoveel zaden, bollen, en planten worden gestuurd, dat je nu gedeeltelijk een rijkere collectie bezit dan vroeger de heer van Dranouter., wat er ook op wijst dat Karel van Sint Omaars een belangrijke collectie zaden, bollen en planten bezat. Al deze geschriften tonen aan dat Karel van Sint Omaars door zijn tijdgenoten als vermaard botanicus werd geprezen. Bij zijn overlijden liet Karel van Sint Omaars een collectie zoölogische en botanische aquarellen na, die de belangrijkste uit de 16de eeuw mag genoemd worden[viii]. Sommige afbeeldingen uit de collectie zijn de oudste voorstellingen van planten en dieren in Europa. In de staat van goederen[ix], die zijn weduwe Anne d’Oingnies na zijn dood liet opstellen, wordt de collectie als volgt beschreven (zie Bijlage I): Vng couffre ou jl y a dedens quatre liures dherbes paintes Vng commenchement dung liure des oyseaulx Vng commenchement dung liure des poissons et aultres animaulx Dit is een belangrijk gegeven ter vereenzelviging van deze collectie met de ‘Libri picturati A.16-30(31)’, die zich nu in de Jagiellonskabibliotheek te Krakau in Polen bevinden. Wanneer we de collectie te Krakau bekijken, dan zien we dat de eerste twee boeken bestaan uit A.16, die een beperkte verzameling is van vissen en andere (zoog)dieren, en uit A.17, die een beperkte verzameling is van vogels. Dit komt overeen met de beschrijving in de staat van goederen. Anderzijds worden er in de staat 4 boeken met planten vermeld. Dit komt ook overeen met het aantal dat later wordt vermeld bij de beschrijving van de ‘libri’[x]. We kunnen hier dus met zekerheid zeggen dat de collectie van Karel en de ‘libri’ één en dezelfde collectie is. Dit doorwegende argument bevestigt en verstevigt het geleverde bewijs in het betoog van Helena Wille, Luis Ramon-Laca en Florike Egmond[xi]. Alle drie hebben zij bewijzen geleverd om de ‘libri’ met de collectie van Karel te vereenzelvigen. Alle drie hebben ze echter zaken over het hoofd gezien. Wel werden de vier boeken met plantenaquarellen later in verschillende delen verdeeld en ingebonden. Nu bestaan er 13 ‘libri’ met planten, namelijk A.18 – A.30.[xii] De ‘libri’ A.16 – A.30 zijn nogmaals onderverdeeld in 23 delen, gemerkt van A tot Y, A voor de vissen, B voor de zoogdieren, C voor de vogels en D – Y voor de planten wat erop wijst dat het geheel als één collectie mag beschouwd worden. A.31 bestaat hoofdzakelijk uit latere kopieën, maar enkele aquarellen zijn duidelijk van dezelfde kunstenaar als die uit de volledige collectie[xiii] De boeken bestonden initieel uit losse bladen met aquarellen, waarvan de botanische eerst door Karel van Sint Omaars werden geordend naar de ordening van Dioscorides. Op het einde van de 16de eeuw werden ze door Karel van Arenberg geordend volgens Daleschamps (zie verder). We weten niet wanneer Karel met de samenstelling van zijn collectie begon. Er zijn wel aanwijzingen die aantonen dat Karel er in 1563 al mee bezig was. In zijn brief aan Clusius in Spanje schrijft Guido Laurinus[xiv] op 25 november 1564[xv] o.a. over Karel: …al gedurende veertien dagen zijn de Heer (Karel) en ikzelf met niets anders bezig dan dat hij mij de kennis van de planten aanleert (hoewel het putje winter is), zijn zeer mooi boek, waarvan ik veronderstel dat je het exemplaar gezien hebt, ordenend volgens de methode van Dioscorides.[xvi] Dit betekent dat de collectie in 1564[xvii] zeker al voor een groot deel bestond en dat Clusius die vóór zijn vertrek naar Spanje waarschijnlijk al had gezien[xviii]. Guido Laurinus laat weten dat Karel de collectie aan het ordenen is volgens de ordening van Dioscorides[xix] en dat hij Guido, die hem daarbij behulpzaam is, opleidt in de ‘botanica’[xx]. Dit zou ook betekenen dat Karel en Clusius elkaar al van voor diens reis naar Spanje kenden. Na zijn reis naar Spanje kwam Clusius vanaf september 1565 bij Karel wonen en bleef er tot einde 1567.[xxi] Het is weinig waarschijnlijk dat Karel aan de samenstelling van de collectie heeft kunnen beginnen vóór 1560. Hij is maar in het volle bezit van de familiebezittingen kunnen komen na de dood van zijn moeder in 1559. Zijn oudere zuster, die na de dood van haar vader, dame van Moerbeke geworden was, was al in 1551 overleden. Na haar dood werd Karel onder voogdij heer van Moerbeke (Dranouter, Merris, Oudenem, etc.), na de dood van zijn moeder ook heer van Moerkerke. Wat de tuin betreft ligt het anders. Misschien was ook zijn moeder geïnteresseerd in mooie tuinen en is het juist door het bestaan van een tuin[xxii] dat Karel interesse kreeg in de ‘botanica’. Hoe werd de collectie samengesteld? Om het concept van deze collectie goed te verstaan is het belangrijk om weten waar en in welke context ze is ontstaan. Moerkerke lag toen in het Brugse Vrije, Vlaanderen, de Nederlanden. Karel leefde in de woelige periode, die de scheiding der Nederlanden in Noord en Zuid voorafging. Er zijn geen aanwijzingen die wijzen dat Karel interesse zou getoond hebben voor het opkomend protestantisme. Moerkerke lag op de overgang tussen de zandstreek en de polders. Het dorp was omgeven door akkers en weiden. In de omgeving lagen er aan de zuidzijde bossen, heide, moerassen en aan de noordzijde polders, het Zwin en de kust van de Noordzee, met duinen, schorren en kreken. Het was de ideale omgeving om allerhande planten te vinden. We zien dan ook dat er afbeeldingen van planten uit al deze biotopen in de collectie terug te vinden zijn, zoals bijvoorbeeld van zoutminnende planten (halofyten), die in de overgang tussen slik en schor groeien en nu nog altijd in het Zwinreservaat te Knokke te vinden zijn. Karel had ook in zijn tuin een groot aantal planten die ter plaatse konden getekend en geschilderd worden[xxiii]. In zijn tuinen werden niet alleen planten gekweekt, de zaden werden ook geoogst. Op het kasteel stonden een grote kast en een koffer, waarin de zaden werden bewaard. Die zaden konden dan enerzijds terug gezaaid worden, maar werden ook verder uitgedeeld aan en omgewisseld met bevriende kruidenliefhebbers[xxiv]. We vinden op verschillende bladen verwijzingen naar de plaats waar planten gevonden werden, hier direct in de nabije omgeving, zoals Brugge, Moerkerke, Middelburg[xxv], Heist en het eiland Wulpen. Karel ging in de omgeving op wandel en bracht dan de planten, die hij had ontdekt, mee[xxvi]. Er zijn ook verwijzingen naar de tuin van de woning van de gebroeders Laurinus in Brugge, en van de Laurocorinthus buiten Brugge, alsook naar de tuin van Johannes van Eede (vanden Heede), burger van Brugge[xxvii]. Verder komen steden en plaatsen in binnen- en buitenland voor. We hebben gezien dat Clusius planten opstuurde, maar ook andere botanici en geïnteresseerden stuurden planten op. Het versturen van zaden en planten van de ene tuin naar de andere en van het ene land naar het andere was in die periode de normaalste zaak van de wereld geworden. Zo ontstond er in de 16de eeuw een Europees netwerk van kruidenliefhebbers en verzamelaars. Een voorbeeld van deze werkwijze vinden we ook in de brief die Johannes Cruquius op 21 december 1566 aan Clusius in Brugge zond[xxviii]. Hier lezen we duidelijk dat Karel vSO planten, waarvan hij wist dat ze in Frankrijk voorkwamen, aan Cruquius vraagt. Cruquius kan ze niet onmiddellijk vinden, maar zal er alles aan doen om het volgend jaar zaden te oogsten en op te sturen. Hij stuurt hem wel een scheut van een Aporynum, die Karel vSO hem vroeger gevraagd had, en ook zaden en de vrucht van een Arbor vitae, die hijzelf van de heer Rassius had gekregen. Merkwaardig is ook dat het niet Karel is die de vraag aan Cruquius richt, maar wel Clusius in Karel’s naam. Dit geeft ons een aanwijzing van wat Clusius bij Karel ook deed. Hij hield Karel gezelschap en gezien zijn botanische kennis, fungeerde hij ook als zijn secretaris in deze materie en het is waarschijnlijk daarvoor dat hij later ook nog werd betaald (zie de staat van goederen)[xxix]. Op het overgrote deel der geannoteerde bladen van de collectie staat er geen vindplaats. Dit zijn planten, die hier bij ons in Vlaanderen toen in het wild voorkwamen. We kunnen ons ook de vraag stellen of de volledige aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars zich in de ‘libri’ bevindt. Zijn er ooit niet meer bladen geweest? Eén gegeven zou daar kunnen op wijzen. In zijn Spaanse flora schrijft Clusius dat hij een Aloë vera aan Karel heeft gegeven. Die plant heeft één jaar in zijn tuin gegroeid en is dan de tweede winter afgestorven. Het is toch verwonderlijk dat er in de collectie geen afbeelding van deze hier zeldzame plant terug te vinden is. Het is ondenkbaar dat Karel van deze plant geen aquarel zou hebben laten maken. We zullen ook verder zien dat een bepaalde fungus niet in de collectie voorkomt. Gezien er veel afbeeldingen in de boeken van Clusius en Lobelius kopieën zijn van aquarellen uit de collectie van Karel, is het ook mogelijk dat er bladen, die evt. uitgeleend werden om ze over te tekenen, nooit in de collectie zijn teruggekeerd. Wanneer we nu de bladen van de collectie individueel gaan bestuderen, dan komen we tot volgende vaststellingen. Het grootste deel van de bladen bestaat uit hetzelfde papier, deels met en deels zonder een watermerk met 2 gekruiste pijlen en een ster[xlvi]. Het zijn ook deze bladen die grotendeels geannoteerd zijn en waarbij de grootste eenheid in tekening en aquarel bestaat. Op een aantal van deze bladen staan er ook tekeningen en aquarellen op de verso zijde. Deze tekeningen zijn soms onafgewerkt en lijken van een andere hand te zijn. Daarbij zijn er ook nog een aantal bladen van een ander type, met andere watermerken of van een andere vorm. Het is zeer waarschijnlijk dat de bladen van hetzelfde type, met of zonder het watermerk met de gekruiste pijlen en een ster, de eigenlijke collectie van Karel zijn en dat de andere bladen aanvullingen zijn, ook van na zijn dood. Hiervoor zijn er enkele duidelijke aanwijzingen. Eerst en vooral zien we dat een zeker aantal bladen dienst hebben gedaan als voorbeeld voor het vervaardigen van de houtblokken, die hebben gediend in de Spaanse Flora van Clusius[xxx]. Deze bladen zijn juist bladen zonder het watermerk met de pijlen en een ster en zonder annotaties[xxxi]. Er zijn daarbij ook een aantal planten die in de periode toen Karel de collectie samenstelde hier nog niet of nauwelijks voorhanden waren, zoals bvb. de zoete aardappel[xxxii] (batata) (zie Bijlage) en de tulpen[xxxiii]. Anderzijds moeten we hier toch vermelden dat er een aantal planten hier in Karel’s tuin voor de eerste maal in de Zuidelijke Nederlanden werden gepland. Zo vinden we bvb. op A.30/48 de vermelding PSEVDONARCISSVS LVTEVS / saturatus / Floret eodem, quo prior, tempore. / Plantatur nobis in hortis, alioqui / peregrinus. Een analyse maken van de annotaties op de bladen is een moeilijke onderneming. Er staan verschillende handschriften op en er hebben verschillende mensen aan deze annotaties gewerkt. Zoals we zagen, Karel en Guido Laurinus, (evt. Clusius), één of twee priesters, en later, indien we de theorie van de latere aankoop van de collectie door Karel van Arenberg en de herschikking ervan volgen, nog Arenberg of iemand uit zijn omgeving en wie weet nog anderen. Op de meeste geannoteerde bladen staan bovenaan, boven de afbeelding van de plant, de naam in het Grieks en het Latijn, meestal in hoofdletters[xxxiv], soms gevolgd door de naam van de botanicus, die de naam gaf, als het om een eigentijdse botanicus gaat (vooral Dodoens)[xxxv]. Op sommige bladen is ook de naam, die Caspar Bauhin aan sommige planten gaf, er later bijgevoegd[xxxvi]. Daaronder staan dan de namen in het Italiaans (Ital.), het Frans (Gall.), het Duits (Germ.) en het Nederlands (Belg.)[xxxvii] en ook soms nog in het Vlaams (Flandr.)[xxxviii]. Op ten minste twee bladen, namelijk A.21-101 en A.26-79, kregen de planten een naam, door Karel van Sint Omaars zelf gegeven. Het gaat om een alg, die Karel Vermicularia, aut Lumbricaria noemt, omdat a similitudine quam cum vermibus seu lumbricis habet. De alg had hij ontdekt in het wad tussen het eiland Wulpen en het vasteland van Vlaanderen. De andere plant is de Lichen maritimus, die hij in de duinen langs de kust bij Heist had ontdekt. Karel heeft nog aan andere planten een naam gegeven, zoals we al zagen in de tekst van Lobelius over Water-Sterre-cruydt. Op A.26-47 schrijft Karel daaromtrent Incerti nominis herba, ad PLANTAGINEM AQVATICVM multúm accedens. / Quam ne anonymos maneret, / STELLATAM appellare possemus, / eó quód seminis folliculi stelle figuram referant. Op A.29-40 schrijft hij ook MILLEFOLIVM AQVATICVM MVTEVM, à nemine descriptúm. / Stagnantibus aquis supernatat.
