't Zwin

 

 

 

 [Afbeelding bedrijfslogo] 

Jacques De Groote   Vlienderhaag 4 B-8340 Damme 050 501032 jacqdegr@skynet.be

 

 waterrecht van Damme[1

In het RAB bevindt zich een exemplaar van het Waterrecht van Damme[2] dat nog nooit werd besproken. Dit exemplaar is echter belangrijk om verschillende redenen.

Eerst en vooral is dit het enig gekend, origineel exemplaar van het Waterrecht van Damme dat zich in Vlaanderen bevindt. Het is een perkamenten katern van 12 gebonden vellen, uit het begin van de 15de eeuw te dateren. Zo te zien was het waarschijnlijk een exemplaar dat werd gebruikt ofwel op een schip, ofwel in een haven.

De tekst bestaat uit twee delen: eerst de 24 artikels van het eigenlijke waterrecht van Damme, gevolgd door 30 artikels van de ordinancie die de scippers ende die coopluden mit malkander begheren van sciprecht (van Amsterdam).  

De 24 artikels van het eigenlijke waterrecht van Damme staan in de normale volgorde in vergelijking met de andere gekende Hss. Vergeleken met de tekst van het handschrift van Greifswald[3] geeft dit hetvolgende: van 1 tot 7 zijn het dezelfde artikels, daarna zijn de artikels van Greifswald volledig door elkaar opgesteld. 8 (23)[4], 9 (24), 10 (10), 11 (11), 12 (13), 13 (N), 14 (12), 15 (14), 16 (15), 17 (16), 18 (17), 19 (18), 20 (19), 21 (20), N (21), 22 (22), 23 (8), 24 (9).  Ook de teksten verschillen op verschillende plaatsen van elkaar.  

Eerst de hedendaagse tekst:  

DIT ZIJN DE VONNISSEN VAN DE WATERRECHTEN TE DAMME IN VLAANDEREN

(1)     Eerst maakt men een man meester van een schip. Het schip behoort aan twee of drie mensen toe. Het schip vaart uit van het land, vanwaar het is, en komt te Sluis, te Bordeaux, te La Rochelle of ergens anders aan, en is bevracht om naar vreemde landen te zeilen. Dan mag de meester het schip niet verkopen zonder toelating van degenen aan wie het schip toebehoort. Maar heeft hij voedsel nodig, dan mag hij de getouwen wel verpanden, na akkoord van de scheepslieden.

Vonnis.

(2)     Een schip ligt in een haven, de tijd en de wind afwachtende. Wanneer de meester wil wegvaren, zal hij raad vragen aan de scheepslieden en zeggen: ‘ Heren we hebben wind om te zeilen’. Maar indien enige scheepslieden zouden zeggen dat de wind niet goed is en anderen dat de wind en het weder mooi en goed zijn, dan moet de meester de raad volgen van de grootste partij. Indien hij anders deed, dan was hij verplicht het schip en de goederen te vergoeden, indien ze verloren gingen, op voorwaarde dat hij genoeg waren meeheeft.

Vonnis.

(3)     Indien een schip in een land schipbreuk lijdt, waar het ook zij, dan zijn de scheepslieden verplicht de goederen te vrijwaren, zo veel en zo goed als het kan. Indien zij de meester hebben geholpen, dan is hij hen hun loon schuldig, en indien hij niet genoeg geld bekomt van de goederen, die zij hielpen vrijwaren, dan is hij verplicht ze naar hun land terug te brengen. Indien ze hem niet geholpen hebben, dan is hij hen niets verschuldigd en zullen zij hun loon verliezen, als het schip verloren is. De meester mag het tuigage niet verschepen, zonder toelating van de eigenaars. (Hij moet de goederen bewaren) en dit zo goed mogelijk doen. Indien hij het anders deed, dan is hij verplicht de schade te vergoeden.

Vonnis.

(4)     Een schip vaart van Sluis of van andere plaatsen uit. Indien het schipbreuk lijdt, dan zijn de scheepslieden verplicht zo veel mogelijk wijn en andere goederen te redden. Indien de kooplieden en de meester twisten om de goederen, dan mogen de kooplieden de goederen hebben, indien zij de vracht vergoeden, die de meester toekomt. Maar indien de meester het wilt, dan mag hij het schip vermaken, indien dit mogelijk is in een korte tijd. En indien dit niet mogelijk is, dan mag hij een ander schip huren en zijn vaart beëindigen. Hij zal dan de volle vracht bekomen van de goederen, die behouden zijn aangekomen.

