|
De graven van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk te Damme
Op 5 januari 1999 werden er, bij
graafwerken voor de afwatering van de nieuwe daken van de kerk van Damme, in het
oude kerkhof graven
ontdekt . Deze graven lagen op het tracé van de voorziene
afwateringsbuizen.
Na overleg tussen Monumenten en
Landschappen en het IAP werd er besloten dat het IAP de opgravingen zou
uitvoeren. Gezien het belang van de vondst, werd er besloten om de
mogelijkheid na te gaan om bepaalde graven, waarvan de muren met kruisen
beschilderd waren, niet te slopen en een ander tracé voor de buizen te voorzien.
Zodoende werden er in het totaal 5 graven
blootgelegd; 1 graf langs de zijmuur van de kerk en 4 graven juist buiten de
ruïne van de noordbeuk van het transept (plan nrs. 1 / graf 1, en 2 / graven
2-4/9).

Vindplaatsen van de graven.
Het eerste Graf 1 vertoont geen
wandschilderingen. Oost- en westwand van Graf 2, dat deel uitmaakt van een
dubbel graf, zijn beschilderd met rudimentaire, rode kruisen. In het graf lagen
er zeven skeletten, de meeste met kleine hoofden, wat kan wijzen op kinderen.
Het gekoppelde graf 9 werd niet onderzocht, gezien het zich onder zware
arduinplaten bevindt en niet bedreigd is. Graven 3 en 4 zijn weerom gekoppelde
graven. Graf 3 is op de vier zijden beschilderd met grote leliekruisen, verhoogd
van een cirkel (zie foto). Op de zijwanden zijn ook kleinere Jeruzalemkruisen
aangebracht. Graf 4 is onbeschilderd. Onder deze graven bevinden zich de
restanten van een ouder gemetseld graf. In ieder van deze graven bevond zich een
skelet. Graf 5 is hoogstwaarschijnlijk het oudste graf van deze groep, te
bepalen naar de diepte van het graf en de grootte van de bakstenen en naar
analogie van de graven uit Brugge. Dit graf vertoont een aaneenschakeling van
kruisen van een zelfde type (leliekruis, verhoogd met Andreaskruis en vier
sterren er rond) op alle wanden. Er lagen verschillende skeletten boven elkaar
in het graf. Spijtig genoeg was dit graaf in zeer slechte staat en werd er
beslist de afwateringsbuizen door dit graf te leggen. Delen van de zijmuren
werden behouden.
Alle skeletten werden uit de graven gehaald
en overgebracht naar het IAP voor onderzoek. Buiten de skeletten, werden er in
de graven enkel restanten van ijzerbeslag van de kisten gevonden.

Graven 3 en 4.
Na volledige opmeting, beschrijving,
overtekenen van de beschilderingen en fotograferen, werden de graven opgevuld
met neutraal zand, terug afgedekt met de erop gevonden dekstenen en overdekt.
Voor wat de datering betreft, kunnen wij,
naar analogie van reeds vroeger onderzochte graven te Brugge, stellen dat het
oudste graf dateert uit de periode 1350-1400 en de andere uit het begin van de
15de eeuw.
Boven graven 2 en 3, maar in noord-zuid
richting, werd er ook een arduinen grafsteen gevonden, die later op deze plaats
was gelegd. Deze steen is in verschillende stukken gebroken. Na ontcijfering van
de tekst kon de naam Jan van der beke worden gelezen en de datum 1429. Jan van
der beke was schepen van Damme in 1409, 1422 en 1426.
Op 28 januari werd er een nieuwe sleuf
gegraven voor andere afwateringsbuizen. Ditmaal gebeurde dit in de ruïne van de
viering van de kerk zelf. Hier werden er 3 graven ontdekt; twee aan de zuidzijde
(plan, nr. 4 / graven 7 en 8) van de viering en 1 aan de noordzijde (plan, nr. 3
/ graf 6), juist onder de rondboog en tegen de funderingen van de inkomhall van
rond 1725. De graven 7 en 8 zijn weerom gekoppelde graven. Ze werden niet
onderzocht.
Graf 6 is het belangrijkste graf van alle
tot nu toe gevonden graven. Op alle wanden bevinden zich muurschilderingen.
Ditmaal niet alleen kruisen, maar ook echte schilderingen van personages.
Gezien het belang van de vondst in verband
met de kennis van de pre-eyckiaanse schilderkunst in Vlaanderen en als
aanvulling van de reeds gekende graven van Brugge, Aardenburg en elders, werd er
besloten een volledig onderzoek uit te voeren.
Het graf bevatte 12 skeletten. Er ligt een
vloer van bakstenen in het graf. Deze vloer werd bij het verder gebruik van het
graf aangebracht. De muurschilderingen bevinden zich voor een deel onder het
niveau van de vloer. Onder de vloer werd een dertiende
skelet gevonden.
Op de originele kalklaag werd er in een
latere fase een nieuwe laag aangebracht en werden er rudimentaire kruisen
aangebracht. Het grootste deel van deze kalklaag was reeds verdwenen, een ander
deel werd verwijderd. Een derde deel is samengekoekt met de eerste kalklaag.
Op de westwand staat er een ‘sedes
sapientiae’ – Maria, zittend op een gotische bank, die een staand kind Jezus,
rustend op haar rechte been, vasthoud - afgebeeld. Maria houdt in haar andere
hand een anjer. Het kind houdt een bol in zijn rechter hand. Aan beide zijden van Maria
staan er kleine engelen (?), waarvan er 1 een schaal met wierook vasthoudt. Op
de oostwand staat er een gekruisigde Christus, hangend in S-vorm. Aan zijn
rechter zijde, maar op de noordwand staat Maria. Aan zijn linker zijde, op de
zuidwand staat Johannes, met een boek in de hand.