Reynoutria Houtt. (= Fallopia japonica (Houtt.) Ronse Decraene = Polygonum compactum Hooker Fil. = P. cuspidatum Siebold & Zucc. = P. sieboldii Hort.) Verder komen dan in de bovenste helft van het blad verwijzingen naar de boeken van de oude en eigentijdse botanici waarin de plant wordt beschreven, namelijk Dioscorides, Plinius, Galenus, Theophrastus e.a. enerzijds, en op enkele bladen Gesner, Fuchs, Matthioli, Valerius Cordus, Bock, Belon, Ruel e.a. anderzijds. Bij de ouden komt Dioscorides op de eerste plaats ( Karel heeft de collectie naar zijn ordening geklasseerd). Als de plant bij de ouden niet voorkwam, dan heeft hij voor zijn ordening meestal Dodoens’ Cruydeboeck uit 1563 als leidraad gebruikt[xxxix]. Een uitzondering daarop zijn de bladen A.30-24 en A.30-28. Hier vinden we in de tekst geen verwijzing naar het Cruydeboeck van Dodoens maar wel naar zijn Florum, et coronarium odoratarumque nonnullarum herbarum historia uit 1568. Merkwaardig is wel dat deze teksten van een andere hand zijn dan de andere Latijnse teksten en ook anders geformuleerd zijn. Voor het overgrote deel van de verwijzingen naar de eigentijdse auteurs, buiten de latere annotaties van Karel van Arenberg, gaat het om referenties naar boeken die uitgegeven werden voor 1563[xl]. Dit geeft weer een aanwijzing naar de ontstaansperiode. Al deze verwijzingen naar de botanici laten ons ook toe te veronderstellen, dat Karel hun boeken in zijn bezit had. Even ter zijde kunnen we hier aanhalen, dat Matthias Laurinus, een van de executeurs-testamentair van Karel en gevolmachtigde van Anna d’Oingnies, op 2 juli 1570 op een brief van Clusius antwoordde, waarbij hij schreef dat hij niet wist waar bepaalde boeken van Karel’s bibliotheek naartoe waren, waaronder een ‘Opera Plinii in parva forma’, waar Clusius om vroeg. Ook het geld, waar hij nog recht op had, had Clusius toen nog niet ontvangen[xli]. Clusius had ook al een brief gestuurd naar Jan vanden Heede in Brugge om te vragen wanneer hij de erfenis zou krijgen, waarop die op 10 april 1570 antwoordde dat meester Charles de Scildere hem liet weten dat de heer van Morbeke erop stond dat de schulden eerst moesten betaald worden en dan pas de schenkingen[xlii]. Jan van Halewyn uit Ieper liet hem op 4 juli 1570 weten dat hij de boeken, die Clusius nog uit de bibliotheek van Karel in zijn bezit had en hem had teruggestuurd, goed had ontvangen[xliii]. Wel moeten we opmerken dat bepaalde annotaties fout zijn. Degene die de opzoekingen heeft gedaan en/of degene die de gegevens heeft opgeschreven is onzorgvuldig geweest. Zo vinden we op A.18-18 bij de Urtica de vermelding Diosc. lib. 4. cap 79, wat 89 had moeten zijn en op A.22-67 bij de Iris lutea de vermelding Val. Cordus lib. plantar. 2. cap. 44, wat 43 had moeten zijn. Een andere anomalie is het blad A.27-99 met Fungi . Ik denk dat degene die de teksten geschreven heeft zich heeft vergist. Het blad had omgekeerd moeten liggen. Nu staan de Phallus impudicus en de andere paddestoel op hun kop. Dit wijst er ook op dat er een zekere tijd heeft gelegen tussen het maken van de aquarel en het annoteren ervan. De annotatie is van na september 1564. In de tekst staat namelijk: PHALLVS ex FVNGORVM genere. / Quem cum oratione soluta, túm cannine elegantissimo / exacte descripsit Hadrianus Iunius medicus eximius // PHALLI VOLVA, Hollandorúm / vulgo vnghers eyeren, id est / Manium Demonumue oúa ap- / pellata. Hadrianus Junius, geneesheer en toen rector van de latijnse school te Haarlem, gaf in 1564 een klein boekje uit met de beschrijving van de Phallus impudicus. Karel heeft het boekje toen waarschijnlijk bekomen, toen hij in Den Haag verbleef. Het boekje noemt: PHALLI, Ex fungorum genere in HOLLANDIÆ sabuletis passim crescentis descriptio, & ad vivum expressa pictura, uitgegeven in 1564 bij Herman Schinckel te Delft, op de hoek van de Schoolstraat, bij de oude kerk. (zie Bijlage VIII). In zijn Fungorum historia (1601) vermeldt Clusius ook Junius bij de beschrijving van de Phallus. Onder de plant komt dan de beschrijving van de plaats, waar men de plant kan vinden; meer algemeen of de plant hier in Vlaanderen[xliv] te vinden is – in het wild, langs de wegberm, in het bos, op een akker, in een weide, enz - of niet, in welke streek ze wel voorkomt, of ze hier in tuinen terug te vinden is en soms meer bepaald in welke stad of streek ze werd ontdekt. Hierbij krijgen we zeer uiteenlopende namen uit het buitenland, maar ook namen uit Brabant, Zeeland en Holland en ook uit onze streek (zie vroeger). Verder wanneer de plant bloeit en soms ook hoe botanici erover schrijven. Deze teksten zijn in het Latijn. Op de meeste geannoteerde bladen met een plant, die hier niet in het wild voorkwam, staat er meestal Seritur (seruntur) (nobis) in hortis (de plant wordt bij ons in de tuinen gezaaid of geplant). Hieruit kan men niet met zekerheid weten of de plant ook in de tuin in Moerkerke groeide, maar de meeste hebben hoogstwaarschijnlijk in Karel's tuin gegroeid. Op één blad echter staat zeer duidelijk dat de plant in zijn tuin groeide. Op A24-63 staat er Hoc primo anno quo in horto nostro satum erat, hac magnitudine excrevit. Secundo vero anno duplo aut amplius excelsiori caule sese extulit. Dit bewijst duidelijk dat Karel zijn teksten samenstelde, die dan door een ander op het blad werden geschreven, waarschijnlijk de priester die bij hem werkzaam was. De uitheemse planten kan men in twee categorieën indelen: planten uit Europa en planten uit Azië, Afrika en Amerika. Verschillende planten die in de aquarellencollectie voorkomen zijn planten die toen onlangs in Europa waren ingevoerd vanuit Turkije, zoals Anemone coronaria, Antirrhinum majus, Campanulae, Fritillaria meleagris, Hyacinthus orientalis, Muscari botryoides, Syringa vulgaris en vooral de Tulipa, waarvan de aquarel A30-56 waarschijnlijk de oudste voorstelling is in de Nederlanden. Bij een aantal planten schrijft Karel van Sint Omaars dat de plant nog niet of waarschijnlijk niet beschreven of voorgesteld werd. Bij een aantal aquarellen staat de naam niet vermeld, maar wordt verwezen naar de soort (species). Vele planten op de aquarellen waren bij Karels’ dood ook nog niet geannoteerd. Een groot deel daarvan zijn planten die toen nog door niemand waren beschreven. Onderaan links op de bladzijde staan er dan nog annotaties, verwijzende naar bladzijden uit bepaalde botanicaboeken. Meestal is het een verwijzing naar de Historia generalis plantarum van Dalechamps uit 1587, soms naar het Kruydtboeck van Lobelius en dat van Dodoens. Nog andere annotaties van een andere hand verwijzen naar Lobelius en Gesner. Deze annotaties werden aangebracht na de dood van Karel. Merkwaardig zijn de verwijzingen naar Dalechamps. Dit bewijst dat de collectie wel duidelijk door Karel van Arenberg werd aangekocht en geannoteerd, zoals hij aan Clusius liet weten in 1595.[xlv] Verder zijn de bladen dan nog genummerd, zowel bovenaan als onderaan rechts. De nummers bovenaan komen overeen met de nummering van de ‘libri picturati’ vandaag. De tekst in het Italiaans, de tekst met verwijzingen naar botanici bovenaan en de tekst met de beschrijving van de plant zijn meestal van dezelfde hand. De tekst van de namen in het Frans, het Duits en het Nederlands zijn ook meestal van dezelfde, maar wel een andere hand. Wat nu de planten zelf betreft, deze worden meestal weergegeven met bloemen en vruchten en ook met de wortels. Hier en daar wordt ook nog wel een insect bijgetekend, of zelfs een enkele kikker. Wie heeft er aan de collectie gewerkt? Bij het lezen van de brief, die Karel op 14 december 1567 naar Clusius in Mechelen liet schrijven, zien we dat er verschillende mensen betrokken waren bij de creatie van de aquarellencollectie. Eerst en vooral Karel, die de opdrachtgever en geïnteresseerde is. Hij wordt geholpen door Guido Laurinus[xlvi]. Wanneer Clusius uit Spanje terugkomt, doet Karel op hem eventueel beroep om hem bij te staan gedurende diens verblijft op het kasteel te Moerkerke en te Brugge[xlvii]. Ook vinden we één, en eventueel een tweede priester, die aan het project heeft meegewerkt[xlviii]. En verder hebben we dan nog de schilder of schilders, die de aquarellen hebben geschilderd, zonder de tuiniers, die Karel’s tuin aanlegden en onderhielden, te vergeten. Van twee van hen kennen we de naam, Paul de Witte, de hovenier en Zegher de Wever, die instond voor de boomgaard. In dezelfde brief[xlix], geschreven een jaar voor zijn overlijden, vraagt Karel aan Clusius ook om in Leuven een priester te zoeken, die enerzijds niet ongeletterd is en anderzijds geïnteresseerd is in botanica. Deze zou dan in Moerkerke kunnen komen werken, om de vorige priester te vervangen[l]. Clusius had begin december Moerkerke verlaten en zou er niet meer terugkeren[li]. Wie de eerste priester was, hebben we nog niet met zekerheid kunnen vaststellen. Het zou hier wel eens om Martinus Smetius (Maarten de Smet) kunnen gaan, die ook voor Marcus Laurinus’ muntenverzameling heeft gewerkt en die later, als calvinistisch predikant, op 8 februari 1567 werd opgehangen. In een brief van 15 november 1565 aan Clusius schrijft Smetius op het einde Vale, ac generosissimo viro, Domino de Dranoultre, communi nostro patrono, me ex animo quaeso commenda. [lii] Grafologisch is er een grote gelijkenis tussen Smetius’ handschrift en de teksten van de namen van de planten in het Frans (Gall.), het Duits (Germ.) en het Nederlands (Belg., Flandris, Brabantis) op de aquarellen[liii], wat niet het geval is voor de Latijnse (en Griekse) teksten. De Latijnse teksten gelijken ook niet op Clusius’ handschrift. Die zouden dan nog door een ander geschreven zijn. Als we ervan uitgaan dat de Franse, Duitse en Nederlandse teksten door Smetius geschreven zijn nadat de Latijnse op de aquarellen werden geschreven, dan is het in de tijd ook onmogelijk dat Clusius de Latijnse teksten opgemaakt en geschreven zou hebben. Clusius is in september 1565 bij Karel vSO aangekomen en Smetius was begin 1566 al zeker niet meer in Moerkerke (en misschien al niet meer sinds 15 november 1565, gezien zijn brief aan Clusius vanuit zijn woonplaats Sleidinghe werd geschreven). Indien het zeer moeilijk is om te bepalen wie de teksten schreef, dan is het met de kunstenaar, die de aquarellen schilderde, wel enigszins anders. Er zijn verschillende aanwijzingen naar de schepper van deze collectie. Helena Wille bewees in haar artikel[liv] dat het Jacob vanden Coornhuuse[lv] was, bijgestaan door Jan en diens vader, Pauwel de Laval. De bewijsvoering betreffende vanden Coornhuuse is sterk en sluitend, die voor vader en zoon de Laval nogal zwak. In elk geval is het zo dat we uit de geschriften alleen kunnen opmaken dat er meerdere personen aan de collectie vissen en vogels hebben gewerkt. Het is alleen op bepaalde van deze aquarellen dat er ook initialen van verschillende personen voorkomen. Dit wordt ook bevestigd door een tekst van Adriaan Coenen, die in zijn Visboock[lvi] over Karel schreef: Desen goeden heere was een groot beminder van seldsame dinghen van visschen ende vogelen. Hij hadde twee scilders die hem alle dagen seldsame vogelen ende visschen uutscilderde dese scilders hadde hij al binnen zijn hof. De plantenaquarellen, die kunnen aanvaard worden als deel uitmakend van de initiële collectie van Karel, zijn van een dusdanige eenheid, dat men kan zeggen dat ze door dezelfde schilder zijn gemaakt. Ook Lobelius schrijft in zijn boek alleen over Jacob van den Coornhuuse. Luis Ramon-Laca denkt dat ook Peter van der Borcht een van de kunstenaars was, die aan de ‘libri’ meewerkte. Dit is weinig waarschijnlijk voor wat de collectie van Karel betreft; het zou echter kunnen zijn dat hij sommige latere tekeningen maakte, die hebben gediend voor sommige houtblokken voor Clusius’ boeken[lvii]. De bewijsvoering van Ramon-Laca klopt ook niet. Hij legt uit dat het onmogelijk lijkt dat Coornhuuse in 20 dagen van Mechelen naar Moerkerke zou teruggekeerd zijn, maar hij vergist zich bij de brieven. Zowel de brief van Clusius aan Crato van 25 november 1567 als die in opdracht van Karel aan Clusius van 14 december 1567 zijn vanuit Brugge en Moerkerke geschreven en op 14 december was Clusius al in Mechelen, wat bewijst dat het wel mogelijk was. Anderzijds ontvangt Clusius Karel’s brief al op 18 december in Mechelen, 4 dagen na verzending[lviii]. In zijn brief van 25 november schrijft hij ook dat hij binnen de 8 dagen naar Mechelen zal gaan[lix]. De kunstenaar, naar wie Clusius in zijn brief verwijst, zou dan ook in het Brugse moeten gezocht worden en het is dan ook hoogstwaarschijnlijk Jacob vanden Corenhuuse. In elk geval Jacob vanden Coornhuuse stond zeer dicht bij de familie Sint Omaars. Aan hem werd ook gevraagd om de wapenborden te schilderen, die op Karel’s begrafenis[lx] gediend hebben. Het is ook weinig waarschijnlijk dat Karel op van der Borcht beroep zou gedaan hebben, gezien die toen in Mechelen woonde en er geen enkele aanwijzing bestaat, dat hij ook maar eens in Moerkerke zou geweest zijn. Dat van der Borcht kopieën van de aquarellen en van de tekeningen op houtblokken heeft getekend zou wel kunnen, maar dit heeft met de originele collectie niets te maken. Dat van der Borcht daar zeer goed in was vinden we in een latere brief van Clusius, waarin deze schrijft j’ay encore quelques pourtraicts d’herbes que je feroye voluntiers tirer sur planches de bois comme les autres par M. Peeter van der borcht.[lxi] Van der Borcht was zeer goed in het overbrengen van tekeningen op houtblokken. Zo komen we tot de logische handelingen: Jacob vanden Coornhuuse aquarelleerde of tekende, de tekeningen werden later naar Peter van der Borcht gezonden, die ze op houtblokken kopieerde en de blokken werden dan door een houtsnijder uitgesneden[lxii]. Het doorslaggevende bewijs dat Jacob vanden Coornhuuse de aquarellen schilderde heb ik echter gevonden op het enige schilderij dat van hem gekend is en zich in Brugge in de collectie van het Groeningemuseum bevindt, namelijk het Laatste Oordeel uit 1578. Dit schilderij werd, samen met een ander, in 1575 door het bestuur van de Proosdij aan Jacob besteld voor de raadzaal van het landhuis van de Proosdij[lxiii]. Op dit schilderij staan, zoals op zo vele uit die periode, planten als decor op het onderste deel van het schilderij geschilderd. Eén van de elementen is een groep paddenstoelen (coprinus micaceus). Dit element is een exacte kopie van paddenstoelen die Jacob op het blad A.22-019 met Fungi in de Libri picturati zovele jaren voordien had geschilderd (zie hieronder). Een tweede groep paddenstoelen (zwavelkop) - niet een juiste kopie, maar even overtuigend - komt ook van hetzelfde blad. In 1578 schildert Jacob paddenstoelen, die hij een tiental jaren voordien al geaquarelleerd had en waarvan hij waarschijnlijk nog schetsen had, op het schilderij. Als dit geen bewijs is! Ook Jacob’s monogram (IC) staat op het schilderij onderaan rechts met ernaast een hagedis.
A.22-019 We kunnen hier ook nog even wijzen op een ander gegeven uit het Kruydtboeck van Lobelius. Op blz. I/125, bij de witte Affodille incarnaet, schrijft hij: Myn-Heere van Renoutre van goede ghedachtenisse heeftse hier voortijdts wel gheobserueert ende naer tleuen doen contrefeyten door Jacques van Corenhuyse: die Mijn-Vrouwe Laurin huysurouwe van M. D. Tresorier generael van Vlaenderen oock een hubsch contrefeytsel heeft ghemaeckt met zeer vele andere vremde cruyden / met dies dat sy groote liefhebstere is. Ook Radegonde du Quesnoy, vrouwe van Wulpen, vrouw van Matthias Laurin, heer van Leeskens, Tresorier Generaal van Vlaanderen, die in het nabijgelegen kasteel van Leeskens woonde en ook in Antwerpen, was dus geïnteresseerd in kruiden, had een kruidentuin en had een aquarellencollectie laten maken door Jacob vanden Corenhuuse. Een laatste vraag, die we ons hier kunnen stellen is: Wat is er na de dood van Karel met zijn collectie gebeurd? Er zijn verschillende wegen die leiden van de aquarellencollectie naar de ‘libri’. Een eerste weg is die langs de Universiteit van Leuven. Karel zou de collectie aan de Universiteit gelegateerd hebben[lxv]. Daarvan vinden we in het testamentgedeelte in de staat van goederen niets terug. Volgens Claudia Swan zou Dierick Cluyt (Clutius)[lxvi] de collectie op het einde van de 16de eeuw in zijn bezit hebben gehad[lxvii] en gebruikte hij deze als ‘winter garden’ voor studenten aan de Universiteit van Leiden[lxviii]. Dat Clutius een collectie bezat is zeker, dat dit Karels’ collectie was is onwaarschijnlijk. Reeds in 1581 schrijft Lobelius in zijn Kruydtboeck: Cleyn wit Bilsen. Dit hebbe ik het voorleden jaer inden winckel vanden zeer goeden verstandigen ende gheleerden Apoteker M. Dierick Cluyt tot Delft inden Granaet-appel ghesien / ende daer naer heeft my de voorseyde Dierick het conterfeytsel door sijn eyghen handt ghemaecht / ghelijck hy in alle dinghen / aerdich subtijl ende constich is. Dit bewijst dat Cluyt zelf een collectie tekeningen aanlegde, die dan ook niet moet verward worden met die van Karel. Een ander bewijs vinden we in de correspondentie van Anselmus de Boodt met Clusius. In zijn brief van 5 april 1602 uit Praag[lxix] aan Clusius in Leiden, schrijft Anselmus de Boodt: Geachte heer, toen ik enkele jaren geleden in Leiden was heb ik bij de weduwe van apotheker Clutius een herbarium met naar het leven getekende tekeningen gezien. Die stond me in die tijd zo aan dat ik die van de weduwe wou kopen. Daar de vraagprijs mij nogal hoog leek heb ik met haar geen prijs kunnen overeenkomen. Ik vraag mij af of deze nu nog te koop zou zijn? Indien dit het geval is zou ik u willen vragen of U zou kunnen nagaan welke de waarde er nu van is en welke figuren of bladen - of het voltallig werk - en nog bestaan. Als ik me niet vergis waren er toentertijd 1050 figuren of getekende bladen. Het zou spijtig zijn indien er een aantal figuren uit het werk verdwenen waren. ... In de marge van de brief schrijft Clusius: petit 450 fl. / Lorretus 300 aestimat, wat betekent dat Clutius weduwe in 1602 de herbarium nog in eigendom had, er 450 florijn voor vroeg en dat Lorretus de waarde ervan op 300 florijn schatte. In de brief van Anselmus de Boodt aan Clusius van 10 december 1602, waarin hij Clusius dankt voor de zaden die deze hem samen met zijn antwoord heeft gestuurd, komt hij ook terug op het onderwerp ‘herbarium’. Hij schrijft: Betreffende de herbarium heb ik verstaan dat de weduwe er 450 florijn voor wil, wat neerkomt op 20 stijvers (per blad). ... Toen ik enkele jaren geleden in Delft was, heeft de schilder Elias Crans, die deze bloemen schilderde, mij dezelfde willen schilderen voor niet meer dan zes stijvers per figuur. Hij heeft dan ook geen interesse meer in de herbarium van Clutius. Dit is ook een interessant gegeven in verband met de aquarellencollectie van Karel van St. Omaars. Gezien Karel van Arenberg de aquarellen van Karel van St. Omaars en 1595 had kunnen kopen en de herbarium van Clutius in 1602 nog altijd eigendom was van zijn weduwe, staat het vast dat het hier om twee verschillende collecties gaat. Ondertussen weten we dat de collectie ergens wel als ‘winter garden’ heeft gediend, niet voor studenten te Leiden, maar wel voor de opleiding van Guido Laurinus in de botanica. Helena Wille toont aan dat Karel van Arenberg de collectie heeft kunnen verwerven. Luis Ramon-Laca en Florike Egmond volgen Helena Wille daarin. Wat er ook van zij, hoe de collectie bij een van deze terecht is gekomen, is nog niet bewezen. Als we de staat van goederen mogen geloven, dan is de aquarellencollectie na Karel’s dood eigendom gebleven van zijn weduwe Anna d’Oingnies. De boeken worden beschreven onder de rubriek Au cabinet de madamoiselle tenant a la sallette. Zoals we vroeger zagen[lxx], had ook zij een Wunderkammer en in deze kamer lagen de boeken. Als we de lijn doortrekken, dan lezen we in het begin van de staat van goederen, dat volgens het huwelijkscontract de goederen, die Anna toebehoorden haar eigendom bleven, alsook haar cabinet[lxxi], wat betekent dat ook de aquarellencollectie haar toekwam. Wat zij later met de collectie gedaan heeft en wie ze heeft kunnen bemachtigen blijft totnogtoe een raadsel en een reden tot verder onderzoek. Zij is in september 1577 in Steenwerck (Noord-Frankrijk), toen nog Vlaanderen) overleden en werd er in de kerk begraven. Het is weinig waarschijnlijk dat de collectie nadien naar de Universiteit van Leuven is gegaan gezien het in deze periode met Leuven en de Universiteit slecht was gesteld. In 1578 woedde de pest in Leuven en in die periode was de Universiteit ook verlaten. Heeft Clusius aan Karel’s collectie meegewerkt? Het is belangrijk om Clusius even te situeren. In de eerste helft van de zestiger jaren van de 16de eeuw reist hij rond in Spanje en Portugal. Wanneer hij in 1565 naar de Nederlanden terugkeert, heeft hij geen werk. Karel van Sint Omaars biedt hem een plaats als secretaris aan en zal gedurende de twee jaar dat Clusius bij hem verblijft zijn broodheer zijn. Hij zal Clusius ook de mogelijkheid bieden om zijn eigen boeken te schrijven.[lxxii] Wat vast staat is dat Clusius de collectie bij de dood van Karel niet heeft gekregen en dat die collectie dus ook niet door hem noch voor hem werd gemaakt. Hij heeft de collectie na Karel’s dood ook niet echt meer kunnen consulteren. Vele namen op de bladen van de Libri verschillen van die in de boeken van Clusius. Een markant voorbeeld is bvb. A23.062v, waarop een Briza media staat afgebeeld met de namen Aegilops, Plinij, Trago. en Gramen tremulum. In de Rariorum plantarum historia geeft Clusius het gras de naam Amourettes tremblantes, zonder Latijnse naam. Had hij de aquarellen ter zijner beschikking gehad, dan had hij dit tenminste kunnen nazien en had hij ook in de beschrijving geschreven dat dit gras ook hier te vinden was. Als we de zin van wat hierboven staat doortrekken, dan kunnen we met zekerheid zeggen dat Clusius de auctor intellectualis van de collectie niet is geweest[lxxiii] . Of Clusius aan deze collectie heeft meegewerkt is niet zo duidelijk op te maken, maar de relatie tussen Karel en Clusius kan men uit de staat van goederen wel aflezen. Eerst en vooral worden de Latijnse en Griekse boeken[lxxiv], die Karel in zijn bibliotheek bezat, per testament aan Clusius gelegateerd. Anderzijds wordt deze laatste ook nog goed betaald voor bewezen diensten[lxxv]; dit kan zowel duiden op de tuin als op de aquarellencollectie. Wel staan er in de annotaties bij enkele planten (6) steden en plaatsen in Spanje vermeld, die door Clusius werden bezocht. Dertig jaar later vraagt Karel van Arenberg, in zijn brief van 27 januari 1595, aan Clusius wel of hij hem bepaalde gegevens betreffende de collectie zou kunnen verschaffen, gezien hij denkt dat Clusius de bladen heeft geannoteerd (zie bijlage V). Of dit wel zo was, kan hier moeilijk bewezen worden, gezien er geen antwoord van Clusius gekend is. In een andere brief, geschreven in opdracht van Karel aan Clusius, die onlangs van Moerkerke naar Mechelen was verhuisd en op dat ogenblik bij Dodoens verbleef, vinden we een aanwijzing van hun samenwerking[lxxvi]. Hier laat Karel schrijven, dat hij het takje Thynus, dat Clusius hem heeft laten geworden, heeft doorgegeven aan Jacobus (vanden Coornhuuse)[lxxvii]om het te laten schilderen. Hij zal Clusius een kopie van de andere Thynus hispanicus, die hij in zijn collectie heeft maar die Clusius nog niet bezit, opsturen. Ook de afbeelding van de Arisarum, van een andere bloeiwijze, is in handen van de schilder.