Vonnis.

(5)     Een schip vaart uit een haven uit en komt in een andere haven aan, geladen of leeg, dan mogen de scheepslieden het schip niet verlaten zonder toelating van de meester. Want indien het schip schade leed, door enig avontuur, dan waren zij verplicht dit te vergoeden. Maar als het schip aangemeerd ligt met 4 getouwen, dan mogen zij het schip verlaten en op tijd en stond terugkomen.

Vonnis.

(6)     Het gebeurt dat scheepslieden zich voor een bepaalde tijd verhuren aan de meester. Indien enige van hen zonder toelating het schip verlaten en zich bedrinken en strijden of twisten;  indien er enige verwond worden, dan is de meester niet verplicht ze te genezen op kost van het schip, maar mag hij ze van het schip zetten en andere scheepslieden in hun plaats huren. Indien deze laatsten meer kosten dan de vorige, dan zullen deze het moeten betalen en ook wat zij reeds ontvangen hebben terugbetalen. Maar indien de meester ze voor een dient aan wal zond, en ze worden er gekwetst, dan is hij verplicht ze op kost van het schip te genezen.

Vonnis.

(7)     Indien een of meer scheepslieden in dienst ziek worden, en indien ze op het schip niet mogen blijven, dan is de meester verplicht ze van het schip te zetten en in een herberg te brengen en hen kaarslicht te bezorgen om te kunnen zien, met een scheepsgezel bij hen, om ze te verzorgen, of iemand anders te huren om ze te verzorgen en van zulke spijzen te voorzien, zoals in het schip de gewoonte is en ze kregen toen ze gezond waren, en anders niets. Indien de zieke betere spijzen wilt, is de meester niet verplicht dit te geven op zijn kost. En het schip is ook niet verplicht op hem te wachten, maar moet zeilen als het klaar is. En als hij geneest zal hij zijn loon krijgen, maar indien hij sterft zullen zijn vrouw of zijn erfgenamen het krijgen.

Vonnis.

(8)     Een schip vaart van Sluis of van andere steden uit. Indien een storm hen verplicht goederen te werpen om geen schipbreuk te lijden, dan zijn ze verplicht de goederen te tonen aan de kooplieden, die beslissen welke goederen te werpen. Indien de kooplieden het werpen niet toelaten, dan moet de meester het werpen niet laten, indien hij het verantwoord vindt en hij met nog twee van zijn gezellen, als zij op het land zijn, willen zweren dat zij het deden ter behoud van hun leven, de goederen en het schip. Zij zullen aantonen wat er geworpen werd en deze goederen zullen geprijsd worden van pond tot pond en gedeeld worden over de kooplieden op de overblijvende goederen. En de meester is verplicht tussen te komen in de kosten van zijn schip en de vracht. Elke schipman zal een vrij vat krijgen. Indien zij in de nood niet helpen, zoals het goede knapen hoort, dan zullen zij geen vrije goederen krijgen. En men zal de meester bij zijn eed geloven.

Vonnis.

(9)     Indien een meester in een groot onweer zijn mast afhakt, dan is hij verplicht zijn kooplieden te roepen en hen de noodzaak ervan aan te tonen en dat het is om de levens, het schip en de goederen te redden. Indien er kabels afgehakt worden en een anker geworpen wordt om het schip en de goederen te redden, dan is men verplicht anker en kabels te prijzen van pond tot pond als zeeworp. En de kooplieden zullen hun deel daarop vergelden, eer ze hun goederen uit het schip doen. Indien het schip op het droge kwam te liggen en indien de meester wachtte door de moeilijkheden en indien er in het schip goederen begonnen te leken en uit de vaten te lopen, dan zal de meester daarvoor niet moeten tussenkomen in de schade en zal hij daarvoor zijn vracht krijgen, zoals voor de andere goederen.

Vonnis.

(10) Als een meester op de plaats, waar hij moet lossen, aankomt, dan zal hij de koorden en de touwen, waarmee hij lossen zal, aan de kooplieden tonen en zullen er, indien nodig, verbeteringen aan aangebracht worden. Want ging er een vat of een pijp, door gebreken aan het getouw, verloren, dan zijn de meester en de scheepslieden verplicht de schade te vergoeden. En de meester is verplicht daarin te delen, gezien hij windgeld krijgt. En het windgeld moet eerst gebruikt worden om de schade te vergoeden, en dan moet de rest verdeeld worden onder allen. En indien de koorden braken, voor dat ze aan de kooplieden werden getoond, dan zijn de scheepslieden verplicht de schade te dragen. Maar indien de kooplieden gezegd hadden dat de getouwen goed en sterk genoeg waren, en ze braken, dan zijn allen verplicht in de schade te delen. Elke koopman zal daarin delen volgens zijn deel van de goederen.