Tekening Marjan Buyle (Afdeling
M & L)
Meestal staan Maria en Johannes op dezelfde wand als Christus onder het kruis afgebeeld. Op de
noordwand staat er verder Petrus, met een sleutel in de rechter hand, als
attribuut, gehouden voor zijn borst. Hij is gekeerd naar de gekruisigde Christus
en houdt een boek, waaruit hij leest, in de linker hand. Verder staat een ander
personage. Deze is wel niet meer te identificeren. Aan de zuidzijde staat er in
het midden van de muur weer een niet identificeerbaar personage en verder Paulus,
met een staand zwaard, als attribuut, in de rechter hand. Hij is gekeerd naar
Maria en leest ook uit een boek in zijn linker hand. Buiten deze personages
staan er nog 2 maal 3 gelobde kruisen, met een Sint-Andrieskruis erdoor. Op alle
wanden staan er ook kleine bloemen afgebeeld. Voor wat nu al zichtbaar is, is er
onder dit geheel een fries van ranken en bloemen afgebeeld.

‘Sedes sapientiae’ op de Westwand van
Graf 6.
|

Petrus (met
sleutels) |

Paulus (met zwaard) |
Buiten de staande Maria en Johannes hebben
alle personages hun hoofden verloren. De kalklaag boven aan het graf is volledig
verdwenen.
Dit graf is wel belangrijk door de
iconografie, die in grote mate verschilt van de reeds gekende manier van
voorstelling van de personages, en ook door de grootte van de personages. Het
gaat hier om relatief grote personages.
Gezien het belang van de iconografie,
zullen specialisten van Monumenten en Landschappen de wanden verder opkuisen om
nadien beter te kunnen laten documenteren en fotograferen. Het graf zal dan
later opgevuld worden en ter plaatse blijven.
Voor wat de datering betreft, zou ik, naar
analogie van de schilderingen op de graven te Brugge en de grootte van de
bakstenen, durven stellen dat het graf dateert uit de eerste helft van de 14de eeuw.
Ook de Christus, hangend in S-vorm (de 'schone stijl' van de internationale
gotiek) verwijst naar de 14de eeuw.
Binnenkort worden er in de kerk zelf werken
aangevangen voor de verwarming. Om leidingen aan te leggen moet er een sleuf
gegraven worden in de zuidelijke zijbeuk van achteraan naar vooraan, met een
diepte van 1.40 m. Indien er zich op deze plaats graven bevinden, zullen ze
zeker aangeroerd worden. Om niet tot dezelfde situatie te komen, zoals nu het
geval is geweest, werd er door het IAP enerzijds en door de Raad voor het
Cultureel Patrimonium en Toerisme anderzijds bij de gemeenteraad aangedrongen om
de werken zodanig te voorzien, dat er genoeg tijd op voorhand zal zijn om
eventuele opgravingen op een behoorlijke manier uit te laten voeren.
Een volgend probleem is de nu ontdekte
toestand. In de ruïne van de kerk bevinden er zich graven, die aftakelen. Indien
er niet ingegrepen wordt, zou het kunnen dat de eventuele schilderingen op deze
graven voor goed verloren gaan door het feit dat ze buiten liggen. Het is meer
dan tijd dat er gedacht wordt aan de systematische opgraving van het areaal
binnen de ruïne van de kerk.
Om te eindigen wil ik hier de
verantwoordelijken van het IAP en van Monumenten en Landschappen, die de
beslissing namen de opgravingen uit te voeren, bedanken. Mijn bijzondere dank
gaat naar Yann Hollevoet, archeoloog van het IAP, die, in zijn gekende stijl,
maar vooral weer en wind trotserend, de opgravingen heeft gedaan en met wie ik
zeer interessante en verrijkende momenten heb beleefd.