Arisarum angustifolium II[lxxviii], in Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum Historia, Antwerpen, 1576, 305. en in de Rariorum plantarum historia, 1601, II, lxxiiij In de Spaanse Flora vinden we een Arisarum angustifolium II. De tekening ervan is de kopie van het blad A22 -38 uit de ‘libri’. Dit wijst in een gans andere richting. Het zou er kunnen op wijzen dat Karel, toen Clusius bij hem verbleef, de tekeningen voor de Spaanse Flora heeft laten tekenen en heeft bekostigd[lxxix]. Zo zijn er meer dan 90 tekeningen[lxxx] uit de ‘libri’ terug te vinden in de Spaanse Flora, waarin er 233 afbeeldingen staan. De Thyni zijn in de ‘libri’, niet te vinden, wat erop zou kunnen wijzen dat er nog meer tekeningen voor de Spaanse Flora in opdracht van Karel werden gemaakt[lxxxi]. Een merkwaardig gegeven is ook de manier waarop Clusius in zijn boeken bepaalde feiten omschrijft. Een voorbeeld is de beschrijving van de Arbor vitae. Hij beschrijft de boom in zijn Spaanse Flora (1576) op p. 96 o.a. als volgt: Conspecta mihi primum fuit in horto regio Fontainebelleau non procul Aurelia Gallorum, eo ex America Septemtrionali ora Canadas dicta delata, (nec ante Europae, vt existimo cognita) Gallorum imperium obtinente Franscisco hujus nominis primo, literatorum omnium summo Maecenate. Deinde apud doctissimum virum Nicolaum Rassium Regis chirurgum ceneberrimum, eundemque omnium Naturae miraculorum studiosissimum & peritissimum, qui primus eam mea opera Belgio communicauit, vbi nunc adeo frequens est, vt nullus sit rei herbariae studiosus, qui eam in suo horto non alat : … De naam Rassius hebben we vroeger reeds vermeld. In zijn brief van 21 12 1556 schreef Johannes Cruquius aan Clusius, die hem in naam van Karel van Sint Omaars had geschreven : Van de heer Rassius, die ik hoffelijk met jouw woorden heb gegroet, heb ik de vrucht van een Thuia, hetzij een tak van een Arbor vitae (door sommigen een Cedrus genoemd), samen met een aantal andere zaden die hij mij herhaaldelijk had beloofd, bekomen. Die zend ik samen met een brief naar de heer van Dranouter. In zijn boek legt Clusius uit dat Rassius hem vroeger de gegevens over de Arbor vitae heeft gegeven, maar we lezen hier dat het Cruquius is die de vrucht van de boom, die hij van Rassius had bekomen, aan Karel van Sint Omaars schonk. Clusius zegt daar niets van in zijn beschrijving. Verder zijn er ook nog een aantal aquarellen die dienst hebben gedaan als voorbeeld voor tekeningen op de houtblokken en er zijn ook nog elementen die werden gebruikt als voorbeeld voor tekeningen. Zo vinden we in zowel de Spaanse Flora (cap. xcviii) als in de Rariorum plantarum historia (II, cap. xxxv) van Clusius de Hemionitis peregrina. Voor dat houtblok heeft waarschijnlijk de A.18.055 als voorbeeld gediend. Beide begeleidende teksten bij de voorstellingen zijn zeer gelijkend[lxxxii]. Daarin zegt Clusius dat hij in 1566 (toen hij bij Karel verbleef) van de medicus Johannes Henricus uit Gent, toen deze uit Rome teruggekeerd was, bladeren van de Hemionitis peregrina en van de Phillitis laciniata heeft gekregen. Het zijn juist die bladeren die op de A.18.055 getekend staan. Uit de brief van Karel kunnen we ook afleiden dat Clusius, toen hij bij Karel verbleef, was begonnen met het schrijven van een boek over planten. Zonder zich te willen opdringen stelt Karel voor om het de naam Centuriae plantarum rariorum etc te geven, ingedeeld in honderdtallen, zodat het later mogelijk zou zijn om er meerdere honderdtallen aan toe te voegen. We vinden in een brief van Clusius aan Crato[lxxxiii], geschreven uit Brugge op 27 april 1566, een vermelding van een Plantarum Centuria, die Clusius, samen met een ander geschrift aan Crato hoopt te kunnen overhandigen op de volgende jaarmarkt te Frankfurt[lxxxiv]. Dit zou er kunnen op wijzen dat Clusius een project had opgezet om een boek over planten uit te geven en dat dit het project is geweest, waaraan Clusius heeft gewerkt gedurende zijn verblijf in Moerkerke. De Plantarum Centuria zou dus wel eens het klad kunnen zijn van de Spaanse Flora, de Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia (1576), waaraan Clusius heeft gewerkt, toen hij bij Karel verbleef, of zelfs de eerste geschriften van wat later zijn Rariorum plantarum historia (1601)[lxxxv] zou worden. Zoals we vroeger zagen, liet Karel de tekeningen maken, die moesten dienen als voorbeeld voor de houtblokken van het boek. Tot nu toe heeft men (H Wille, F Egmond e.a.) de tekst van de brief altijd geanalyseerd alsof het boek, waarvoor Karel de naam Centuriae plantarum rariorum etc voorstelde, een gezamenlijk project zou geweest zijn van Sint Omaars en Clusius met betrekking tot de aquarellencollectie van Karel. Ik denk dat men dit uit de tekst helemaal niet kan afleiden en dat het wel gaat om een project van Clusius dat niets te maken heeft met de aquarellencollectie. De geaquarelleerde planten waren toen geenszins ‘de plantis rarioribus vel nondum exhibitis’. Een aantal planten uit Karels’ collectie waren planten, die ook door anderen reeds waren gepubliceerd of beschreven en die ofwel hier in het wild groeiden, ofwel hier in de tuinen werden gekweekt. Er zijn maar 6 planten met een begeleidende tekst in de collectie, waarbij de tekst a nemine descript(a)(um) of exibita staat[lxxxvi]. Clusius de 'professionele hand' gaan noemen, zoals Wille, Ramon-Laca en Egmond doen in verband met de teksten op de bladen van Karel’s collectie, is meer dan twijfelachtig. Er zijn geen harde bewijzen die kunnen aantonen dat Clusius teksten heeft samengesteld. Er zijn er verschillende die duidelijk aantonen dat Karel het wel deed. En denken dat Clusius de teksten op de bladen heeft geschreven is hem weinig eer aandoen. Paleografisch onderzoek bewijst ook duidelijk dat het handschrift op de bladen niet overeenstemt met het handschrift van Clusius. Verder kan men zich de vraag stellen hoe het komt dat de naam Clusius nergens in de teksten voorkomt (buiten 2 x: bij de zoete aardappel en bij de tabaksplant, maar dit zijn twee annotaties die later werden toegevoegd). Indien hij de teksten zou samengesteld hebben en de namen van de planten zou bepaald hebben, dan zou hij toch zijn naam erbij geplaatst hebben. Alhoewel Clusius in zijn latere boeken veel namen aan planten heeft gegeven, die afwijken van de namen die door de eigentijdse botanici werden gegeven, heb ik totnutoe geen enkele van de door hem gegeven namen op de platen van Karel’s collectie kunnen vinden. Als hij de aquarellen geannoteerd zou hebben, dan zou hij toch ook wel de namen gegeven hebben, die hij ook in zijn boeken aan de planten heeft gegeven. Onderzoek bewijst het tegendeel. Een voorbeeld is het blad A.25.009. Daarop staat voor de Dianthus armeria de naam Vettonica silvestris. Clusius geeft aan deze plant de naam Armerius simplici flore. Een ander voorbeeld is A28.112 met een Lychnis (?), die Behen parvum album wordt genoemd. In de Spaanse flora noemt Clusius de plant Lychnis silvestris en schrijft dat de mensen van Salamanca de plant Behen noemen. Ook verschillende uitheemse planten, waarvan er wel aquarellen bestaan, komen noch in de Spaanse Flora, noch in de Rariorum plantarum historia voor. De manier waarop de planten op de aquarellen worden beschreven zijn volledig verschillend van de manier van beschrijven, die Clusius in zijn boeken gebruikt. Op de aquarellen staan de namen in het Grieks, het Latijn, en in het Italiaans, het Duits, het Frans en het Nederlands en soms ook in het Vlaams; bij Clusius niet. Op de aquarellen worden de namen van de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ botanici, die de plant reeds eerder hadden beschreven, vermeld; bij Clusius niet. Bij de planten, die in de tuin groeien, geeft Clusius regelmatig de uitleg hoe ze bij ons zijn terechtgekomen en wie ze hierheen heeft gestuurd of meegebracht; nergens op de aquarellen staat er zo een verwijzing. Clusius schrijft nergens dat hij ooit aan de collectie heeft meegewerkt. Bepaalde beschrijvingen van planten bij Clusius verschillen volledig van die op de aquarellen (zie later een markant voorbeeld). Op geen enkele van de tekeningen die voor de Spaanse Flora van Clusius werden gemaakt staat er een tekst. Indien Clusius de teksten voor de collectie had samengesteld dan had hij dit ook zeker gedaan voor de tekeningen in de collectie, gezien hij het ook deed voor zijn eigen werk, zoals we konden lezen in de brief van Karel van 14 december 1567. Bij sommige beschrijvingen staat er ‘in onze tuin’, wat wijst op Karel’s tuin. Ik kan me niet voorstellen dat Clusius dit zo zou vermelden (bvb. Hoc primo anno quo in horto nostro satúm erat, hac / magnitudine excreuit. Secundo vero anno duplo aut / amplius excelsiori caule sese extulit). Even terzijde wil ik er hier ook op wijzen dat de planten die Clusius later in zijn boeken heeft beschreven vanuit Vlaanderen uitheemse planten zijn. In zijn Spaanse Flora beschrijft hij planten uit Spanje, in zijn Rariorum aliquot stirpium per Pannoniam, Austriam, et vicinas quasdam provincias observatarum historia uit 1583 beschrijft hij planten uit Oostenrijk enz. en zijn Rariorum plantarum historia (1601) is voor het grootste deel een compilatie van beide, aangevuld met een klein aantal ( een veertigtal) inheemse planten. Al deze gegevens zijn geenszins bewijzen dat Clusius de professionel hand is geweest. Nog een ander bewijs vind ik bij Clusius zelf. In zijn Rariorum plantarum historia (1601) schrijft Clusius op blz. 314 in verband met een Gentiana: …, humentibus ericetis secundo ab urbe Brugensi miliari, inter Maldeghemum & Malam, frequentissima, ubi eam (niveo etiam flore variantem aliquando conspexi) cum Pseudoasphodelo luteo, folio Xiphij, Roréque Solis duorum generum eruere memini. (...ik herinner mij dat ik in de vochtige heide aan de tweede mijlpaal vanaf de druk bevolkte stad Brugge, tussen Maldegem en Male, die (Gentiaan) samen met een Pseudoasphodelus en zonnedauw van beide soorten heb gevonden, (ook de variant met sneeuwwitte bloemen had ik eerder waargenomen) Op een andere plaats had hij reeds vermeld: ASPHODELVM porro illum flavo flore palustrem, cujus Dodonaeus & Lobelius in suis scriptis meminerunt, vel potius Pseudo-asphodelum (…) Xyphij folijs aut tenuifoliae Iridis, aliquando eruebam in palustribus illis ericetis Maldeghemo vicinis secundo à Brugarum urbo Flandriae celeberrimi, miliari, Maio mense cum Ill. Viro Carolo à Divo Audomaro, Dn. de Dranoutre, Moerkercke, &c. curru vectus relaxandi animi gratià, altero a meo ex Hispanijs reditu anno. (De Asphodelus palustris met goudgele bloem, die Dodoens en Lobelius elk in hun boek vermelden, maar het zou wel de Pseudo-asphodelus met bladeren zoals de Xyphis of kleinbladig zoals de Iris kunnen zijn, heb ik op een dag in de moerassen van de heide aan de tweede mijlpaal langs de weg tussen Maldegem en het zeer bevolkte Brugge in Vlaanderen in de maand mei gevonden, toen ik samen met de illustere man Karel van Sint Omaars, heer van Dranouter, Moerkerke, &c., om uit te rusten met de koets werd rondgereden, het jaar nadat ik uit Spanje was teruggekeerd.) Hier lezen we duidelijk dat Karel van Sint Omaars en Clusius (in 1566) samen in de streek rondreden en ook planten zochten. Wat nu opvalt bij de aquarellen is dat de door Clusius beschreven vondst nergens wordt vermeldt. Waar op verschillende bladeren duidelijk de vindplaats in de omgeving van Moerkerke wordt aangegeven, vinden we degene die Clusius in zijn boek beschrijft op geen enkel blad. Indien hij de professionele hand zou geweest zijn, zou hij dit belangrijk gegeven toch zeker vermeld hebben, gezien hij het nog doet in 1601, meer dan dertig jaar later. Op het blad A18.001v met de twee drosera-soorten staat alleen MVSCVS VVLGATISSIMUS ROS SOLIS FOLIO ROTVNDO (naar analogie met de beschrijving van Dodoens in zijn beschrijving van 1563). Lobelius vermeldt ook Karel van Sint Omaars bij de beschrijving van zijn Witte affodille incarnaet in zijn Kruydtboeck (1581). Hij schrijft dat Karel er een aquarel van heeft laten schilderen door Jacob vanden Coornhuuse. Het gaat hier hoogstwaarschijnlijk om A22.022, waarbij de enige tekst ASPHODELVS / ex candido púrpúrascens is. Bij verder onderzoek naar deze Asphodelus vond ik het volgende. Dodoens vermeldt niet alleen deze plant, maar beschrijft ze ook. In de Epilogus ad lectorem van zijn Florum et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia (1568) schrijft hij : Hvivs autem historiae editionem dum paramus, duarum ecce rarissimarum stirpium, & ad hanc operis partem pertinentium, ad nos icones dantur, Chrysanthemi videlicet Peruniani, & Afphodeli palustris. Chrysanthemi Peruniani nobis communicauit integerrima ac honestissima domina Chriftina Bertolfia, a charissimo coniuge suo clarissimo ac amplissimo viro D. Ioachimo Hoppero[lxxxvii] Regis consiliario ex Hispania sibi missam. Asphodeli autem palustris, misit multis modis ornatissimus ac nobilissimus D. Carolus S. Audomaro, dominus de Dranoutre, vir non modo stirpium, verum & historiae animalium omnium studiosissimus, idemque peritissimus. Vtramque autem huic libro, coronidis vice addendam putauimus. Nequaquam enim tam celebris & admirandae magnitudinis floris imago; aut tam peregrini Asphodeli, praetermittenda videbatur. In zijn Stirpium historiae pemptades sex sive libri XXX noemt hij de plant Asphodelus luteus palustris. Hij beschrijft de plant op dezelfde manier en zegt dat de plant in sommige heidegebieden in Vlaanderen te vinden is en ze in de zomer bloeit. Hij voegt er nog aan toe : Asphodeli lutei esse palustrem speciem, aut Pseudoasphodelum luteum, caulis cum floribus ostendit, tametsi folia Gladioli sint aut Iridis. Bij Lobelius staat dezelfde afbeelding in zijn Kruydtboeck (1581) en hij beschrijft de plant als volgt: Water Affodille met gele bloemen. In Latijn / Asphodelus, minimus luteus, Acorifolius palustris. Dit cruydt is voorts commende op vochte ende waterachtighe plaetsen in Enghellandt ende Vlaenderen ende wt een wtghespreydde safelachtighe ende grasachtighe wortelde welcke heeft niet zeere dickachtighe aenhancksels / tusschen spatien. De bladers spruyten smalder dan die vanden Gladiolus oft Acorus, doncker groen ende gestreept. De stele is van onderhalue palme / van gewas / grootte fatsoen ende saedt in fleskens / die vanden Iacynthe ghelyck. Karel van Sint Omaars had de vondst belangrijk genoeg gevonden om er een aquarel van te laten schilderen en om bevriende botanici op de hoogte te stellen van zijn vondst. Dodoens vond de vondst ook zo belangrijk dat hij er een artikel met afbeelding in de epiloog van zijn boek aan wijdde. Dezelfde afbeelding werd in 1601 ook door Clusius gebruikt. Dit werpt niet alleen een licht op de contacten tussen Sint Omaars en Dodoens en op de achting van Dodoens voor Sint Omaars, maar ook op de manier waarop Clusius de zaken interpreteert. Waar we zien dat Sint Omaars Dodoens verwittigt van zijn vondst, hem een beschrijving[lxxxviii] en een kopie van zijn aquarel stuurt, zien we anderzijds dat Clusius de vondst later, bij zijn eigen beschrijving, naar zich toe trekt.