Vonnis.

(11) Een schip komt te Sluis of op een andere plaats om wijn te laden en vaart geladen uit en de meester of zijn scheepslieden verzekeren hun bindingen of hun sluitingen niet, zoals ze verplicht zijn te doen, en het gebeurt dat storm of slecht weer op hen afkomt en dat  de bindingen breken en dat de bodem uit een vat of een pijp vliegt; en het schip komt behouden aan; en de kooplieden zeggen dat hun wijn verloren ging door de bindingen en de meester zegt van niet; indien de meester met drie of vier van zijn scheepslieden, die door de kooplieden werden uitgekozen, willen zweren dat het verlies aan wijn niet te wijten is aan het gebrek aan de bindingen of de sloten, dan zal de meester vrij zijn. Indien ze niet willen zweren, dan zullen ze verplicht zijn de schade te vergoeden, want ze zijn verplicht hun bindingen en sluitingen na te zien, eer ze vertrekken van de plaats waar ze hebben geladen.

Vonnis.

(12) Een meester huurt zijn scheepslieden. Hij is verplicht ze in goede verstandhouding te houden en hun bemiddelaar te zijn, in verband met alles wat ze onder elkaar doen of misdoen, zo lang als hij ze eten en drinken geeft. Degene die de andere een leugenaar noemt, moet 4 deniers betalen. Degene die de meester een leugenaar noemt of indien de meester een scheepsgezel een leugenaar noemt, elk van hen moet 8 deniers betalen. Gebeurt het dat de meester een scheepsgezel slaat met de hand of de vuist, dan is deze verplicht dit te verdragen, maar indien hij meer slagen krijgt, dan mag hij zich verweren. En indien een scheepsgezel de meester slaat, dan kost hem dat 100 schellingen of zijn hand.

Vonnis.

(13) Een schip is bevracht om naar Bordeaux(, naar La Rochelle) of ergens anders te varen en het komt aan op de plaats waar het moet gelost worden; er werd overeengekomen tussen partijen dat de kosten van pilotage gedragen werden door de kooplieden; aan de kust van Bretagne, om gepiloteerd te worden bij het eiland Bats ; de pilotagekosten zijn klein voor Calais (sic) voor Normandië en voor Engeland, en voor Schotland, bij Yarmouth, en die voor Vlaanderen, als men voorbij Calais vaart.

Vonnis.

(14) Het gebeurt dat er twist ontstaat tussen de meester en de koop(sic)lieden. De meester zal bevelen het schoon laken van voor deze scheepsgezel, waarmee hij twist heeft gehad, weg te nemen, voordat hij hem van het schip zet. Indien de scheepsgezel aanbiedt om de twist of de misdaad goed te maken, bij het zeggen van de scheepslieden van de tafel, en de meester is zo hoogmoedig om niet toe te geven, en verplicht hem van het schip te gaan, dan mag de scheepsgezel het schip volgen tot op de plaats, waar gelost moet worden. Hij zal hetzelfde loon krijgen als indien hij in het schip gebleven was en de misdaad had goed gemaakt. Indien de meester een minder goede scheepsgezel huurde, om hem te vervangen, en er gingen goederen of het schip verloren, dan zou de meester verplicht zijn de schade te vergoeden, volgens wat hij meeheeft om te betalen.

Vonnis.

(15) Het gebeurt dat een schip in een haven aangemeerd ligt en dat een ander schip met het tij aankomt en het schip, dat aangemeerd ligt, ramt, zodat dit schip schade heeft en dat er bodems uit de wijnvaten vliegen; de schade moet, bij prijzen, gedeeld worden tussen beide schepen en de wijn of de goederen, die in beide schepen voorradig zijn, moeten gemeenlijk de schade delen. De meester en de scheepslieden van het ander schip moeten zweren dat zij het niet opzettelijk deden. Dit is de reden, waarvoor dit vonnis werd opgemaakt: het gebeurt dat men een oud schip graag in de weg legt van betere schepen om van het ander schip al de schade vergoed te krijgen, als het door het beter schip wordt geramd. Maar als men weet dat de schade half en half vergoed wordt, dan legt men het schip liever uit de weg.