Kruis op de Oostzijde van graf 3
Op 21 juni werden de werken voor het
vernieuwen van de verwarming van de kerk aangevangen. Dit zou een belangrijke
ingreep in de ondergrond van de kerk geweest zijn. Er was voorzien om in de
zuidelijke zijbeuk een sleuf van 2.00 m breedte op 2.00 m diepte te graven en
dit van achter naar voor.
Op 23 juni vond ik in de verwarmingsruimte
een beschilderd graf (plan, 5 / graf 10). De binnenmaten zijn 2.14 m lengte en
0.68/0.58 m breedte. In het puin lagen er resten van een skelet. Er lagen ook
nog resten van ijzerbeslag in het puin. Onderaan, aan het hoofdeinde, lagen er
twee schedels, met delen van de ruggegraten. De vloer bestaat uit baksteen,
waarop dwars, op ¼ en 3/4 , een rij bakstenen ligggen, waarop de kist heeft
gerust. Naar de grootte van de bakstenen (27.00 x 13.00 x 6.50 cm) en de aard
van de beschildering kan dit graf gedateerd worden rond 1300. Aan het voeteinde,
op de oostzijde – dit is op de funderingsmuur van de zuidelijke kruisbeuk van de
kerk – staat er een Sint
Elooi afgebeeld (met mijter, bisschopsstaf,
hamer en zakje aan de hals), wat zeer uitzonderlijk is. Op de mijter staat er
rechts een PX afgebeeld. Aan het hoofdeinde staat er een gekruisigde
Christus, met Maria en Johannes afgebeeld. Op beide zijmuren staan er
geknielde personages afgebeeld, elk in een andere richting. Alleen het onderste
deel is nog aanwezig.

Sint Elooi
op de Oostwand
van graf 10.

Calvarie
op de Westwand
van graf 10.
Gezien de uitzonderlijke waarde van de
beschildering, werd er beslist deze te vrijwaren. De H. Eligius zal van zijn
drager gerukt worden en de Christus zal gelicht worden. Bij de werkzaamheden om
dit voor te bereiden, werd er vastgesteld dat op de andere zijde van de muur met
de Christus er nog een beschildering aanwezig is en namelijk ook een gekruisigde
Christus. Bij onderzoek heb ik vastgesteld dat de eerste Christus eigenlijk op
de achterwand van een ouder graf is aangebracht. Alleen de zijwanden van graf 10
behoren tot dit graf. Naast graf 10 ligt er nog een deel van een graf, van
latere datum, met alleen geschilderde kruis-elementen.
Binnen in de kerk werd er aangevangen met
het verwijderen van de vloer in de achterste travee van de zijbeuk. Onder de
vloer ligt het vol met grafzerken (plan, 6). Bij deze vaststelling werd er
uiteindelijk beslist geen sleuf in de zijbeuk te graven, maar de warme lucht
voor de verwarming in de achterste muur te laten uitkomen. Zo blijft de
ondergrond gevrijwaard.
De juist te dateren grafstenen
zijn een grafsteen in Doornikse kalksteen van uitzonderlijke grootte
(H 379, B 184 cm) van een onbekende man en vrouw met als datum 1270 – dit is de
oudste gekende grafsteen in de kerk – en een grafsteen
in witte kalksteen (H 229, B 152 cm), waarvan de bovenste rand is verdwenen, met
de data 1440 en 1441.
De eerste steen is nogal versleten.
Alleen een deel van de beeltenis van de vrouw en van de randtekst zijn nog
zichtbaar. Wat nog te lezen valt klinkt als volgt: ... VI ... ETAT ... / ...
/ ...A...RO / I DOGMA / CATONIS TVLLIUS ELOQUEN-
...ILE...SENSUS Q MARONIS ...YNAS
DEVS A MILIO REDIMITO MIXIME... DOM... PIVS EXILIO SOLVENS DIRIGAR FARAONIS(?) /
MILLE DVCENTENIS ANNIS ET SEPTVAGENIS. Op de boog boven de vrouw staat er
ook nog: ...CONIVNGA TIXTI Q ... PVLO...
De tweede steen is de grafsteen van het graf van Adriaen Lammins
en echtgenote, waarop twee gevleugelde engelen, die elk een schild vasthouden,
staan. Onderaan de steen staan hun
vier kinderen afgebeeld in de klederdracht uit die tijd, 3 dochters en een zoon. Het schild van de man is:
gekeperd met drie staande lammeren, naar rechts; dat van de vrouw: gekeperd met
bovenaan twee wassende manen en onderaan een dolfijn, naar rechts. De randtekst
luidt als volgt: +hier leghet / adriaen lamins f willems die starf
(schild) int jaer M.CCCC.XL den .../ ...lstee adriaen lamins
(schild) wijf was die starf int jaer M.CCCC.XLI de(n) XIVste(n) dach in
maerte. Deze
grafsteen zal zichtbaar blijven.
De andere grafstenen zijn uit de 15de en 16de eeuw en één
uit 1647, van Jan Snauwaert, in synen tyde schepen deser stede ende
capeldemeester van het H. Crvis.


 
Dit verslag heb ik in 1999 opgemaakt. Ondertussen is niet
alles verlopen zoals was gepland.
Sint Elooi werd niet van zijn drager gerukt, maar werd wel
onder beton bedolven. Het calvarie-gedeelte werd wel gelicht en staat nu in de
kerk opgesteld. Spijtig genoeg werden bij de 'restauratie' de kleuren verwijderd
en is het geheel nu nogal grauw en veel minder zichtbaar dan toen ik het
ontdekte.
|