Wat wel opvalt, is dat de plant bij Karel niet bij de asphodeli terug te vinden is, maar wel bij de sparganii. De tekst bij A26.025, waarop twee planten geaquarelleerd staan, luidt: Forte SPARGANIVM DIOSCORIDIS / multúm ad eius descriptionem accedent. Dit betekent dat zowel Dodoens, Lobelius als Clusius de plant anders hebben geinterpretteerd. Dit toont ook aan dat de tekst op de aquarel niet van Clusius kwam, gezien hij veertig jaar later de plant nog altijd een pseudoasphodelus noemt en niet een sparganium. In feite gaat het om een Narthecium ossifragum (L.) Huds. die evenals de Asphodelus deel uitmaakt van de Leliefamilie. Beenbreek is nu in Vlaanderen een zeldzame soort, die licht achteruitgaat. De soort is haast volledig beperkt tot de Kempen (Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, 2006).[lxxxix] Het is wel niet altijd zo eenvoudig om het verband tussen de houtblokken en de aquarellen te analyseren. Een voorbeeld hiervan is het blad A26.033v met voorstellingen van Anemonen. De tweede anemoon is de Anemone coronaria L. Een kopie van deze voorstelling vinden we terug bij Dodonaeus in zijn Florum, et coronariarum odoratarumque nonnullarum herbarum historia (1568), alsook bij Clusius in zijn Spaanse Flora (1576).
De begeleidende tekst op A26.033v is de volgende: ANEMONE CORONARIA Dodonei / Nascitur sponte in Germania circa Rhenúm. / Floret mensibus Martio atque Aprili. Dodoens schrijft bij de Anemone met dezelfde afbeelding o.a. : Nascitue haec in Germania nonnullis circa Rhenum locis. Floret non primo Vere, sed serius. Clusius schrijft bij de Anemone latifolia altera, ook met dezelfde afbeelding : Eam nonnullis Germaniae locis secundum Rhenum in aprico florentem Martio vidi. De afbeeldingen en de teksten tonen duidelijk aan dat het om dezelfde anemoon gaat. Dodoens geeft zijn beschrijving in de Epilogus ad lectorem, juist voor de beschrijving van de Asphodelus, waarvan Karel van Sint Omaars hem een afbeelding heeft gestuurd (zie hiervoor), maar hier geeft hij geen uitleg bij de afbeelding. Clusius legt in zijn inleiding uit dat hij de afbeelding van de anemoon van Dodoens gebruikt, maar schrijft niets over de origine aquarel op A26.033v. Het is toch verwonderlijk dat noch Dodoens, noch Clusius naar Karel verwijzen. Interessant in deze context zijn ook de beschrijvingen van de zonnedauw in de boeken van Dodoens en Lobelius, alsook de houtblokken, die werden gesneden voor deze boeken. Bij Dodoens komt de zonnedauw in de eerste uitgave van zijn Cruydeboeck (1554) voor en wordt beschreven als zijnde een mos. In de uitgave van 1563 wordt de zonnedauw ook beschreven als zijnde een mos, met een afbeelding, maar niet één uit de Libri. In zijn Purgantium aliarumque … uit 1574 beschrijft hij de Ros solis als zijnde een kruid met de afbeelding van de ronde zonnedauw van het blad A18.001v. In de uitgave van de Stirpium historiae pemptades sex uit 1616 wordt de Ros solis beschreven met een andere afbeelding. Deze afbeelding is een kopie van de kleine zonnedauw op het blad A18.001v van de Libri. Ook Lobelius beschrijft de zonnedauw in zijn Kruydtboeck uit 1581. Hier staan er afbeeldingen van de ronde en de kleine zonnedauw. Hier is die van de Ronde zonnedauw een kopie van die zonnedauw op het blad A18.001v.
Een ander gegeven is de manier van annoteren. Op de meeste geannoteerde aquarellen worden, zoals we al zagen, ook eigentijdse auteurs vermeldt bij de naamvermelding van de plant, maar nooit Clusius. De manier van naamgeving, zoals Clusius zeer veel gebruikt in zijn Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia van 1576, die hij in de periode dat hij bij Karel verbleef heeft geschreven, vinden we nergens bij de naamgeving op de aquarellen terug. Clusius gebruikt zeer veel een naam aangevuld met een cijfer ( bvb. Ledon I, II, III, IV, V, …; Aristolochia clematitis I, II, III, …; Arisarum I, II,…). Deze soort annotatie vinden we op de aquarellen nergens, wat nogmaals vragen doet rijzen bij de bewering dat Clusius de professional hand zou geweest zijn. Zoals we vroeger zagen zijn er wel zes teksten op de aquarellen die met grote waarschijnlijkheid in verband kunnen gebracht worden met Clusius. De teksten op de aquarellen zijn zeer gelijkend aan die in Clusius’ Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia van 1576, maar het gaat hier wel om 6 teksten op meer dan 1800.[xc] Een onrechtstreeks bewijs zijn ook de teksten in Lobelius’ Kruydtboeck uit 1581. Bij de beschrijving van verschillende planten refereert Lobelius naar Karel van Sint Omaars of naar Clusius, maar bij geen enkele van deze vermeldingen refereert hij naar beide samen. Conclusie In het algemeen kunnen we hier concluderen dat het belangrijkste deel van de Libri picturati A.18-30(31)[xci] zonder twijfel de aquarellencollectie van Karel van Sint Omaars is, gecreëerd te Moerkerke in Vlaanderen; dat Clusius aan de al bestaande collectie misschien wel heeft meegewerkt toen hij bij Karel verbleef tussen 1565 en 1567, maar dat hij in elk geval de auctor intellectualis niet is geweest en de teksten niet heeft geschreven. De eigenlijke collectie werd hoofdzakelijk geschilderd door Jacob vanden Coornhuuse. Het merendeel van de tekeningen (niet de aquarellen) die zich in de collectie bevinden werden gemaakt in opdracht van Karel voor de Spaanse Flora van Clusius. Het is de oudste natuurgetrouwe botanische collectie die er bestaat. Het is de oudste, zuiver botanische collectie der Nederlanden[xcii]. Het is ook, naar mijn weten, de enige collectie uit die tijd, waarin de plantnaam in zes talen – Grieks, Latijn, Italiaans, Frans, Duits en Nederlands (en ook soms het Vlaams) - wordt beschreven. Het is ook de oudste bestaande collectie, die zowel uit planten als uit dieren is samengesteld, waaronder ook enkele bladen van insecten, wat voor de tijd ook uitzonderlijk was. Karel van Sint Omaars is ook de eerste botanicus geweest die de naam van de plant liet volgen door die van de naamgever. Ook de voorstelling van bv. bomen en struiken, waar in dezelfde eenheid én bloem én vrucht worden voorgesteld, is enig voor zijn tijd. Karel van Sint Omaars heeft niet alleen een buitengewone botanische en zoölogische aquarellencollectie nagelaten, maar heeft ook een in de context van die tijd uitzonderlijke studie nagelaten. Verschillende planten worden er voor de eerste maal voorgesteld. Verschillende planten worden in deze studie ook voor de eerste maal beschreven. Het is ook voor de eerste maal dat in een studie zo veel maritieme planten worden beschreven. Daarvoor alleen al is deze collectie uitzonderlijk.[xciii] Het is dan ook normaal dat de Libri picturati A.16-30(31), die in de jaren 1560-1568 in Vlaanderen werden gecreëerd en die zich nu te Krakau bevinden, voortaan de Karel van Sint Omaarscollectie (of Charles de Saint Omer) worden genoemd en niet meer de Clusius- of de Clutiuscollectie. Men zou ook kunnen overwegen om het de Sint Omaars – Coornhuusecollectie te noemen. Ere aan wie ere toekomt! Waar Florike Egmond eindigt met te zeggen Clusius stimulated and may even have triggered Saint Omer’s interest in naturalia, and it is likely that he encouraged Saint Omer to have his botanical watercolours published …, zou ik durven beweren dat het juist het omgekeerde is geweest. Dank zei zijn verblijf bij Karel van Sint Omaars, waar Clusius voor het eerst een botanische tuin in volle glorie kon bewonderen en waar hij van Karel’s hovenier veel meekreeg, is hij later de kenner geworden. Dank zei de vrijgevigheid van Karel heeft hij zijn Spaanse flora kunnen voorbereiden en de tekeningen kunnen verwerven, die later in houtblokken werden omgezet. Zonder zijn ontmoeting met Karel zou hij misschien nooit de botanicus zijn geworden, die hij later werd. Dank zij de contacten die hij als secretaris van Karel van Sint Omaars en later van Brancion met geïnteresseerden in de botanica had, kon hij de grondslag leggen van wat later zijn netwerk zou worden. Clusius had in elk geval een hogere dunk van de botanische kennis van Karel, dan wat Florike Egmond laat doorschijnen. Hij noemt hem generoso Dn. Carolo a Diuo Audomaro, viro rei herbariae, et omnium naturae miraculorum studiosissimo et peritissimo. Ook Dodoens, Lobelius en Guicciardini hebben hem geroemd.
REFERENTIES AB ORTA, G., 1567 Aromatum et simplicium aliquot medicamentorum apud Indos nascentium historia, Ed. trans. Clusius, Antwerpen, C. Plantijn, Pp 250. AUMULLER, A., 1983 Erste Durchsicht und erster Plan einer wissenscheftlichen Auswertung der Libri picturati von Clusius in Krakau. Bürgenlandische Heimatblätter, 45, 97-105. BAUHIN, C., 1623 Pinax Theatri Botanica, Bazel, Pp 568. BOCK, H., 1539 New Kreutterbuch von unterscheidt, wÿrckung und namen der Kreutter, so in Teutschen landen wachsen. Brasil-Holandês. Dutch Brazil. 1995 5 Vols., Rio de Janeiro, Editora Index. Vol I pp 222; Vol II pp 192; Vol. III pp 144; Vol. IV pp 185; vol. V pp 214. BRUNFELS, O., 1532 Herbarum viuae eicones ad naturae imitationem... Argentorati : apud Ioannem Schottu[m], CLUSIUS, C. (ESCLUSE, Charles de l’),1576 Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum historia, Antwerpen, C. Plantijn, Pp 541. CLUSIUS, C. (ESCLUSE, Charles de l’), 1583 Rariorum aliquot stirpium per Pannoniam, Austriam, et vicinas quasdam provincias observatarum historia, Antwerpen, C. Plantijn, Pp 766. CLUSIUS, C. (ESCLUSE, Charles de l’), 1601 Rariorum plantarum historia, Antwerpen, Jan I Morenus, Pp 364. CLUSIUS, C. (ESCLUSE, Charles de l’), 1605, Exoticorum libri decem: quibus animalium, plantarum, aromatum, aliorumque peregrinorum fructuum historiæ describuntur Leiden, Ex Officine Plantiniana Raphelengii, Pp. 736. CORDUS, V., 1561 Annotationes in Pedacii Dioscoridis Anazarbei de medica materia, Ed. C. Gessner, Straatsburg, Pp 632. DALECHAMPS, J., 1586-1587 Historia generalis plantarum, Lyon, Guillaume Roville, Vol I, Pp 1107; Vol II, Pp 939. DE GROOTE, J., 2006 Jacob vanden Coornhuuse painting, Newsletter SHNH 86 : 17. DODOENS, R., 1554 CruydeBoeck, Antwerpen, J. vander Loe, Pp 878. DODOENS, R., 1557 Histoire des plantes, en laquelle est contenue la description entière des herbes (vertaald C. de l’Escluse), Antwerpen, J. Loë, Pp 648. DODOENS, R., 1563 CruydeBoeck, Antwerpen, J. vander Loe, Pp 774. DODOENS, R., 1566 Frumentorum, leguminum, palustris et aquatilium herbarum, ac eorum, quae eo pertinent, historia, Antwerpen, C. Plantijn, Pp. 277. DODOENS, R., 1568 Florum, et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia, Antwerpen, C. Plantijn, Pp 308. DODOENS, R., 1574 Purgantium aliarumque eo facientium, tum et Radicum, Convolvulorum ac deleteriarum herbarum historiae, Antwerpen, C. Plantijn, Pp. 512. DODOENS, R., 1586 Stirpium historiae pemptades sex, Antwerpen, B & J Moretus, Pp. 926. EGMOND, F., 1997 Een bekende Scheveninger. Adriaen Coenen en zijn Visboeck van 1578. Scheveningen, Museum en Centrum voor Familiegeschiedenis. Pp 173. FUCHS, L., 1543 New Kreüterbuch, Bazel, Michael Isingrin, Pp 896. GESSNER, C., 1561 Hortis Germaniae, in: zie CORDUS, V. GUICCIARDINI, L., 1567, Descrittione di Tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania Inferiore. Willem Silverius, Antwerpen. 1567, Description de tovts les Pays-Bas autrement appellez la Germanie inferievre ov Basse Allemagne par Messire Loys Gvicciardin gentil-homme florentin, Willem Silverius, Antwerpen. HOUTTUYN, J. 1773-1778 Handleiding tot de plant- en kruidkunde, II, 7: 64 en 639-940. HUNGER, F.W.T., 1927- 1943 Charles de l'Escluse (Carolus Clusius) Nederlandsch Kruidkundige, 1526-1609. Vol. 1, Den Haag, Martinus Nijhoff. Pp 446, Vol 2, Pp JUNIUS, H. (Adriaan de Jonghe), 1564, PHALLI, Ex fungorum genere in HOLLANDIÆ sabuletis passim crescentis descriptio, & ad vivum expressa pictura, Herman Schinckel te Delft. KONING, J. de, UFFELEN, G. van, ZEMANEK, A. & ZEMANEK, B., Editors, 2008 Drawn after Nature, The complete botanical watercolours of the 16th-century Libri picturati. KNNV Publishing, Zeist, Pp. 368. KÜNKELE, S. und LORENZ R., 1990 Die Orchideen in dem Bilderwerk des Carolus Clusius (Libri picturati A. 16-31) Mitt.Bl.Arbeitskr.Heim.Orch.Baden-Württenberg, 22: 541-691. LEIDEN, UB, 2005, Scaliger insituut , Clusius- project LOBELIUS (OBEL, Matthias de l’), 1576 Plantarum seu stirpium historia, Antwerpen, C. Plantijn, Pp 1123. LOBELIUS (OBEL, Matthias de l’), 1581 Kruydtboeck, Antwerpen, C. Plantijn, Pp 1395. LOUIS, A., Mathieu de l’Obel, 1538-1616. Episode de l’Histoire de la Botanique, Gent-Leuven, 1980, Pp 544. MARCHANTIUS, J., 1596, Flandria commentariorum lib. IIII. descripta. Antverpiae, ex officina Plantiniana, apud viduam & Ioannem Moretum, in-8, Pp [16],422 [2]. MATTHIOLI, P., 1554 Commentarii in libros sex Pedacii Dioscoridis Anazarbei de medica materia, Venetië, Vincentius Valgrisius, Pp 758. MATTHIOLI, P., 1572 Commentaires de M Pierre André Matthiole medecin senois sur les six livres de Ped. Dioscoride, Trans. J. de Moulins, Lyon, Guillaume Roville, Pp 982. MONARDES, N., 1574 De simplicibus medicamentis ex Occidentali India delatis, quorum in medicina usus est Ed. et trans. Clusius, Antwerpen, C. Plantijn, 88 Pp. NAVE, F. de,.coör., 1993 De Botanica in de Zuidelijke Nederlanden ( einde 15de eeuw – ca. 1650), Antwerpen 93, Museum Plantin-Moretus, Snoeck-Ducaju & zoon. Pp 150. PENA, P., & LOBELIUS (OBEL, Matthias de l’), 1570 Stirpium Adversaria Nova : perfacilis Vestigatio, luculentaqne [recte: luculentaque] accessio ad Priscorum, praesertim Dioscoridis & Recentiorum, Materiam Medicam ; Quibus Propediem Accedet Altera Pars ...Londini, 1570 [i.e. 1571]. - Titelbl. (illustr.), [12], Pp 455. PIETRZYK, Z., 2005 Book collections from the former Preussische Staatsbibliothek in the Jagiellonian Libraly, Polish libraries today, National library Warsaw, 81-87. RAMÓN-LACA, L. 2001 Charles de l’Ecluse and Libri Picturati A. 16-30. Archives of natural history 28: 195-243. RUEL, J., 1550 Pedanii Dioscorodis Anazarbei De medicinali material libri sex, Ioanne Ruellio Suessionensi interprete, Lyon, B. Arnolet, Pp 806. SANDERUS, A. (SANDERS, A.), 1624 De scriptoribus Flandriae libri tres, Antwerpen, G. a Tongris, Pp 160, [8]. SWAN, C.,1998 The Clutius botanical watercolors. Plants and flowers of the Renaissance. New York, Harry N. Abrams. Pp 143. SWAN, C., 2000 TV-interview in Secret of the winter garden, BBC-programma over de Renaissance (www.open2.net/historyandthearts/arts/wintergarden_synopsis.html ) VAN LANDUYT, W., HOSTE, I., VANHECKE, L., VAN DEN BREMT, P., VERCRUYSSE, W. & DE BEER, D., 2006, Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, INBO, Nationale Plantentuin van België, Fol.Wer, Pp 1008. WEGENER, H., 1936 Das grosse Bilderwerk des Carolus Clusius in der Preussischen Staatsbibliothek. Forschungen und Fortschritte 12: 374-376. WEGENER, H., 1938 Die wichtigsten Natur-Wissenschaftlichen Bilderhandschriften nach 1500 in der Preussischen Staatsbibliothek. Zentralblatter für Bibliothekwesen 55, 3: 109-120. WHITEHEAD, P.J.P., 1983 The treasures at Grûssau, New Scientist 94: 226-231. WHITEHEAD, P.J.P., VLIET, G. van, and STEARN, W.T.,1989 The Clusius and other natural history pictures in the Jagiellon Library, Kraków. Archives of natural history 16:15-32. WILLE, H., 1997 The albums of Karel van Sint Omaars (1533-1569) (Libri Picturati A 16-31, in the Jagiellon library in Krakow). Archives of natural history 24: 423-437. WILLE, H., 1997 De Brugse Centuriae plantarum rariorum in Krakau teruggevonden. De botanische belangstelling van Karel van Sint Omaars in Moerkerke tijdens de 16de eeuw, Uitgelezen bloemen, tentoonstellingscatalogus Brugge, Openbare bibliotheek de Biekorf, 15 nov 1997 – 10 jan 1998: 19-34. ZEMANEK, A. en KONING, J. de, 1998 Plant illustration in the Libri Picturati (A.18-30) (Jagiellon Library, Cracow, Poland) and new currents in Renaissance Botany. Polish Botanical Studies, Guidebook Series 20: 161-193 ZEMANEK A., UBRIZSY SAVOIA A. & ZEMANEK B., 2007 The beginnings of ecological thought in the Renaissance: an account based on the Libri picturati A. 18–30 collection of water-colours. Archives of natural history 34:87–108. [i] J MARCHANTIUS, Flandria commentariorum lib. IIII. descripta. Antverpiae, ex officina Plantiniana, apud viduam & Ioannem Moretum, 1596, in-8. [ii] Marchantius schrijft over Karel : Quidquid rariorum piscium mare, fluvii, lacus : quidquid notabilium avium aër, silvae, stagna: quidquid herbarum: quidquid etiam lapidum usu aut raritate insignium tellus Flandrium producit … omnia luculente nobis expressisset, nisi … praematuro exitu, huic patriae funestissimo desiderio, exitioque praevertisset, Carolus a Mourbeka Drenoutrius, emissarios investigationi, omnigenas herbas usui, peritum pictorem memoriae et oblectamento impense nutriebat, in suo ad flumen Liviam Moerkercano: legatisque Lovaniensi medicorum collegio simplicium perspectorum, florisissimeque effictorum quatuor voluminibus, et Gesneri de Lapidibus, seque bona illius opera usum, scribendis commendatione celebris