Vonnis.

(16) Een, twee of meer schepen liggen in een haven, waar weinig water is, zodat de ene naast de andere ligt. De meester van het schip moet aan de andere scheepslieden zeggen: ‘Heren, licht uw anker, want ge ligt te dichtbij en wij zouden schade kunnen lijden’. Indien zij het anker niet willen lichten, dan mag de meester en de scheepslieden van het eerste schip het anker lichten en gaan liggen op een betere plaats voor de andere. Indien de anderen het hem verbieden en hij daardoor schade heeft, dan zijn ze verplicht dit te vergoeden. En ligt er een anker, zonder boei, van wie het ook is, en het berokkent schade, dan moet dit vergoed worden. En ligt men in een droge haven, dan is men verplicht een boei, lijnen en getouwen te leggen.

Vonnis.

(17) De scheepslieden van de kust van Bretagne hebben recht op een maaltijd per dag, omdat zij bij het heen- en terugvaren wijn krijgen, als drank. De noormannen moeten er 2 hebben, omdat zij niets anders drinken dan bronwater; maar als het schip aankomt waar wijn wordt verbouwd, dan is de meester verplicht hen wijn te geven.

Vonnis.

(18) Als een schip op zijn ontlaadplaats aangekomen is, te Bordeaux of elders, dan is de meester verplicht aan zijn koop(sic)lieden te vragen: ‘Heren, legt U uw voering[5] of vracht U en laad U het met de vracht in het schip?’ Zij zijn verplicht te zeggen wat ze willen doen. En verkiezen zij een vracht te hebben, zoals dit van het schip, dan zullen zij dat hebben. En indien zij het willen mogen zij een eigen vracht hebben, indien het niet nadelig is voor het schip. En vinden zij nadien geen vracht, dan zal de meester daarvoor geen schadevergoeding moeten betalen, maar hij is verplicht hen hun ruim en hun plaats aan te tonen. En elke scheepsgezel mag daar zijn gewicht aan voering in leggen. En indien de meester en de scheepslieden het willen, dan mogen zij een vat water in het ruim leggen. En wordt dit over boord gegooid, dan moet het verrekend worden, als wijn of andere goederen, van pond tot pond.

Vonnis.

(19) Een schip komt geladen en behouden aan op de plaats waar het moet lossen. De scheepslieden vragen hun loon. De meester mag hun loon inhouden, gezien zij noch bedden, noch schrijnen in het schip hebben, om zeker te zijn dat zij het schip terugbrengen, van waar zij vertrokken zijn, of om de vaart te volbrengen.

Vonnis.

(20) Een meester huurt zijn scheepslieden; de enen zullen voor heen- en terugreis hun voering hebben, de anderen geld. Ze zien dat het schip geen vracht vindt voor de terugreis. Het schip moet terugvaren. Zij moeten het schip volgen, maar de meester moet het loon van degenen, die om geld varen, verhogen, elk a pro rata van de manier waarop hij gehuurd werd. Werden zij gehuurd voor een bepaalde tijd en laden zij dichterbij, dan wat voorzien was, dan moeten zij toch hun volle loon krijgen, maar ze zijn verplicht het schip terug te brengen naar de plaats vanwaar het vertrokken is, als de meester dit eist.

Vonnis.

(21) Als een schip te Bordeaux of ergens anders aan wal ligt, dan mogen twee scheepslieden aan wal gaan en uit het schip deze spijzen meenemen, die dan bereid worden, en zoveel brood als zij bij een gerecht eten, maar ze mogen geen drank meenemen en ze moeten zo vlug terugkomen, zodanig dat de meester niet moet verletten. Want indien de meester schade leed door hun afwezigheid, dan zouden zij verplicht zijn dit te vergoeden. En indien een scheepsgezel zich kwetste bij gebrek aan hulp, dan zijn zij verplicht hem te doen genezen en de meester en de gezellen van de tafel te vergoeden.

Vonnis.

(22) Indien een meester zijn schip aan een koopman vervracht en er een laadtermijn wordt afgesproken en indien de koopman het schip niet laadt en het schip en de scheepslieden 15 dagen of meer ophoudt en indien de meester zijn vracht door de schuld van de koopman verliest, dan is deze verplicht de meester te vergoeden, volgens wat bepaald wordt. Daarvan zullen de scheepslieden een vierde krijgen en de meester drie vierden, om reden dat hij hun kost wint.

Vonnis.

(23) Een meester vervracht zijn schip en laadt het om de reis aan te vangen en blijft zo lang liggen dat hem geld ontbreekt, dan mag hij wel iemand naar huis zenden om geld. Maar hij moet de goede wind niet laten voorbijgaan. Deed hij dat wel, dan was hij verplicht de schade van de kooplieden te vergoeden. Hij mag wel wijn nemen van de kooplieden en dit verkopen en daarvan het nodige geld nemen. En als het schip op zijn losplaats aangekomen is, dan moet de wijn, die de meester genomen heeft, verrekend worden aan de prijs dat de andere wijnen verkocht worden. En de meester zal voor deze wijnen zijn vracht krijgen, zoals voor de andere.

Vonnis.

(24)Een knaap is loods van een schip en hij wordt gehuurd om het schip te brengen op de plaats, waar het gelost moet worden. Het gebeurt dat er in de haven ketens of afsluitingen zijn, waarbinnen de schepen moeten lossen. De meester is verplicht aan de scheepslieden de plaats te tonen, waarheen het schip moet geleid worden en de getouwen uit te zetten, zodanig dat de kooplieden geen schade oplopen, bij gebrek aan getouwen. En indien de kooplieden schade ondergaan, bij gebrek aan getouwen, dan is de meester verplicht dit te vergoeden. De loodsman zal zijn vaart beëindigd hebben, wanneer het schip zonder schade binnen de ketens zal gebracht zijn. Hij is niet verplicht het schip verder te leiden. Indien het schip verder vaart, dan is het op last van de meester en van de scheepslieden.

Tot daar de tekst van het eerste deel.

De laatste jaren is het stil geweest rond het Waterrecht van Damme. Sedert de studie van K-F. Krieger, Ursprung und Wurzeln der Rôles d’Oléron, uit 1970, waarin het waterrecht als een kopie van de Rôles d’Oléron wordt bestempeld, aanvaardt iedereen deze théorie. In 1984 schreef Professor Dirk Van Den Auweele een merkwaardig artikel in “Brugge en de zee”, onder leiding van Valentin Vermeersch, Mercatorfons, Antwerpen. Het werd hoofdstuk 7 van het boek, onder de naam “Het Brugse zeerecht, schakel in een supranationaal geheel”. In dit artikel beschreef hij de Rôles d’Oléron – Waterrecht van Damme op een overtuigende manier, maar spijtig genoeg in de optiek “Brugge”. Damme wordt in de tekst amper vermeld. Ook Professor Van Den Auweele aanvaardde de theorie van het waterrecht, als kopie van de rôles.

Wat nu algemeen aanvaard wordt, is de rol die Damme heeft gespeeld in de verspreiding van deze rechtsregels in het Noordelijk Zeegebied, mede door toedoen van de Duitse Hanze. Overal in het Hanzegebied vinden we exemplaren van het waterrecht van Damme, die ofwel als rechtsregels werden gebruikt, ofwel werden aangepast aan de lokale noden, zoals dit het geval is met het waterrecht van Wisby. Het mooiste voorbeeld van het gebruik van het waterrecht van Damme in een Hanzestad is het voorbeeld van Gdansk, waar het waterrecht zeker tot in de 17de eeuw als waterrecht van de stad werd gebruikt en waar nu nog verschillende exemplaren van dit waterrecht terug te vinden zijn in het Nationaal Archief en in de Bibliotheek van de Academie der Wetenschappen[6]:

1. "Dit is twater recht (de men) in vlaenderen (thom Damme vsert dar de andern watherrechte vth gesprathen sienn)" (1407) (AGd. 300 R qu F. 1).

2. "Dith sien de waterrechte de men thom Damme ynn Flandern gebrukett daruth de anderen Waterrechte entsprathenn sien" (1429) (AGd. 300 R qu F. 2).

3a. "Das Wasser Recht! Nach welchem sich der Seefahrende Mann mag haben zu richten vnndt zu entscheiden".

"Dies ist die Ordinantia, die die Schipper und Kauffleuthe vnter sich haben von Schiffrecht Schluss Anno 1522" (BGd. ms 708).

3b. "Allhier heb sich an das Wasser Recht. Darnach mag sich der Seefahrende Man[n] haben zu richten und zu entscheiden" (BGd. ms 1819).