documentum statuit, quam pronus esset doctorum studiis adjuvendis, quam appositus Flandriae illustrandae. (p. 27-28). Dit werd mij gemeld door Paul Van den Bremt. [iii] Zie ‘Sint-Omaers’ in www.tzwin.be [iv] L GUICCIARDINI, Descriptione di tutti i Paesi Bassi, Antwerpen, G Silvius, 1567 ; Description de tovts les Pays-Bas autrement appellez la Germanie inferievre ov Basse Allemagne par Messire Loys Gvicciardin gentil-homme florentin, Re-imprimé à Campen chez Arnoud Benier, pour Henry Laurents Libraire demeurant à Amsterdam sur l’eau 1641. [v] LOBELIUS, Kruydtboeck, 1581, I/968 [vi] In de staat van goederen van Karel van Sint Omaars staat er: A Me franchois rapaert docteur en medecine pour ses gaiges voyaiges visitations faictes audict Sr deffunct suyuant son billet la somme de xxvij lb vj s t. [vii] Leiden, UB, VUL 101, Franciscus Rapardus, CLUY273-001 (zie Bijlage) [viii] Een andere belangrijke aquarellencollectie uit dezelfde periode (1570-1590) is die van Ulisse Aldrovandi (1522-1605), Biblioteca Universitaria de Bologna. Die is wel veel minder natuurgetrouw. Zie: [ix] RAB, Familiearchief, 367, transscriptie Jacques De Groote 03 2002 [x] Marchantius vermeldt in zijn Flandria commentariorum lib. IIII. Descripta 4 volumes (… quatuor voluminibus). In zijn De scriptoribus Flandriae (1624) vermeldt ook Sanderus 4 boeken (…quatuor volumina elegantissime depicta). [xi] H WILLE, The albums of Karel van Sint Omaars (1533-1569) (Libri picturati A. 16-31, in the Jagiellon Library in Krakow), Archives of Natural History, 1997, 24 (3), 423-437; H WILLE, De botanische belangstelling van Karel van Sint Omaars in Moerkerke tijdens de 16de eeuw: De Brugse Centuriae plantarum rariorum in Krakau teruggevonden, in Tentoonstellingscatalogus ‘Uitgelezen bloemen’, Brugge, De Biekorf, 15 nov 1997 – 10 jan 1998 ; L RAMON-LACA, Charles de l’Ecluse and the Libri picturati A. 16-30, Archives of Natural History, 2001, 28 (2), 195-243; F EGMOND, The Clusius / Saint Omer collection. The origins of the 16th-century botanical and zoological watercolours in Libri Picturati A. 16-30 (onuitgegeven). F EGMOND, Clusius, Cluyt, Saint Omer, The origins of the sixteenth century botanical and zoological watercolours in Libri picturati A. 16-30, Nuncius spogli - analytical entries, A. 20, vol. 1 (2005), p. 11-67. [xii] De ‘libri picturati’ te Krakau bestaan uit veel meer nummers, maar de andere delen zijn van latere datum, waaronder bvb. de A.32-37 over Braziliaanse natuurkunde, die worden gekoppeld aan Johann Moritz von Nassau-Siegen (1604-1679). Van deze ‘libri’ is er een facsimile uitgave onder de naan Brasil-Holandês. Theatrum rerum naturalium Brasiliae : icones animalium & Icones veetabilium [digestus a Christiano Mentzelio]. – Rio de Janeiro : Ed. Index, 1995, 239 p., ISBN: 85-7083-047-5. De 16 boeken ( 13 met planten en 3 met dieren) komen overeen met de XVI Tomi tam Animalium, quam Plantarum ex Bibliotheca Cancellarii Weinmanni uit de handgeschreven catalogus van de Preussischer Staatsbibliothek (in 1668 samengesteld door de eerste bibliothecaris Johann Rawe) [xiii] Zie bvb. A.31-09, waar de crocus van dezelfde hand is als die op A.30-67. [xiv] Guido was de broer van Marcus Laurinus, heer van Watervliet. Hij verbleef regelmatig bij Karel op het kasteel te Moerkerke. [xv] Hunger, Charles de l’Escluse, 1927, I/408. Zie Bijlage II. Als we even stilstaan bij de datum en de plaats van waaruit de brief werd verzonden, namelijk 25 november 1564 vanuit Moerkerke, dan zouden we kunnen concluderen dat Guido Laurinus toen op het kasteel van Moerkerke verbleef en dat Karel al uit den Haag was teruggekomen, waar hij een half jaar had verbleven voor een proces, dat echter maar op 22 december 1464 werd beëindigd. [xvi] Ik wil hier Jan Lavaert bedanken voor zijn hulp bij het vertalen van de Latijnse teksten. [xvii] Er moet in deze context ook gewezen worden op het feit dat de enige data op bepaalde bladen van de aquarellencollectie 1564 (3x planten) en 1565 (1 x hond) zijn. [xviii] Florike Egmond beweert in haar artikel: Although we know that Clusius knew of Saint Omer before Clusius’ departure for Spain – since Clusius sent seeds from Spain to his friend Guy Laurin in Bruges with the instruction to pass them on to Saint Omer for safe keeping (in November 1564) – we have no evidence that Saint Omer had started collecting watercolours before he met Clusius. Had ze de brief maar verder gelezen! Uit de brief kan men ook opmaken dat Guido Laurinus bij Karel verbleef en niet in Brugge. [xix] Op vele geannoteerde bladen wordt er in eerste instantie naar Dioscorides gerefereerd. [xx] Het feit dat ze de bladeren ordenen volgens Dioscorides interpreteert Florike Egmond als een bewijs dat er nog geen grote collectie bestond en zeker geen boek. De collectie is nooit een boek geweest en heeft alleen bestaan uit losse bladeren, die pas in de 17de eeuw in boeken werden gebracht. [xxi] Aan de hand van de brieven, die naar Clusius werden gestuurd door zijn correspondenten in de periode dat hij bij Karel verbleef (Leiden, UB, VUL 101), kunnen we zijn bewegingen reconstitueren. Wanneer hij uit Spanje naar de Nederlanden terugkeert in 1565 vereblijft hij een tijdje in Antwerpen. In september komt hij bij Karel wonen. Karel woont op het kasteel in Moerkerke en in zijn stadspaleis in Brugge. Hij verblijft in de zomer in Moerkerke en in de winterperiode meestal in Brugge. In december 1565 is Clusius in Antwerpen. In januari 1566 is hij al terug in Brugge. In april gaat hij weer naar Antwerpen en vanaf mei vinden we hem terug in Moerkerke, waar hij in de zomer blijft. Na de zomer is hij tot in maart 1567 in Brugge. Het zou kunnen dat Karel in augustus naar Brugge verhuisd is omdat de beeldenstorm over het Vrije raasde. In elk geval zijn ze in april 1567 in Moerkerke terug, maar ondertussen is Clusius in maart naar Mechelen geweest. Op het einde van de zomer gaat Clusius weer naar Antwerpen en in september naar Mechelen (bij Dodoens?). In november is hij dan nog een korte periode terug in Brugge en in Moerkerke. Hij verlaat Karel dan definitief en verhuisd naar Mechelen. Op 14 december stuurt Karel hem een brief uit Moerkerke naar Dodoens, waar hij eerst verblijft om dan in te trekken bij de heer van Brancion, waar hij ook enkele jaren zal verblijven. [xxii] Karel had niet alleen een tuin in Moerkerke, ook in zijn stadswoning in Brugge was er een tuin. In Lobelius’ Kruydtboeck, 1581, I/51 lezen we bij de beschrijving van Turks Koren (Maïs): Dit groot Turcks-koren wordt in Nederlandt min ghevonden / Nochtans heeft ouerlanck gegroeyt in Brugghe in thuys van Praet aen de Coninck brugghe omtrent t’Jaer M.D.lxvij. met halmen twee mans lengden hooghe /. Het huis van Praet was de woning van Karel van Sint Omaars. (zie bijlage) [xxiii] Bij een groot aantal geannoteerde bladen staat er dat de plant bij ons in de tuin groeit. We kunnen ervan uitgaan dat de meeste van deze planten in Karels tuin aanwezig waren. Een goed voorbeeld daarvan vinden we in de Rariorum plantarum historia van Clusius, waarin hij op pagina 192 de Moly minus beschrijft. Er staat o.a. Huic valde simili est Moly illud, quod Moerkercae Flandrorum in cultissimo suo horto alebat Illtis Heros Carolus à Divo Audomaro, Dominus de Dranoutre Moerkerken, &c. In Karel’s collectie vinden we de A30.005 met de tekst: MOLY Plinij, Dodoneo. / Proximè ad LILIAGINEM Cordi accedens. / Seritur ab rei herbarie studiosis / in hortis. / Floret mense Iulio. [xxiv] Een voorbeeld van deze werkwijze is de lijst met plantennamen van de zaden die Jacques Plateau uit Doornik in het laatste jaar toegestuurd had gekregen. De lijst verstuurde hij per brief naar Clusius in 1585. De lijst bevat meer dan 100 namen. Leiden, UB, VUL 101 / Plateau, 14/12/1585. [xxv] Het gaat hier natuurlijk om Middelburg in Vlaanderen, nabij Moerkerke, en niet om Middelburg op Walcheren, zoals sommigen dachten. De plant, die op de weg van Moerkerke naar Middelburg werd gevonden, is de Valeriana silvestris, aut pratensis minor (A.19. 26). Deze plant groeit in bossen. Op de kaart van Pourbus van 1561-71 zien we dat de weg Moerkerke-Middelburg grotendeels door een (nu verdwenen) bos liep. [xxvi] Een mooi voorbeeld daarvan wordt beschreven in de Rariorum plantarum historia waar we zien dat Karel ook met Clusius samen op stap ging. Clusius schrijft op pagina 198 ASPHODELVM porro illum flavo flore palustrem, cujus Dodonaeus & Lobelius in suis scriptis meminerunt, vel potius Pseudo-asphodelum (…) Xyphij folijs aut tenuifoliae Iridis, aliquando eruebam in palustribus illis ericetis Maldeghemo vicinis secundo à Brugarum urbo Flandriae celeberrimi, miliari, Maio mense cum Ill. Viro Carolo à Divo Audomaro, Dn. de Dranoutre, Moerkercke, &c. curru vectus relaxandi animi gratià, … Op pagina 314 schrijft hij in verband met een Gentiana : …, humentibus ericetis secundo ab urbe Brugensi miliari, inter Maldeghemum & Malam, frequentissima, ubi eam (niveo etiam flore variantem aliquando conspexi) cum Pseudoasphodelo luteo, folio Xiphij, Roréque Solis duorum generum eruere memini. Op pagina ccv vinden we een ander interessant gegeven. Clusius legt bij de eigenschappen van de Aquilina degener uit dat hij van de arts François Rapaert uit Brugge de beschrijving van een remedie gekregen heeft: Ceterum quae de Aquilinae facultatibus ante triginta annos accipiebam à Doctissimo viro Francisco Rapardo, urbis Brugensis in Flandrià primario Medico (tametsi ut medicinam facerem, nunquam in animum induxissem meum) libet hic seribere: nimirum Aquilinae vulgaris semen tenuissimé contufum, &ex vino propinatum, mulieribus in partus difficultate cum optimo successu exhiberi: si prior tamen haustus minus fuerit efficax, alium similem propinandum esse. Goed om weten is hier dat François Rapaert de arts van Karel van Sint Omaars was en dat Clusius hem bij Karel heeft leren kennen. In Karels staat van goederen staat: A Me franchois rapaert docteur en medecine pour ses gaiges voyaiges visitations faictes audict Sr deffunct suyuant son billet la somme de xxvij lb vj s t. De afbeelding van de plant in Clusius’ boek is ook een copie van de Aquilegia op A25.029. [xxvii] Deze concentratie aan namen uit Brugge en het Vrije zijn een bijkomend bewijs van het ontstaan van de collectie hier in onze streek. Op een blad komt de naam Scheveningen voor A.27-98 Nascitur in Hollandiae littoribus prope oppidum Sceueninghe / folio crassisimo.. Florike Egmond heeft de connectie tussen Karel van Sint Omaars en Adriaen Coenen uit Scheveningen aangetoond. F EGMOND, Adriaen Coenen en zijn Visboeck van 1578, Centrum voor Familiegeschiedenis van Scheveningen, 1997.Karel verbleef in 1564 een half jaar in Den Haag voor een proces betreffende aanwassen aan de polders van Scobbe en Evenrocken langs de Maas waarvan hij eigenaar was. [xxviii] Leiden, UB, VUL 101, Cruquius, J-001, CLUY128-001 (zie Bijlage met vertaling) [xxix] Hetzelfde scenario zal zich later ook voordoen wanneer Clusius van bij Karel naar Mechelen bij de heer van Brancion verhuist. Ook daar zien we dat hij als secretaris fungeert. Zo zien we bvb. dat Aldrovandi zijn brieven met vragen naar zaden niet rechtstreeks aan Brancion richt, maar wel naar Clusius bij Brancion (zie de brieven 1, 2 en 3 van Aldrovandi aan Clusius in de UB Leiden). [xxx] L Ramon-Laca, Charles de l’Ecluse and Libri picturati A. 16-30, Archives of natural history 28, 207-209. Het papier wordt in Brugge in dezelfde periode ook gebruikt door Goltzius. W LE LOUP, Hubertus Goltzius en Brugge 1583-1983. Tentoonsellingscatalogus Gruuthusemuseum, 1983-1984, 166; C.M. BRIQUET, Les filigranes. Dictionnaire historique des marques de papier, Parijs, 1907, 4 dln,. Het verband Karel van Sint Omaars - Marcus Laurinus - Hubertus Goltzius is hier evident. Het meest voorkomende papier is dat van het type A, 44.5cm x 31.75 cm"reale" formaat, Fabriano, 1554, (Briquet 1923: 362; nr. 6299; Labarre, 1953: nr. 1230) of, naar alle waarschijnlijkheid, 46 cm x 70 cm “imperiale” formaat, Brussel (Briquet 1923: 362; nr. 6300); in twee gedeeld. Dit zou de uitleg kunnen zijn waarom niet op alle bladen van dit type een watermerk te vinden is. [xxxi] We moeten ons hier toch de vraag stellen waarom er bij deze tekeningen geen annotaties staan. Als Clusius de ‘professionele hand’, zoals Florike Egmond hem hier noemt, zou zijn, waarom heeft hij dan de tekeningen, bestemd voor zijn Spaanse flora, niet geannoteerd? En was hij toen al zo ‘professioneel’? Tot hij bij Karel terechtkwam had hij alleen de Franse vertaling verzorgd van het CruydeBoeck van Dodoens. Daarvoor moest hij vooral een goede taalkennis hebben. Het is maar nadat hij Karel verlaat, dat hij bekender wordt, en nog! Van bij Karel gaat hij naar Mechelen, logeert een tijd bij Dodoens en komt dan bij Brancion terecht. In 1473 verhuist Clusius naar Wenen, waar hij verschillende maanden moet wachten voor hij aan het hof van Maximiliaan II mag verschijnen en hij aangenomen wordt als beheerder van de tuinen, wat zeker niet wijst op gekendheid als ‘professioneel’. [xxxii] Het blad A.23/32 heeft als voorbeeld gediend voor het vervaardigen van het houtblok van deze aardappel, die werd gebruikt en bij het drukken van de Spaanse Flora (1576) van Clusius en bij het drukken van het Kruydtboeck (1581) van Lobelius. [xxxiii] Dodoens beschrijft de tulp wel in zijn Florum, et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia in 1568, maar in de lijst van liefhebbers uit de Zuidelijke Nederlanden, die al tulpen in hun tuin hadden, in het Kruydtboeck van Lobelius uit 1581, staat Karel er niet bij. In zijn Historia generalis plantarum II, 1529 uit 1586 beschrijft Jacques Dalechamps ook de tulp met o.a. vermeldingen naar België, waarbij hij schrijft dat het hier is dat de plant eerst Tulipa werd genoemd. Toch moet erop gewezen worden dat het blad A.30, 56 er één is van het type A, wat dan wel eens de oudste voorstelling van een tulp in kleur in West-Europa zou kunnen zijn. [xxxiv] Florike Egmond schrijft: Secondly, the inscriptions in capitals present the names of the plants in five or six European languages, wat verkeerd is. [xxxv] Karel is de eerste die de naam van de plant laat volgen door de naam van de naamgever en niet Clusius, zoals wel eens wordt beweerd. [xxxvi] Caspar Bauhin, Pinax theatri botanici Caspari Bauhini,... sive Index Theophrasti Dioscoridis Plinii et botanicorum qui a seculo scripserunt opera..., Basel, 1623. [xxxvii] De Nederlanden werden toen in het Latijn Belgium of Belgica genoemd. [xxxviii] Het feit dat de Vlaamse benaming wordt aangegeven, wanneer deze verschilt van de algemene Zuid-nederlandse benaming, wijst erop dat de collectie door een Vlaming werd samengesteld. Alhoewel zijn moedertaal Frans was, sprak Karel ook Vlaams. Clusius daarentegen kwam uit Artois in het Franstalige deel der Nederlanden. [xxxix] Dat het hier wel duidelijk om het Cruydeboeck van 1563 gaat en niet om de eerste editie van 1554 of om de vertaling ‘Histoire des plantes’ uit 1557 stel ik vast doordat er in een aantal teksten, waar Dodoens wordt vermeld, het over planten gaat, die noch in de eerste edite, noch in de vertaling voorkomen. [xl] C Gessner, Valerii Cordi Simesusii annotationes …, De hortis Germaniae, 1561; L Fuchs, De historia stirpium commentarii insignes / Leonardo Fuchsio medico,... , 1558; P A Matthioli, Commentarii, in libros sex Pedacii Dioscoridis Anazarbei, de medica materia, Adiectis quam plurimis pantarum & animalium imaginibus, eodem authore, 1554; J Ruel, Pedanii Dioscoridis Anazarbei, de Medicinali materia, libri sex, Joanne Ruellio Suessionensi interprete, 1550. [xli] Universitaire Bibliotheek Leiden, Clusius’ correspondentie, VUL 101, brief van Mathias Laurinus aan Clusius in Mechelen, 2 juli 1570. Mathias schrijft: "Jaij recheu vos dernieres lettres et me desplaist que je ne scaij rataindre les livres desquelles font vos lettres mention qui doibvent estre de la bibliotheque de feu le Sr. de Dranoultre non obstant touttes les recherches que jen aij fait et certes il me souvient bien avoit veu opera Plinii in parva forma: ensemble le second thome des vieulx medecins, mais personne ne me peult donner certitude ou ils peuvent estre devenus. J'en ai faict aultrefoijs diceulx livres parler a Franciscus qui dit les avoir veu, non scachant aultre ou ils peuvent estre devenus’. Florike Egmond schrijft dat het boeken waren van Clusius, die nog in Karels bibliotheek lagen, wat erop wijst dat ze problemen heeft met het lezen van oude Franse teksten. Franciscus, die in de brief wordt vernoemd, is waarschijnlijk Fransisce Tassin, één van de vroegere pages van Karel van Sint Omaars. [xlii] vanden Heede schrijft: touchant a vre. testament de monsr. de dranoutre duquel toucheez, jay parle a mr charles de schildre luy remonstrant le temp es desia passe et que le testaments deburoit estre satisfaictz lequel me repondit que monsr. de morbecque veult soustenier que les debtes doibuent estre payes deuant les donations. UB