3c. "Das Wasser Recht Nach welchem sich der Seefahrende Man(n) mag haben zu richten vnd zu entscheiden, Dantzig Anno 1522 Folget zu andern Die Ordinantia die die Schiffer vnnd Kauffleute vnter sich haben von Schiffrecht 1522" (BGd. ms 681).

4a. "Ius Nauticum Civitatis Gedanensis 1611". (AGd. 300 R F. 9).

4b. Idem als 4a (BGd. ms 902).

4c. "Das Wasser‑Recht , nach welchem sich der Seefahrende Mann mag zurichten undt zu entscheiden haben”. (BGd. ms 834).

Ook te Greifwald en in de Koninklijke Bibliotheek in Kopenhagen  zijn nog exemplaren van het waterrecht te vinden[7]

De theorie van de originaliteit van de rôles ten opzichte van het waterrecht is zowel bij Krieger, als voordien bij Kiesselbach[8] vooral gebaseerd op de hoofding van de tekst van het waterrecht in het Purperenbouck, f°1 en vlg., uit het Stadsarchief te Brugge: “Dit es de coppie van den rollen van Oleron van den vonnessen van der zee”. Gezien deze tekst met deze hoofding begint, kon het niet anders: de rôles zijn het origineel, het waterrecht is de copie. Niemand heeft zich echter ooit de vraag gesteld waarom die tekst deze hoofding heeft meegekregen.

Brugge, de grote handelsstad, is gedurende haar ganse roemperiode gefrustreerd geweest door het feit dat ze geen autonome haven had, maar wel grotendeels afhankelijk was van de havens van het Zwin. Damme, Monnikerede, Hoeke en Mude waren onafhankelijke steden; ook Sluis, die meermaals van Brugge afhankelijk werd gemaakt en zelfs door Brugge werd verwoest, om haar opkomende macht te fnuiken, werd in de 15de eeuw dé haven van Bourgondië en daardoor in die periode veel minder afhankelijk van Brugge.

In deze optiek moet men dan ook de hoofding in het Purperenboeck zien. Brugge zag met lede ogen hoe het waterrecht te Damme werd gesproken. De zaken betreffende het waterrecht werden voor het gebied van het Zwin te Damme behandeld en niet te Brugge. Bij deze rechtspraak was het niet mogelijk naar Brugge ten hoofde te gaan.

Brugge heeft er alles aan gedaan om in het civiel recht hoofd te worden en te blijven van de ‘smalle steden’. Verschillende malen werd de bevestiging ervan van de graaf van Vlaanderen geëist. Voor het waterrecht is dit nooit het geval geweest. Er is nergens een actie van Brugge gekend om macht te krijgen over deze rechtspraak. Brugge had zich erbij neergelegd dat ze in deze materie niet bevoegd was.

Het is dan ook zeer goed mogelijk dat het waterrecht de hoofding Dit es de coppie van den rollen van Oleron meekreeg en dat de naam waterrecht van Damme zelfs niet werd vernoemd uit afgunst ten opzichte van Damme, zoals nog in de 20ste eeuw, in “Brugge en de zee” het hoofdstuk over het waterrecht van Damme de naam meekreeg “het Brugse zeerecht”, alhoewel Brugge er nooit iets mee te maken heeft gehad. Dat het waterrecht van Damme noch in de ontwerpcostume noch in de gehomologeerde costume van de stad Brugge enig spoor heeft nagela­ten is op zichzelf al meer dan een bewijs dat Brugge niets te maken had met het waterrecht.

Een bewijs dat het waterrecht te Damme werd gesproken, en niet te Brugge, vinden we in het enige overgeleverde relaas over het waterrecht terug.

Op 3 juli 1421 wordt er door de magistraat van Brugge akte genomen van de verklaring van Jan de Vos, burger van de stad, die voor de Aldermannen van de Duitse Hanze de teruggave had geëist van 38 vaten wijn, die door Spanjaarden vóór La Rochelle waren gekaapt en door Duitse kooplieden van deze kapers waren afgekocht. Het proces voor de Aldermannen duurde sedert een jaar. Uiteindelijk werd hij voor de wet van Damme gestuurd.