Leiden, Clusiuscorrespondentie, VUL 101. [xliii] Jan van Halewyn schrijft. Monsr. de lescluse. Jay par le sr. de vroijlandt receu vostre lettre accompaignee des trois livres de feu de bonne memoire monsr. de dranoultre auecq la promesse dassistance des bulbes. UB Leiden, Clusiuscorrespondentie, VUL 101. [xliv] In haar bepaling van de streek van herkomst lokaliseert Florike Egmond de collectie wel in onze streek maar nergens wordt Vlaanderen vermeld, alsof ze bang is te moeten toegeven dat de collectie een Vlaamse collectie is. Ook slaat ze alles door elkaar. Zo gaat ze Leuven, Antwerpen en Vilvoorde, drie steden die toen in Brabant lagen, in Vlaanderen plaatsen, wat wijst op weinig kennis van de Zuidelijke Nederlanden. [xlv] Helena Wille, De botanische belangstelling van Karel van Sint Omaars in Moerkerke tijdens de 16de eeuw, in: Tentoonstellingscatalogus Openbare Bibliotheek De Biekorf Brugge, Uitgelezen Bloemen, 15 nov 1997-10 jan 1998. Clusius en Karel van Arenberg kenden elkaar zeer goed. Enkele maanden voor Clusius’ dood vroeg Karel van Arenberg hem nog of hij niet naar Edingen wou komen om er Karel’s tuin te beheren. Het is dan ook uitgesloten dat Clutius dezelfde collectie op hetzelfde ogenblik zou bezeten hebben, zoals Claudia Swan beweert. [xlvi] In Drawn after Nature, The making of the Libri Picturati A16-30, The respective roles of Clusius and Saint Omer,Saint Omer as collector, neemt Florike Egmond de stelling in dat de aquarellencollectie van KvSO een gezamelijke onderneming was (incidentally showing that the making of the Libri picturati was in some ways a collective project in which friends were involved as well.), waarbij Karel werd geholpen door vrienden en waarin Clusius een belangrijke rol heeft gespeeld. Ik daarentegen denk dat de aquarellencollectie, en niet de Libri picturati zoals Florike Egmond schrijft, (Er is wel duidelijk een onderscheid te maken tussen de aquarellencollectie en de Libri. De aquarellencollectie van KvSO is het belangrijkste deel van de Libri A16-31, dat later werd aangevuld. Er moet hier ook nog eens gezegd worden dat het wel gaat om de Libri picturati A16-31 en niet om A16-30, daar A31 wel integraal deel uitmaakt van het geheel, al zijn de bladen ervan voor het overgrote deel kopieën van planten uit A18-30.) het project is van Karel van St. Omaars die voor de realisatie ervan mensen in dienst nam, waaronder evt. Clusius. In haar betoog schrijft Egmond ook een deel over een passage over KvSO in Clusius’ Exoticorum libri decem blz 171, waarin staat: Cinnamoni vero duos ramulos in Belgio vidi: alterum apud Generosum Dominum Carolum à D. Audomarum, pia memoria, virum non modo rei herbarie peritissimum, et qui plantas ipsas, aves, quadrupesque insigni artificio vivisque coloribus exprimi curabat, sed omnium etiam natura miraculorum studiossissimum. Wat ze niet opmerkt is dat de voorstelling van het takje Cinnamon in het boek de kopie is van het voorgestelde takje in de aquarellencollectie op het blad A23.024 met de vermelding Cinamomum verum cum suo ligno. Het is ook merkwaardig dat Clusius in deze passage alludeert op de aquarellencollectie maar geenszins vermelt dat hij er eventueel zou aan meegewerkt hebben. Verder schrijft ze dat ik beweer dat de aquarellencollectie in de winter van 1564 al volledig zou afgewerkt zijn. Wat ik wel zeg is dat een deel van de aquarellen op dat ogenblik reeds bestond en dat Karel van Sint Omaars samen met Guido Laurinus deze aan het ordenen was naar Dioscorides. [xlvii] Sommigen beweren dat Clusius, gedurende de periode dat hij in het Brugse verbleef, bij de gebroeders Marcus en Guido Laurinus verbleef. Daar is geen enkel bewijs voor. Daarentegen worden de brieven, die in deze periode naar Clusius worden gestuurd, geadresseerd aan Clusius bij de heer van Dranouter (Karel van Sint Omaars) te Brugge of te Moerkerke (zie bijlage VII). In verschillende van deze brieven vragen de zenders ervan aan Clusius om de heer van Dranouter van hunnentwege te groeten. In Smetius’ brief aan Clusius lezen we duidelijk: Vale, ac generosissimo viro, Domino de Dranoultre, communi nostro patrono, me ex animo quaeso commenda. Geen enkele maal worden de gebroeders Laurinus in deze context ook maar één keer vernoemd. Ook Guido Laurinus verbleef regelmatig bij Karel. [xlviii] Hier krijgen we al een uitleg over de verschillende handschriften op de bladen. [xlix] HUNGER, Charles de l’Escluse, 1927, I/408. [l] Vertaling: Als het zou voorvallen dat, terwijl je daar bent, je naar Leuven gaat, of als je kan, vraagt de heer je uit te zien indien er ergens een niet ongeletterde priester te vinden is en als het kan, beslagen in zake kruiden. Als hij al niet ervaren is, dan moet hij tenminste toch leergierig zijn. Hij krijgt hetzelfde jaarloon als diegene die laatst van hier tevreden wegging (het bedroeg min of meer negen pond Vlaams en het dagelijkse levensonderhoud). Als hij zich in de toekomst zou toewijden aan de studies van de kruiden in de familie van de heer, kan hij, als hij niet bedrieglijk handelt, in het vervolg rekenen op een betere voorwaarde; dit indien hij aan de verwachting van de heer in deze zaak zou voldoen. [li] Hetzelfde scenario zal zich voordoen bij Jan van Brancion. Clusius zal hem verlaten en naar Wenen verhuizen, op het ogenblik dat Jan zeer ziek is, in november 1573. Jan van Brancion sterft een jaar later op 18 februari 1575. [lii] De brief van Smetius handelt niet over planten, maar wel over Latijnse opschriften. Clusius heeft in Spanje ook Latijnse opschriften verzameld. Die gaf hij ook aan Marcus Laurinus. Dit kunnen we opmaken uit de brief van Guido Laurinus van 25 november 1564, die voor het grootste deel daarover handelt. We zien ook dat Clusius daarover met Marcus Laurinus had gecorrespondeerd. De brief van Guido begint ook met: Ex tuis ad fratrem literis intellexi, … [liii] In Drawn after Nature vergeet Piotr Hordynski in de technische beschrijving van de bladen dit handschrift. Hij haalt ook de volorde der talen door elkaar en vergeet bij ‘Dutch’ (Belg.) ook Flandris en Brabantis. [liv] Helena Wille, De botanische belangstelling van Karel van Sint Omaars in Moerkerke tijdens de 16de eeuw, in: Tentoonstellingscatalogus Openbare Bibliotheek De Biekorf Brugge, Uitgelezen Bloemen, 15 nov 1997-10 jan 1998. Clusius en Karel van Arenberg kenden elkaar zeer goed. Enkele maanden voor Clusius’ dood vroeg Karel van Arenberg hem nog of hij niet naar Edingen wou komen om er Karel’s tuin te beheren. Het is dan ook uitgesloten dat Clutius dezelfde collectie op hetzelfde ogenblik zou bezeten hebben, zoals Claudia Swan beweert. [lv] In de Memorielijst van de Brugse schilders in het Stadsarchief Brugge, Oud Archief, reeksnr. 314: Beeldenmakers, p. 39, wordt hij opgenomen als Jaques vande Coornusse, Scilde. In 1580 verhuist hij naar Antwerpen, waar hij in de poortersboeken staat ingeschreven als schilder, afkomstig uit Veurne, wat het vermoeden van Helena Wille over zijn herkomst bevestigt. [lvi] A COENEN, Visboock, 1577-78, KB den Haag, Ms 78 E 54, f° 193v. [lvii] In Plantijns’ archief XXXI (Hunger, 1927, I/99) vinden we een notitie, waarin wordt gewezen op het feit dat hij van van der Borgt nog 52 figuren van het boek van M. Charles (einde 1567) heeft ontvangen. [lviii] Zie bijlage III [lix] Bimestri jam Mechliniae fui, intra octiduum, Deo volente, eo rediturus (Treviranus 1830. 46). [lx] A Jacques vanden coornhuuse pour auoir faict grande quantite de blasons comme grans comme petits la coste darmes le heaulme la banniere le penon et aultres choses de son styl jl lb t. [lxi] E ROZE, 1895, Huit lettres de Charles de l’Ecluse, Journal de botanique 9 ; 116. [lxii] Deze handelswijze staat duidelijk op het einde van het New Kreüterbuch van Leonhart Fuchs, 1543, uitgegeven bij Michael Isingrin in Bazel. We zien de tekenaar en de kopiist aan het werk en eronder staat de houtsnijderafgebeeld. [lxiii] D DE VOS, Cat. Stedelijke Musea Brugge, Catalogus Schilderijen 15de en 16de Eeuw, Brugge, 1979, p. 207-209, Jacob Van den Coornhuuse, 0.154. Laatste Oordeel (1578). Met dank aan de Stedelijke Musea Brugge, die mij de mogelijkheid gaven om het Laatste Oordeel te bestuderen. [lxiv] Monogram van Jacob vanden Coornhuuse op A17.029 [lxv] Zie inleiding onder Marchantius. Zie ook H Wille, The albums of Karel van Sint Omaars, in Archives of Natural History, 1997, 24 (3), 433; A Sanderus, De scriptoribus Flandriae, Antwerpen, 1624, 32. Volgens Sanderus zou de collectie langs deze weg Conrad Gesner bereikt hebben, die ze voor zijn eigen werk kon gebruiken. Gesner (1516-1565) overleed echter voor Karel. [lxvi] Dierick Outgaertszeune Cluyt (1546-1598), Apotheker te Delft en later hortolanus in de hortus van Leiden. [lxvii] Zie Claudia Swan, The Clutius botanical watercolors, plants and flowers of the Renaissance, Harry N. Abrams, Inc., New York, 1998. [lxix] Anselmus de Boodt was toen arts aan het hof van keizer Rudolf II te Praag. [lxx] Zie in het deel over Karel van Sint Omaars www.tzwin.be/omaers.htm [lxxi] Zie bijlage IV.
[lxxii]
Carolus Clusius (ed.), Nic. Clenardi epistolarum
libri duo (Antwerp: Officina Plantiniana, 1566);
Garcia ab Horto, Aromatum et simplicium aliquot
medicamentorum apud Indos nascentium historia
(Antwerp: Officina Plantiniana, 1567);Donota Acciajuoli,
Les vies de Hannibal et Scipion l’Africain,
transl. Carolus Clusius (Paris, 1567) werden in de
periode dat Clusius bij Karel verbleef uitgegeven en het
is zeker dat Clusius in die periode ook aan zijn
Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum
historia, libris duobus expressa heeft geschreven.
[lxxiii] Helena Wille, Luis Ramon-Laca en Florike Egmond beweren het tegendeel. Ook in Leiden zou men deze weg willen bewandelen om de collectie toch maar aan Clusius te kunnen toeschrijven. In het project ‘Plants in European masterpieces’ staat volgende tekst: At the Hortus Botanicus of Leiden, a rarely seen set of botanical illustrations, the Libri Picturati, formed the focus. This amazing collection consists of 16 books holding 1200 botanical watercolours. The exquisite beauty of the paintings, coupled with their accurate and detailed depiction of plant species is a testimony to the early links between artists and scientists in the 16th century. The Libri Picturati collection is currently held in the Jagiellon library in Cracow,Poland, but they were originally probably produced in Belgium. The eminent 16th century and early 17th century botanist Carolus Clusius has most probably been involved in the production of these watercolours. The Hortus Botanicus in Leiden houses a magnificent restoration of Clusius’s garden, facilitated by the discovery of detailed landscape and planting schemes drawn up by Clusius whilst working in Leiden. The Leiden participants have been able to study the relationship between the Clusiusgarden and the Libri Picturati as well as exploring links to the early tulip and bulbous plant introductions in Europe.(zie: www.medinfo.dist.unige.it/plant/default.htm). Op de CD-Rom, die het eindresultaat is van het project, staat volgende uitleg bij de aquarellen van Karel van Sint Omaars: In de Jagiellon Bibliotheek in Krakau (Polen) bevindt zich een set van dertien boeken, waarin ca. 1860 aquarellen met afbeeldingen van planten, vaak met allerlei aantekeningen. Alle boeken hebben dezelfde afmeting (51,2 x 37,5 cm) en zijn in wit velijn gebonden; de tekeningen zijn op verschillende soorten papier gemaakt. Er bestaat verschil van inzicht over maker en eigenaar ervan, maar wel is bekend dat ze in de 2e helft van de 16e eeuw in De Nederlanden zijn gemaakt. Ook is wel zeker dat Carolus Clusius in verband dient te worden gebracht met deze prachtige en botanisch excellente aquarellen. Alhoewel men in Leiden weet dat de collectie die van Karel is en ik er hen nogmaals op gewezen heb, kunnen zij er toch niet toe komen om duidelijk te verwijzen naar Karel van Sint Omaars. [lxxiv] Quant aux liuris delaissez par ledict Sr en grec et en latin legatez a chaerles de lescluse lon entend les laisser seruire audict escluse. [lxxv] Audict Charles de lescluse a este donne pour les paines et assistence quil a faict audict Sr la somme de ijc lb t. [lxxvi] Zie bijlage III. Thyni ramusculum quem nuper misisti curavit a Jacobo depingi, hunc cum non perperam alteri illi Thyno hispanico, quam Dominus pridem habet et cuius non penes te est, adiungi posse existimet, si ita videbitur et huius posterioris iconem quam primum ad te mittet. Itidem te iconem Arisari alterius florentis necdum a quoque exhibiti, qui dum hic postremo esses, in manibus pictoris erat. [lxxvii] Zij vergist zich ook wanneer ze bij de beschrijving van mensen, die planten en tekeningen uitwisselden Marcus Laurinus noemt. Het is niet Marcus, maar wel Matthias Laurinus en diens vrouw Radegonde du Quesnoy, die interesse hadden in planten. Matthias was de beste vriend van Karel en woonde op het kasteel van Leeskens, tussen Moerkerke en Middelburg, en ook in Antwerpen. In haar betoog over de collectie in het kader van Brugs humanisme noemt ze de gebroeders Laurinus sleutelfiguren in de kring van planten- en naturalialiefhebbers in Vlaanderen. In de boeken van zowel Clusius als Lobelius worden zeer vele namen van liefhebbers, apothekers en dokters, die zich op de ene of andere manier met botanica bezig hielden in onze gewesten, vermeld. Lobelius vermeldt er een aantal in de inleiding van zijn Kruydtboeck (1581): naest den vermaerden Caerle de I’Ecluse (die inde oeffeninge ende eruarentheyt in dese conste by hem soo in Oistenriick als andere landen vercregen by niemanden naer ons goetduncken en wordt te bouen ghegaen) de voornaemtste gheweest te syne wylen rnyne heeren van Reynoultre , van Brancion ende vander Delft, ende nv teghenwoordeliick in dese saecke gheliick in alle andere seer pryselick te wesen heere Philips van Marnix, Heere van Sint Aldegonde, met oock voornamentliick heeren Caerle de Houchin, heere van Longastre, heere Jan Bosoit, Mathias Laurin ,Tresorier der Staten der Nederlanden, Cornelis Pruynen, Tresorier: meesters, Willem Martini, ende Jan van Hobboken Greffiers der voorseyden stadt van Antwerpen: Ionckers Jacob Duym ende Jaspar Roelofs: lan Mouton, Iacques Durin , ende eenighe andere. Verder vinden we o.a. nog Kaerle van Croy, Prince van Chimay, Mijnheer du Bosqueil, rouart van Rijssel, Joris vander Ryen, uit Mechelen, Raphael Coxia, schilder te Mechelen, Frederick Gembello, Olivier Dries, Jan Coene .En er waren in die tijd ook vrouwen, die tuinen aanlegden: Joufvrouwe Marie de Brimeu, huysvrouwe van Coenraedt Schetz, Mijn-Vrouwe Catharine van Eekeren huysvrouwe van Heer Jan Straele, Amant van Antwerpen, Radegonde du Quesnoy huysvrouwe van Heer Matthias Laurin Tresorier generael van Vlaanderen. Bij Clusius vinden we ook nog Francois de Hollebecque, Jacques Plateau uit Doornik, Wilhelm Jasparduyn, aphoteker, Thobias Roels, medicus, Jan van Hogelande, Charles de Tisnac, Philippe de Sivry, heer van Walhain, Peter van Overstraete, Apotheker te Brussel, Karel de Tassin, e.a. Nergens worden de gebroeders Laurinus in deze context maar één maal vernoemd. Zij vergist zich ook wanneer ze op het einde van haar artikel beweert dat de Officina Goltziana, de drukkerij die door Marcus Laurinus voor Hubertus Gotzius werd opgericht, zich in zijn landgoed buiten de stad Brugge, de Laurocorinthus, bevond. De drukkerij bevond zich in Brugge in het huis ‘de Groene Wynckle’ op het Biscayersplein.Zij vergist zich ook wanneer ze bij de beschrijving van mensen, die planten en tekeningen uitwisselden Marcus Laurinus noemt. Het is niet Marcus, maar wel Matthias Laurinus en diens vrouw Radegonde du Quesnoy, die interesse hadden in planten. Matthias was de beste vriend van Karel en woonde op het kasteel van Leeskens, tussen Moerkerke en Middelburg, en ook in Antwerpen. In haar betoog over de collectie in het kader van Brugs humanisme noemt ze de gebroeders Laurinus sleutelfiguren in de kring van planten- en naturalialiefhebbers in Vlaanderen. In de boeken van zowel Clusius als Lobelius worden zeer vele namen van liefhebbers, apothekers en dokters, die zich op de ene of andere manier met botanica bezig hielden in onze gewesten, vermeld. Lobelius vermeldt er een aantal in de inleiding van zijn Kruydtboeck (1581): naest den vermaerden Caerle de I’Ecluse (die inde oeffeninge ende eruarentheyt in dese conste by hem soo in Oistenriick als andere landen vercregen by niemanden naer ons goetduncken en wordt te bouen ghegaen) de voornaemtste gheweest te syne wylen rnyne heeren van Reynoultre , van Brancion ende vander Delft, ende nv teghenwoordeliick in dese saecke gheliick in alle andere seer pryselick te wesen heere Philips van Marnix, Heere van Sint Aldegonde, met oock voornamentliick heeren Caerle de Houchin, heere van Longastre, heere Jan Bosoit, Mathias Laurin ,Tresorier der Staten der Nederlanden, Cornelis Pruynen, Tresorier: meesters, Willem Martini, ende Jan van Hobboken Greffiers der voorseyden stadt