Jtem, zeide de zelue Jan, bi zinen eede, dat hi vp de vorseiden zaken gherne wet ghenomen hadde voor de voorseiden ouderliede ende dat an hemlieden beheerende was, maer, naer dat hi voor hemlieden een jaer lanc of daer ontrent veruoght hadde, zy den zeluen Janne voor tvlaemsche recht ten Damme verzonden hadden, ter welcken plaetse vanden Damme hi na der hand vp hem zeluen zine zaken veruoght heift ende daer in wetten hanght ...[9]

In een brief van 22 april 1422, door de Aldermannen aan de Raad van de Hanze gestuurd, wordt de uitleg van de zaak als volgt aangegeven: De wijn werd naar het Zwin gebracht door Berndes van Munster, en gezien Damme de plaats was waar het waterrecht werd toegepast en ook de stapel van wijn bezat, werd haar bevoegdheid aanvaard.

Unde se ok den waterrechte anrorende weren, daerumme wy se van dem waterrechte mit lyke niet verscheden en mochten.[10]

Op  24 januari 1425 vragen de raadsheren van Stralsund en Greifwald aan die van Lubeck in deze zaak Heinrich Greverade onder hun bescherming te nemen.

Honorabilibus et circurnspectis viris, dorninis proconsulibus et consulibus ciuitatis Lubicensis, arnicis nostris sincere dilectis, detur.

Vnsen vruntliken grot mid begheringhe alles ghuden thovoren. Ersamen heren vnde ghuden vrunde. Yuwer erbarheit mach wol vordenken, wo dat Hinrik Greuerade vnde Albrecht Klippink schelinge to hope hadden van weghen zeerouedes ghudes, dat vorkoft was etc., vmme welkerer schelinge willen de erbaren radessendeboden binnen vnser stad, do se vthe Prusen quemen, de beiden part in vruntschop vnde mid rechte vorschededen, also dat recess van derne jare, tho der tijd gemaket, lutterliken vthwiset. Vnde wente, leuen vrunde, Hinrik Greuerade vmme der suluen sake willen nadens van deme kopmanne in Vlanderen gewhiset wart tho deme Damme vor dat waterrecht, dar do de erbaren radessendeboden binnen yuwer stat tho daghe vorghaddert deme kopmanne vmme gutliken vorschreuen mid lefliker vnderwisinge, also dat recess, dat in deme xxij jare vmme Pinghesten vthen bynnen yuwer stat gemaket wart, clarliken vthwiset, dar do deme kopmanne vorscreuen wart, dat alsodane sake echliken vnde van reddelicheit wegen den steden tho vorschedende wol thobehorde, so verne se en tholastich geworden were, wente de stede na eren ordinancien meenliken vorboden in allen buwerspraken by liue vnde bi ghude, seerouet ghud nicht tho kopende, welk ordinancien se van horsames wegen plichtich sint tho holdende, vnde dat waterrecht nicht an enroren, vnde weren den kopman vorder vruntliken biddende, nademe dat de stede Hinrike vnde sinen vrunden thorichtet hadden, dat he vnde sine vrunt mit rechte sik holden mochten an de jenen, de ere seroueden ghudere gekoft hadden, vnde ok an de suluen ghudere, wor se de anquemen, dat se en dar vmme des rechtes willen behulplik tho weren, wor Hinrike vnde sinen vrunden des noet were, vnde se dar nemende ane hinderen leten, vppe dat der stede ordinancie by en nicht vorsumet worde, wente scheghe Hinrike wederstal edder hinder darane, dar id in ereme sturende vnde kerende were, so mosten de stede Hinrike vnde sinen vrunden vmme rechtes willen ghunnen, dat se sik mid rechte holden mochten an de yenen, de se iegen der stede ghutlike vorscriuent vnde bod vorwiset hebben etc. Des is nv, leuen vrunde, vor vns gewesen Hinrik Greuerade vns klegheliken tho vorstande ghegeuen, wo enm van deme kopmanne nicht weddervaren moghe vnde bescheen, des gi em vnde wi alle togherichtet hebben, dat vns doch ghancz wunderlik vnde sere vnvochlik dunket sin dat sik de kopman also wreuelachtigen iegen der stede africhtent vnde rechticheit settet, van vns vorbat andachtliken begherende vnde biddende, eme in den vorscreuenen saken to helpende. Worvmme, ersamen heren vnde leuen vrunde, bidde wi yuwe erwerdicheit mid ghanczer vlitliker begheringhe, een mid em, nademe dat gi vnser aller macht dar wol ane hebben, eme sodane breue tho geuende vnder yuwen seghele in vnser aller namen, isset dat id iw geleuet dar he sik mede moghe holden an de ienen vnde ere ghudere, de ene syne vrunt tegen der stede gutlike vorscriuent vnde bot vorwyset hebben, vppe dat der stede africhtent vnde rechticheit vormiddelst en nicht gheswaket vnde gemynnert werde. Yw elsamen heren vnde leuen vrunde, sik gudwillich vnde vruntliken hirane to bewisende, vorschulde wi vmme yuwer leuen willen alle tijd gerne, wor wi konen vnde moghen Ghode almechtich syt beuolen to langen salicheiden, ouer vns alle tid bedende. Screuen in sunte Pauli auende siner bekeringe, vnder der vamrne Sunde secreto, des wy nv tho desser tijd samentliken brukende sint, anno etc. XXVto.