van Antwerpen: Ionckers Jacob Duym ende Jaspar Roelofs: lan Mouton, Iacques Durin , ende eenighe andere. Verder vinden we o.a. nog Kaerle van Croy, Prince van Chimay, Mijnheer du Bosqueil, rouart van Rijssel, Joris vander Ryen, uit Mechelen, Raphael Coxia, schilder te Mechelen, Frederick Gembello, Olivier Dries, Jan Coene .En er waren in die tijd ook vrouwen, die tuinen aanlegden: Joufvrouwe Marie de Brimeu, huysvrouwe van Coenraedt Schetz, Mijn-Vrouwe Catharine van Eekeren huysvrouwe van Heer Jan Straele, Amant van Antwerpen, Radegonde du Quesnoy huysvrouwe van Heer Matthias Laurin Tresorier generael van Vlaanderen. Bij Clusius vinden we ook nog Francois de Hollebecque, Jacques Plateau uit Doornik, Wilhelm Jasparduyn, aphoteker, Thobias Roels, medicus, Jan van Hogelande, Charles de Tisnac, Philippe de Sivry, heer van Walhain, Peter van Overstraete, Apotheker te Brussel, Karel de Tassin, e.a. Nergens worden de gebroeders Laurinus in deze context maar één maal vernoemd. Zij vergist zich ook wanneer ze op het einde van haar artikel beweert dat de Officina Goltziana, de drukkerij die door Marcus Laurinus voor Hubertus Gotzius werd opgericht, zich in zijn landgoed buiten de stad Brugge, de Laurocorinthus, bevond. De drukkerij bevond zich in Brugge in het huis ‘de Groene Wynckle’ op het Biscayersplein. [lxxviii] …, quandoquidem eius tempore Arisarum toti Belgio fuerit incognitum, & anno 1565. que illud Antuerpiam ad amicos Olyssipone misi istis primum innotescere caeperit latifolium. [lxxix] The connections between the watercolours in the Libri Picturati and illustrations in printed works on natural history of the sixteenth century have been discussed to a certain extent by Wegener, Whitehead, Wille and Swan. Given the size of the collection in Krakow and the fact that most watercolours have never been published yet, an exhaustive comparison with the illustrated botanical and zoological publications of the sixteenth century has been virtually impossible up to now. It will become much easier once a new survey showing all of the botanical illustrations contained in the Libri Picturati in full colour will have come out. So much is clear at present: around one-third of the botanical watercolours in the Libri Picturati – especially those on watermarked paper with arrows and crown but without annotation in the 'professional hand' – formed the basis for woodcuts in printed works by Clusius, by Lobelius, with whom Clusius is known to have exchanged drawings/illustrations, and by Dalechamps. We do not know how, where and when woodcutters and printers gained access to the original watercolours (or who owned them at the time), nor why the rest were used only incidentally or not at all. If, as Wille argues, Saint Omer was the owner of the 625 watercolours on the arrowsand-crown paper that are annotated in the 'professional hand', this might explain why Clusius had no access to precisely this set of watercolours in the years after Saint Omer's death in 1569. The importance of parallels between some of the botanical watercolours of the Libri Picturati and the illustrations in some of the printed works mentioned above, should not be overestimated, moreover. As is well known, all famous sixteenth-century Flemish botanists (Clusius, Dodonaeus, Lobelius) published with Plantin, and the recycling and exchange of woodblocks and watercolours was a normal practice at the time. The fact that an illustration turns up in someone's printed work – especially given these exchanges – cannot by itself tell us anything about who owned the original watercolours. De oorsprong van zeker 89 van de 233 afbeeldingen in de Spaanse flora als weinig relevant gaan bestempelen roept toch wel vragen op over de onpartijdigheid waarmee Florike Egmond de feiten analyseert. Men moet namelijk weten dat zij de laatste jaren aan het Clusiusproject van het Scaliger instituut van de Universiteitsbibliotheek van Leiden meewerkt en dus zeer Clusius-minded is. Haar bewering: Given the size of the collection in Krakow and the fact that most watercolours have never been published yet, an exhaustive comparison with the illustrated botanical and zoological publications of the sixteenth century has been virtually impossible up to now., is een negatie van het werk van anderen. Zowel L. Ramon-Laca als ikzelf hebben de volledige collectie met de afbeeldingen in de boeken van Clusius, Lobelius en anderen vergeleken en geanalyseerd. [lxxx] De meeste zijn wel degelijk tekeningen en geen aquarellen, maar wel op hetzelfde papier met watermerk met gekruiste pijlen en ster waarop ook de aquarellen geschilderd zijn. Bij Lobelius vinden we in zijn Kruydtboeck 51 kopieën van aquarellen uit Karel’s collectie. In 1576 herinnert Clusius zich ogenschijnlijk niet meer van waar sommige tekeningen komen. In de inleiding van zijn Spaanse Flora schrijft hij : Inde factum est, vt clarissimus vir Rembertus Dodonaeus, nunc Caesareus medicus, veteri amicitia mihi conjunctus, quas ex meis iconibus voluerit, libere in suam Purgantium historiam intulerit. Ego vicissim eadem libertate fretus, Anemones quatuor generum, Aristolochiae longae vulgaris, quam & Sarracenicam Galli appelant, & Chamaesyces effigies, quoniam meo argumento deseruiebant, ex eodem libro desumpserim. De tekening van de Anemone latifolia altera II (p.309) is een kopie van de aquarel A26.033v en die van de Chamaesyce (p.441), waarvan sprake, komt ook uit de collectie van Karel, namelijk de A27.085. Het is dan ook verwonderlijk dat hij hier Karel niet vernoemt. [lxxxi] In de Spaanse Flora vinden we een Tinus II (in Lusitania) (1576/81-82) en in de Plantarum seu stirpium historia van Lobelius (1576/572) een Tinus Lusitanica Clusij (met dezelfde afbeelding). 1576 Merito superiori coniungenda venit elegans haec Hemionitis, quam Romae ex veteris cuiusdam theatri ruinis erutam doctissimus idemq. candissimus medicus Ioannes Henricus Gandauensis, mihi amicissimus, piae memoriae, ex Italia redux mihi dono dedit , qam etiamnum cum Phyllitide laciniata & pIerisq. aliis plantis, quas in meis peregrinationibus collegi, repositas habeo. 1601 Merito conjungendam superiori plantae aestimavi hanc elegantem Hemionitiden quam Romae ex veteris cujusdam Theatri ruinis erutam doctissimus idemque summo animi candore praeditus Medicus Ioannes Henricus Gandavensis, mihi amicissimus, ex Italia redux anno M. D. LXVI. dono dabat, quam diu cum Phyllitide laciniato folio, & plerisq; alijs stirpibus, quas in meis peregrinationibus collegeram, ante annum M.D.LXXIII. quo Viennam ad Caesarem Maximilianum hujus nominis II. vocatus sum, repositam habui: sed Belgium relinquens istic deferui. [lxxxiii] P.F.X. de RAM, Caroli Clusii Atrebatis ad Thomam Redigerum et Johannem Cratonem epistolae, in: Compte-rendu des séances de la Commission Royale d’Histoire, Tome XII, 1847, XXXV, p.51-53. Zie bijlage. [lxxxiv] Johannes Crato had erom gevraagd in zijn brief aan Clusius van 9 april 1566 (CLUY 123-018) [lxxxv] Een aantal beschrijvingen van planten in de Rariorum plantarum historia (1601) zijn dezlfde als de beschrijvingen van dezelfde planten in de Spaanse flora. A20.004 ROSA DE CANELLES / à nemine hactenus descripta. A24.058 PHYTEVMATIS SPECIES, quibusdam. à nemine descripta, et nobis peregrina. / Floret per totam estatem, et subinde / semen profert. A25.055 BELLIDIS forte GENVS / floré Anagallidis aquatico, à nemine descriptum. A26.089 ANAGALLIDIS AQVATICAE / genera duo, à nemine descripta. / Reperitur iuxta stagnantes aut / leniter fluentes aquas. A27.028 HACER MAIOR / A nemine, quod sciam, hactenus exhibita. A29.040 MILLEFOLIVM AQVATICVM MVTEVM, à nemine / descriptúm. / Stagnantibus aquis supernatat. [lxxxvii] Joachim Hopper, koninklijk groot zegelbewaarder aan het hof te Madrid, was een neef van Dodoens langs vaders zijde. [lxxxviii] In de beschrijving van de Asphodelus palustris in zijn Florum, et coronariarum odoratarumque nonnularum herbarum historia (1568), p. 298 vermeldt Dodoens ook dat de plant te vinden is op natte plaatsen en in moerassen in de heiden niet ver van Brugge in Vlaanderen. [lxxxix] Paul Van den Bremt van het VIOE heeft de plant voor mij naar de aquarel gedetermineerd. [xc] Drie namen op de aquarellen - Paronychia, Silybi Salmantici en Behen – zijn dezelfde als in de Spaanse flora. Salamanca en Valentia worden als vindplaats aangegeven en in de Flora staat er Salmanticenses et Valentini Paronichiam vocabant, Salmanticenses Silybum nuncupabant en Salmanticenses Behen appellabant. Twee voorstellingen in de Flora zijn ook exacte kopieën van de aquarellen (niet van de tekeningen) A18.089 en A24.024. [xci] Tot nu toe heb ik alleen onderzoek gedaan naar de botanische collectie. [xcii] De beschrijvingen op de aquarellen van Karel van Sint Omaars zijn van zuiver botanische aard. In diezelfde periode besteden zowel Dodoens, Lobelius en Clusius, als de andere Europese onderzoekers nog altijd in hun publicaties zeer veel aandacht aan de medicinale eigenschappen van de planten en wordt de botanica nog altijd als een onderdeel van de geneeskunde aanzien. [xciii] In zijn Spaanse Flora (1576) beschrijft Clusius een aantal bomen uit de kuststreek van België, die hij in de periode dat hij bij Karel verbleef heeft kunnen waarnemen. Op het einde van het hoofdstuk schrijft hij : De illustere heer Karel van Sint Omaars, heer van Dranouter, Moerkerke, etc. was een toegewijde onderzoeker van maritieme planten, alsook van de andere planten en van de wonderen van de Natuur. [xciv] In hun artikel ‘The beginnings of ecological thought in the Renaissance: an account based on the Libri picturati A. 18–30 collection of water-colours. Archives of natural history 34:87–108.’ bespreken ze bvb. sommige zoutminnende planten als zijnde uit het Middellandse Zeegebied, alhoewel het planten zijn die Karel hier in de Zwinstreek vond. Deze planten zijn nu nog altijd in deze streek te vinden. [xcv] Er bestaat geen enkel bewijs voor deze bewering. Als we de nog bestaande brieven, die Clusius in de periode 1565-1567 ontving, analyseren, dan vinden we in verschillende brieven de naam Karel van Sint Omaars vermeld. Meestal vraagt de schrijver aan Clusius om Karel van Sint Omaars te groeten. Ook worden de brieven gestuurd naar Clusius bij Karel van Sint Omaars. In geen enkele brief worden Marcus of Guido Laurinus zelf maar vernoemd. [xcvi] Het boek wordt als volgt voorgesteld : In de 16e eeuw werden in opdracht van een Vlaams edelman ruim 1400 schitterende botanische aquarellen vervaardigd en verzameld in 13 banden: de Libri Picturati A18-30. Carolus Clusius, destijds prefect van de Leidse Hortus, heeft in belangrijke mate aan dit werk bijgedragen, zowel door het leveren van botanisch materiaal als van de kennis daarover. Op dit moment staat de persoon van Clusius en zijn werk weer zeer in de belangstelling en dat is samen met de herontdekking van genoemde Libri Picturati aanleiding geweest om de volledige reeks in facsimile uit te geven, voorzien van deskundig commentaar. Het resultaat is een prestigieus boekwerk, waarin de afbeeldingen van alle 1416 pagina’s van de Libri Picturati verkleind (9 afbeeldingen per pagina) zijn opgenomen, een aantal bladzijden met paginagrote afbeeldingen. Een collectief van Europese botanici en historici uit geheel Europa, beschrijft het ontstaan en de botanische betekenis van de aquarellen en belichten de persoon Clusius, zijn werk en zijn contacten. Met deze uitgave worden de uiterst belangwekkende maar moeilijk te bezichtigen meesterwerk voor het eerst compleet toegankelijk gemaakt voor een groot publiek: een standaardwerk voor vele jaren in de toekomst. [xcvii] FWT HUNGER, Charles de l’Escluse, I, 1927. Op p. 258 schrijft Hunger, steunend op MEYER, Geschichte der Botanik, 1857, IV, 357, dat Clusius, op uitdrukkelijk verzoek van zijn uitgever, de afgebeelde paddestoelen uit Lobelius’ boek toevoegt, weil der Verleger die Formen nochmals zu benutzen wünchte. De werkelijkheid is dus anders. [xcviii] HUNGER ( I, 160) schrijft dat hij vermoedt dat Clusius eerst gedurende zijn tweede verblijf in Oostenrijk – dus na zijn terugkeer in 1581 – zich meer bepaald op de studie der Hongaarse paddestoelen heeft toegelegd. Lobelius was hem dus bij de beschrijving van paddestoelen voor geweest en Clusius vond de beschrijving goed genoeg om in zijn eigen boek in 1601 over te nemen. [xcix] Kruydtboeck, II/308. [c] Dit waren waarschijnlijk kopieën van de aquarellen die zijn Hongaarse vriend en beschermer Boldizsar de Batthyany had laten maken (Hunger I/131); Gedurende zijn verblijf in Oostenrijk werd Clusius meerdere malen bij hem op zijn kastelen van Német-Ujvar en Szalonak uitgenodigd en ze maakten ook samen reizen. Deze afbeeldingen werden echter niet gebruikt voor zijn eigen beschrijving van de paddestoelen, daar ze toen bij de drukker verdwenen waren. Deze Codex fungorum werd later teruggevonden en berust nu in Universiteitsbibliotheek van Leiden. De houtsneden in Clusius’ beschrijving zijn van veel mindere kwaliteit. [ci] Dit is, bij de beschrijving van de Cupressus maritima Belgica, de eerste vermelding in de Spaanse Flora (I, 27), de andere komt voor bij de beschrijving van de Aloë (II,444). De vermelding bij de Aloë herhaalt hij ook in zijn Plantarum rariorum historia (1601) op pagina clx. en die bij de Cupressus op pagina 36. [ci] Hij schrijft: Inde factum est, vt clarissimus vir Rembertus Dodonaeus, nunc Caesareus medicus, veteri amicitia mihi conjunctus, quas ex meis iconibus voluerit, libere in suam Purgantium historiam intulerit. Ego vicissim eadem libertate fretus, Anemone quatuor generum, Aristolochiae longae vulgaris, quam & Sarracenicam Galli appellant, & Chamaesyces effigies, quoniam meo argumento deseruiebant, ex eodem libro desumpserim. BIJLAGEN Bijlage I Tekst over de aquarellencollectie in de staat van goederen van Karel van Sint Omaars, RAB Familiearchief, 367, f° lxviij vo.
Bijlage II Brief van Guido Laurinus aan Clusius, geschreven op 25 november 1564. Clusius ontvangt de brief maar in Brugge in 1565.
Ex tuis ad fratrem literis intellexi, Clusi doctissime, Salamancam te appulisse, quod cum auditu fuisset iucundissimum, tum non sine voluptate nobis mutuo gratulati sumus, nactos tandem nos aliquem, ex cuius diligentia atque labore, ut ex reliquis aliis cultioribus orbis partibus ita etiam ex Hispania illa, prima inquam illa, ut Plinius ait, orbis terrarum, aliquid ad nos fructus ac voluptatis sit rediturum. Quod (quae tua est humanitas) a te haud difficulter esse futurum non dubitamus, adeoque certe nobis persuasimus, et studium nostrum antiquitatis ex nummis, et ex antiquis inscriptionibus observationes, per te plurimum subsidii accessionisque habituras, ut non raro doctissimam Huberti nostri manum tibi optemus, quo quae passim tibi fiant obviam facilius delinias, verum quod ei deest, haud difficulter (quae est ingenii tui Hubertas dexteritasque) descriptione supplebis. Non dubito, ut et tu scribis, quin emerita illa Augusti, beneficiis ut IC. nostri loquuntur, gratiosa plurima antiquitatis vestigia sit tibi suppeditatura, in qua pecuniam Romanos imperatores olim percussisse nummi Augusti nóbis testantur; quin et in Civilia et Gadibus plures inveniri antiquitates minime ambigo, ut etiam nobilis quidam Flander Validolito tamen oriundus nobis dum haec scribimus non sine voluptate narravit. Inscriptiones quarum tam liberaliter nos fore participes promittis a te avidissime expectabimus. Quantum iis libro inscriptionum fratris mei sit ornatus accessurum minime dubites quantumque iis mittendis nobis sis gratificaturus ex indice quem litteris adiunctum ad te mittimus, coniecturam facies. Utinam plures tui similes vel negotiorumnecessitasvel proficiscendivoluptas isthuc extrudat ; putarem plus splendoris ab exteris quam ab propriis incolis Hispaniae accessurum. Si forte Burgos Castella adeas vellem inquiras de quodam Balthazare a Quintanaduenas, puto eum aut prothonotarium aut canonicum in dignitate certe constitutum, est vir doctissimus ac studiorum quondam michi collega a multis annis michi amicissimus, non dubito quin is Laurini gratia te sit quam humanissime excepturus et forte is (a barbarie nimirum Hispanica alienior) ad antiquitates illius oppidi penitius inspiciendas viam patefecerit. Seminum fasciculum una cum literis ad clarissimum virum D. a Dranoutere ipsemet Moerkerckam detuli, quam ei hoc gratum fuerit, ex eius ad te literis cognosces, et nescio quo modo occasio haec literarum in botanoyilian pellexit, et iam dies quindecim nichil Dominus et ego agimus, quam quod ille in cognoscendis simplicibus (licet hyeme altissima) me exerceat, librum illum pulcherrimum cuius specimen te vidisse credo in certum ordinem ad Dioscoridis methodum digerentes. Vale et tibi persuadeas rogo de nobis amicissimum. Moerkercka, 7 cal. Decemb. MDLXIIII. Tuus ex animo G. LAURINUS Mon bon Sr et amy Charles de Lescluse a Salamanca. Bijlage III Brief van Karel van Sint Omaars aan Clusius, geschreven op 14 december 1567.
Domine Clusi Dominus a Drenoutre plurimam tibi salutem dicit, isque me rogavit ut ad te ipsius nomine perscriberem se Dei beneficio, uti sperat, iam liberatum gravissimi difficillimique morbi discrimine, immo fere iam convaluisse, ita ut dum nuper adessent D. D. N. N. a Daue et Dargenteau non solum convivio subinde interfuerit, etiam per totum tam caenae quam prandii tempus mensae assidens, sed et coelo se committere ausus primum ad templum, postea et in hortum delatus sit, quod ille tibi omnino significatum voluit, quod persuasum haberet, te pro tuo in ipsum animo, non minus de restitutione gavisurum quam te hinc discedentem de valetudine eius tantum non deplorata laborasse ac sollicitum fuisse intellexerat. Meminit te sibi laboranti inter caeteros adfuisse, fuitque presentia tua ipsi longe gratissima, ita tamen ut hoc tempore et iam convalescenti eo gratiorem futuram intelligas, quo cum ad alia magis usui fuerit tum potissimum ad recipiendum pristinas non tam corporis quam animi vires plus allatura momenti videatur. Nosti enim quam nihil possit ipsi contingere iucundius optatiusque solita illa studiorum suorum tecum communicatione qua in parte tu fere solus ipsi satisfacere potes. Hinc est quod a me petiit ut tibi per hasce ipsius nomine indicarem, fore ipsi longe gratissimum, si, quod absque incommodo tuo et sine instituti quod prae manibus habes, ut sic loquar, retardatione vel remora fieri possit, et nisi quid aliud gravioris negocii te isthic detineat, ubi primum licebit ad ipsum excurras tantundem apud ipsum haesurus quantum operis a te instituti ratio patietur, etsi nisi ad dies conplusculos, ita tamen ut scias sumptus a te itineri conficiundo impendendos ab ipso rependendos. Quod ad operis illius de plantis rarioribus vel nondum exhibitis a te instituti inscriptionem attinet, salvo iudicio tum tuo tum aliorum meliori, quando nulli certo ordini aut methodo hac in re te astringere velle videris, non alio titulo aptius inscribi posse censet, quam Centuriae plantarum rariorum etc., ita ut opus in Centurias primam, secundam. tertiam etc. distinguatur. Sic enim liberum tibi fuerit semper addere novam centuriam vel plures prius editis earum herbarum quas te postea continget observare. Thyni ramusculum quem nuper misisti curavit a Jacobo depingi, hunc cum non perperam alteri illi Thyno hispanico, quam Dominus pridem habet et cuius non penes te est, adiungi posse existimet, si ita videbitur et huius posterioris iconem quam primum ad te mittet. Itidem te iconem Arisari alterius florentis necdum a quoque exhibiti, qui dum hic postremo esses, in manibus pictoris erat. Remittit dominus horologium illud suum Mechliniense restituendum ex arbitratu artificis quod non nisi appensum moveatur, reclinatum vero sive supinum sive pronum cessat; id uti quam primum a te curetur rogat. Stipendium annuum quod artifex a fratre meo stipulatus est Dominus quoque ipsi lubenter collaturus est, idque eo lubentius, quo minus frequenter ultro citroque mittendum fuerit ut restituatur curet. itaque ita summam adhibere manum ut vel nunquam si fieri possit aut certe quam rarissime remitti opus sit. Siquidem dum isthic es Lovanium te accedere contingat aut si qua potes alia ratione, rogat te dominus ut dispicias sicubi reperire queas sacerdotem aliquem non illiteratum, ac si fieri posset, rei herbariae, si minus peritum saltem studiosum, qui pari stipendio annuo, quo is qui postremo hinc discessit contentus (quod fuit novem plus minus librarum flandricarum et victus quotidiani) se velit in domini familiam dedere futurus illi a studiis rei herbariae, non defraudandus insuper meliore conditione in posterum, si domini expectationi hac in re satisfacere contingat. Branchionem a Domino plurimum salvere iubebis, quem et meo nomine salutatum velim. Tu quoque et a me ex animo salutatus, a Domino et a me quam optime valere iuberis. E Moerkercka XIIII Decembris MDLXVII. Ut intelligas haec et rogatu et ex mandato domini ad te perscripta, qui propter valetudinem necdum satis firmam his sua manu describendis sufficere non potuit, propterea mea ad hoc opera usus, ipse propria manu hasce subscripsit. Tuus ex animo C. A DIVO ODOMARO. A maistre Charles de Lescluse mon tres bon amy, au logis de maistre Rembert Dodoneus docteur en medicine a Malines. De brief wordt door Clusius als volgt geannoteerd: 1567 Car. a s Audomaro / Moerkerca 14 Decembr. / Accepi Mechliniae 18 eiusdem / Respondi ibidem statim Bijlage IV Brief van Clusius aan Crato, geschreven op 27 april 1566. Clarissimo viro domino doctori Joanni Cratoni, medico caesareo, domino suo plurimum observando. Augustae. S. Quod serius ad tuam epistolam respondeam, clarissime vir, ne negligentia factum putes. Sed cum ea mihi redderetur , jam itineri Bruxellam accinctus eram , in quod decem dies insumpsi. Salutavi enim eadem opera Dodonaeum, apud quem triduum haesi. Edidit ille hac hyeme, cum integram ob nimias occupationes non posset, historiae plantarum latinae partem, reliquas per otium communicaturus. Exemplar mihi dedit ad te mittendum, sua manu a mendis, quae per operas typographicas irrepserant, repurgatum: rogatque ut boni consulas tenue munuscumum. Meam epitomen habebis proximo mercatu Francofordiano, Deo favente, atque etiam, si fieri possit, eodem tempore Plantarum Centuriam dabo. Utriusque exemplar ad te curabo , ne sis sollicitus. Sed quod pretii mentionem injicis, facis mihi injuriam. Non convenit enim inter amicos. Do nostris rebus a domino Joanne Redigero te omnia audire puto, nam certum est diligenter ad eum perscribi. Cui etiam exemplar postulatorum Belgicae nobilitatis missum erat, sed in itinere periisse intelligo, quoniam tabellarius in latrones incidit. Eadem latino sermone reddideram petente D. Materno, ut domino Nicolao mitterentur, verum cum Gallicis perierunt. Hispanicae inquisitionis saevitia nostros magnates, qui in Hispaniam, ut postulata nobilitatis regi exponerent, profecturi erant, adhuc hic retinet; aliorum enim periculo commoniti, non temere se in manifestum periculum conjicient , praesertim apud regem de rejicienda inquisitione, aut in Belgicum non admiitenda, verba facturi. Satis adhuc quieta sunt hic omnia, et rogandus nobis est Deus, ut pacatum et tranquillum hujus provinciae statum esse velit. Vicinorum enim exemplo satis sumus commoniti, quam periculosae imo perniciosae soleant esse hujusmodi mutationes subitae. Dominum Hubertum , atque etiam dominum Sambucum, modo istic sint, velim meo nomine salutes. Literas aliquoties ad utrumque dedi, sed a neutro responsum fero. Bene vale. Antverpia intra triduum Brugas rediturus. 27 aprilis 1566. Salutat D. Dodonaeus. Tuus semper CAROLUS CLUSIUS A. Bijlage
Petis a me D. Clusij, duas cicerculae species, in agris gallicis omnino frequentes, quantum ex descriptione tua possum intelligere. Verum quia mihi semper persuasi, apud nostrates illas reperiri, et (ni fallor) in hortis aliquibus me vidisse, in colligendis illarum seminibus, non ita, quemadmodum in religuis, fui curiosus. Nichilominus vt his speciebus D. à Dranoutre, negligentia mea causa, non careret, cupiens illi, omnibus in rebus, quo ad fieri potest, satisfacere, conueni M. Joannem du breul, qui vt nosti, hortum colit plantis omnibus vulgaribus ornatum, exoticis autem paucis, idque ad demonstrationem annuam, suis discipulis exhibendam ; inter quas hac duo legumina fuisse ; certo scio : sed propter eorum copiam, et sua negotia, nullam hoc anno, communium plantarum curam habuit. Quare id nobis huc vire ignoscendum est : quoniam nunc serius est, quam vt ea colligantur : aestate autem proxima, summam dabimus operam in ijs colligendis. D. du breul tristatur plurimum, se tibi in re tam parua, respondere non posse pro animi tui sententia : inquiens se nihil habere, quod tibi recusaret. Sed quum inter plantas animaduerterem ramulos quosdam Apocynis arboris, terra commissus, vt radices agerent, vnam plantam mihi vendicaui, quam dum tempus postulabit clarissimus D. à Dranoutre curabo transferri : eius autem folia ad te mitto, vy formam contempletur. D. Rassio tuis verbis officiosam salutem dixi, à quo Thuiae, vel si manibus arboris vitae. ( Cedrus aliquibus nuncupata ) fructus recepi, cum quibusdam alijs seminibus, quae mihi saepius promisit : eaque D. à Dranoutre, vna cum literis mitto. D. du breul quem tuo nomine diligenter salutaui, dedit huc negotij, vt te vicissim suo nomine imberem saluere : tu interim cura vt quam rectissime valeas 12. Calend. Janua. M D lxvj. Tuus Joannes Cruquius Viro cum docto tum probo Carolo Clusio D. Medico amico suo Brugis 1567 Iani Cruquij Lutetia 12 Cal. Jan. accepi Brugis ad 9 Cal. Febr Vertaling: Beste Clusius, je vraagt me twee soorten cicerculae, die gewoonlijk op de Franse velden veelvuldig voorkomen, volgens ik uit je beschrijving kan opmaken. Ik was er waarlijk altijd van overtuigd dat deze bij ons worden gevonden, en ( indien ik mij niet vergis) ik ze in enige tuinen heb gezien, maar in het verzamelen van hun zaden was ik niet zo geinteresseerd als in die van andere. Niettemin omdat de heer van Dranouter deze soorten, die hij wenst te bekomen, door de schuld van mijn nalatigheid niet zou missen, zal ik in de mate van het mogelijke aan deze vraag trachten te voldoen. Ik heb de heer Jan du Breul bezocht, die, zoals je weet, een tuin onderhoudt, gesmukt met alle wilde planten, echter met weinig exotische, en dit voor de jaarlijkse demonstratie voor de opleiding van zijn leerlingen. Daartussen waren ook deze beide legumina. Dat weet ik zeker: maar door hun overvloed, en zijn drukke bezigheid, had hij dit jaar geen aandacht voor deze gewone planten. Daarom moeten wij hem dat ook vergeven, maar gezien het nu belangrijk is deze te verzamelen, zullen wij volgende zomer volle aandacht schenken aan het oogsten ervan. De heer du Breul is zeer bedroefd dat hij voor zo een kleine zaak aan je wens niet kan voldoen, bezorgd om het feit dat hij niets heeft, dat jou zou geweigerd worden. Maar toen ik tussen de planten enkele takjes van een zekere Apocynum boom bemerkte, heb ik mijzelf een plant, ingepakt in aarde, opdat de wortels zouden kunnen groeien, voorbehouden, die de illustere heer van Dranouter mij vroeger reeds gevraagd had hem te bezorgen. Ik zend je nu een blad ervan, zodat je er de vorm van kunt bekijken. Van de heer Rassius, die ik hoffelijk met jouw woorden heb gegroet, heb ik de vrucht van een Thuia, hetzij een tak van een Arbor vitae (door sommigen een Cedrus genoemd), samen met een aantal andere zaden die hij mij herhaaldelijk had beloofd, bekomen. Die zend ik samen met een brief naar de heer van Dranouter. De heer du Breul, die ik in jou naam vriendelijk heb gegroet, gaf deze voorwerpen, opdat je op jou beurt zijn naam in ere zou houden. Zorg er ondertussen voor dat het je zeer goed gaat. 21 december 1566. Tuus Joannes Cruquius Viro cum docto tum probo Carolo Clusio D. Medico amico suo Brugis 1567 van Jean Cruquius Parijs 21 december (1566) ontvangen te Brugge op 24 januari Bijlage Brief van François Rapaert aan Clusius, verzonden uit Brugge op 10 maart 1570.
Jtem atque item salue vnem Clusij amicor longe charissime, nuper tuo nomen nos salutauit D. Mathias laurinus a quo intellexi te perbelle valere, et studiosius, quam vnquam antea cognitioni simplicium incumbere, et vndique ad vos mitti seram, bulbos, et plantas, adeo vt ditior nunc hac in parte sis quam vnquam fuerit D. de dranoultre, faxit altissimus conatum istum tuum indus magis ac magis feliciter, et promoneat vt tandem per te, et tuo labore studiosi medicine, adi..ti facile aditum inveniant, non tantum ad dignoscenda simplicia tam exotica quam patria, … etiam vt felicius et maiori egrerum vtilitate et commodo, medicinam facere queant, qu.. hac ratione … erroris committendi occasio erit ablata, qu. in concinnandis medicamentorum compositionibusque, ex simplicium ignoratione, olim in officinis committi solita est. Quam aut bene semper fuerint affectus erg.. a hoc studium, et oblectatus, noste opinor, sed … ob multas causas maior.. progressum hic facere non licuerit, nolui tum in totum illud negligere. Jdeo anno superiori cepi preparare hortulis in quo saltem coronaria coletur. Quare totus in hoc sum vt perquiram semina, herbas, bulbos, et plantas, qu. flosculos proferant, vel odoriferos, vel oculis gratos. Verum cum … increm..ta successiue fiant, et nihil instr.tame ad summum suique perfectione deniat lutens rogor hac in parte amicor operam implorare. Jdeo mj D. Clusij te rogo, si aliqua penes vos sint quorum me participem sine magno vestro dispectio reddere queas, vt id facere data prima oportunitate velis. Si quid simili in re, aut qualis alia, officium tibi prestare queam, sentiens me tibi amicum. Superiori anno semen vnicum floris, judiane a te recepi, per quidem creuit, sed dum iam florum preferret aeris iniuria planta exaruit, ita vt hoc anno nullum ex ea florum viderim. Si huiusmodi penes te seram habens rogo vt duo mittas. Rosas muscatas floris duplicis, nusquam terrarium inuenire queo, ideo si plantula alibi apud vos venalis repperatur queso mihi emas, refundam precium. Diem Belle videre, Panis porcinum fraxinellam, Pryhidis aliquot spes, et Annemones, nusquam perquirere potui. Sed quid ista in tanta inopia solum …, qu.. fere .. … non tum qui velim tibi molestos esse, sed tuum … peto partum, quibus sine tua magna iactura carere poteris. Vale feliciter, Brugis celere calamo 10 martij Tuus franciscus Rapardus
Bijlage V Brief van Karel van Arenberg aan Clusius, verzonden uit Brussel op 27 januari 1595. Monsieur Clusius. je veulx esperer que par mes precedentes aurez entendu le plaisir et contentement que je prendz aux fleurs et herbes, et comme depuis j'ay achapte le livre de feu Monsieur Ranoutre, lequel je desireroys mectre en bon ordre selon la methode de L'Alecampus et que j'ay ja commenche a faire aincy que le porteur de ceste vous dira mieulx et que je voy qu'avez rendu grand debvoir audit livre dont tous les feuilletz sont inscriptz et quotisez de vostre main je vous prie bien fort comme amateur principal de cest exercice que me veuillez faire le plaisir de m'advertir particulierement comment et par quel ordre et rigiement avez besoigne sur lesdits livres et a quelle perfection vostre intention a este de la mectre, me tenant asseure que cela nous donnera une grande instruction et aydera beaucoup pour avecq plus de facilite venir a chef de cest oeuvre lequel sera bien et fort a l'advantaige de tous hebaristes comme poulrez bien considerer. Et si en cas il y a par dela quelques plantes paintes au vif que ne sont audit livre je vous prie aussy m'en voulloir faire part comme pareillement de voulloir faire paindre au vif de toutes sortes de fleurs ou herbes que se puissent trouver par dela aux dunes et dont ne sommes icy pourveuz et nommement de plusieurs sortes de animomes que j"entendz se rencontrer par dela et finallement que me veuillez tant favoriser que de me faire part et envoyer quelque plante de chasque sorte desdits animomes, ensemble de toutes nouvelles ou aultres fleurs se trouvans par dela et point icy. Enquoy me ferez ung singulier plaisir pour recompense duquel me fauldray de reciproquement vous faire participant de tout ce que desirerez recouvrer par delha en y rendant toute paine et quant a ce que poulront couster toutes lesdites plantes ou fleurs que je desire avoir paintes au vif, je procureray faire compter les deniers soit en Anvers ou par dela la ou le signifierez audit porteur de ceste. Et en oultre seray bien ayse de vous rendre plaisir et amitie en toute aultre chose la ou se presentera I'occasion. Sur ce me recommandant de bien bon coeur a vostre bonne grace je prie le Createur vous voulloir impartir Monsieur Clusius en sante la sienne. De Bruxelles Ie 27 janvier 1595. Votre bien affectione a vous complayr
Bijlage VI RAB Familiearchief, 367, transscriptie Jacques De Groote 03 2002 j Copie Estat et declaration de tous et quelconcques les biens fiefz terres et seigneuries meubles et aultres biens delaissez par feu Noble Seigneur Charles de St Omer dict de Morbecque / en son viuant seigneur de dranoultre / merris / Oudenem Moerkercke etc. Trespasse le xije jour de feburier xvc lxviij / Lequel estat faict et exhibe Madamoiselle Anna Oingniez vesue dudict feu seigneur / A Messeigneurs Messire Jehan de St Omer dict de Morbecque Seigneur Cornille de Moerkercke et messire Jacques de Jongys Sr de pamele / tant pour eulx comme les plus apparens heritiers Comme aussy pour et ou nom de leurs apparens coheritiers / Premiers / pour esclarissement de cesluy estat fault entendre / Que par traicte antenuptial faict recongnu et passe auparauant aulcune promesse ou lin de mariaige dentre ledict feu Sr de dranoultre accompaingne daulcuns Ses ses parens et amys dunepart et ladicte Madamoiselle Anna Doingniez aussy accompaignie et assiste de plusieurs seigneurs ses parens et alliez daultre / j vo A este dict et accorde entre lesdicts contractans fuct que dudict mariage y eust enffans ou non / Que tous et quelconcques les biens par eulx et chacun deulx portez et que leur aduiendroient constanz ledict mariaige par don ou succession sortissent nature dheritaige tenant et suyuant la coste et layne de cesluy deulx dont jls seront procedz fut que des biens soyent fiefs heritaiges allodiaulx / renteux ou cottieres maisons edifices arbres et bois montans hayes moullins prests que en langaige thyois lemminghe ou latinghe rentes a rachpt viaigieres et heritieres les deniers prydedans des rachapts dicelles sy aulcun se faisoit constant ledict mariaige et les remploys desdicts deniers Aussy si ledict Sr de dranoultre allast de vye a trespas la par quant ladicte damoiselle sans delaisser enffant ne ou apparent a naistre dudict mariaige comme jl est aduenu Que audict cas ladicte damoiselle auroit retiendroit et remporteroit tous les biens par elle portez / Et quy par don ou succession luy aduiendroient constant ij ledict mariaige ses bagues habits et joyaulx seruant a ses chiefs et corps / Son Cabinet
Bijlage VII Enkele adressen van brieven, die Clusius ontving toen hij bij Karel verbleef:
Bijlage VIII Het boekje van Hadrianus Junius (1512-1575)
Bijlage IX VERWIJZINGEN NAAR KAREL E.A. IN LOBELIUS’ KRUYDTBOECK IN VERBAND MET DEZE STUDIE
(1581: I/26)
(1581: I/125)
1581: I/162)
1581: I/285 naar A28.039
(1581: I/851)
(1581: I/968)
1581: II/193)
(1581: II/296)
i/51
Bijlage X
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||