Raetmanne der stede Stralessunt vnde Gripeswold.[11]

Verder stellen we vast dat de tekst van de zogezegde rôles in het Purperenboeck in het Vlaams geschreven is, wat met zekerheid niets te maken heeft met de rôles. Alle nog bestaande exemplaren van de rôles zijn in het Frans geschreven. Alle Vlaamse of afgeleide exemplaren dragen als naam het waterrecht van Damme. Zowel in het Purperenboeck als in de andere cartularia van Brugge zijn de originele franse teksten altijd in het Frans overgeschreven. Waarom is dit hier dan niet het geval?

We zien ook dat in de Vlaamse tekst Sluis als vertrekhaven voorkomt, wat in de rôles niet het geval is. Dat Bordeaux en La Rochelle als aankomsthavens vernoemd worden is logisch, gezien het grootste deel van het zeeverkeer vanuit Damme, de wijnstapel van Vlaanderen, naar de wijnstreken van de Poitou gebeurde en omgekeerd. Dat Sluis voorkomt en niet Damme, is logisch, gezien de overgeleverde teksten uit de 15de eeuw dateren en toen Sluis reeds dé haven van het Zwin was. De naamsverandering heeft in de loop der tijden kunnen plaatshebben.

Dat Damme en later Sluis de draaischijven geweest zijn in het Europese zeeverkeer kunnen we ook afleiden uit de vroege zeeboeken. In de Italiaanse portolani, de Portugese roteiros en de Franse routier de la mer vinden we zeekaarten en uitleg tot aan het Zwin. De noordelijke zeeboeken geven wel kaarten en uitleg tot aan Gibraltar, maar we weten dat het meeste zeeverkeer van de Hanze tot hier ging en niet verder. Het is ook van hieruit dat het waterrecht het Noorden bereikte.

Dit alles geeft wel geen antwoord op de vraag welk van de twee rechten, de rôles of het waterrecht, het oudste is.

Krieger bewees dat het de rôles waren en in zijn betoog gaf hij voor deze rechtsregels als terminus ad quem het jaar 1286. In zijn analyse om tot dit besluit te komen onderzocht hij o.a. de hypothese van de opstelling ervan door Richard I Leeuwenhart, die bij zijn terugkeer uit het Heilig Land Oléron zou aangedaan hebben en er de rôles zou gepubliceerd hebben. Hij verwierp de hypothese op basis van het feit dat Richard bij zijn terugkeer uit het Heilig Land Oléron niet aandeed. Ook de tekst waarin dit wordt vermeld brak hij af.

Waar hij niet is op ingegaan, maar wel vermeldde, is het feit dat Richard, na zijn terugkeer uit het Heilig Land en uit gevangenschap bij keizer Hendrik VI tot in 1194, over Brabant en Vlaanderen naar Engeland terugkeerde[12]. Hij werd op zijn tocht gedurende vijf dagen door ongunstig stormweer in Damme (de haven van het Zwin) opgehouden[13], voordat hij het Kanaal kon oversteken. Hij kwam op 7 maart 1194 uit Antwerpen te Damme aan en verbleef er tot de 12de. Hij heeft toen alle tijd gehad om de lokale wetten en costumen te leren kennen en er copieën van mee te nemen. Misschien heeft hij toen ook Ter Doest bezocht[14]. Toen hij in Engeland terug was heeft hij deze teksten geanalyseerd en bijgewerkt en heeft ze dan als Rôles d’Oléron uitgegeven. In deze zin is de tekst van het document uit 1339[15], van de hand van een jurist van Edward III, dat zich in de Tower te Londen bevond, verklaarbaar, nl. quae quidem leges et statuta per dominum Richardum quondam regem Angliae, in reditu suo a Terrasancta, correcta fuerunt, interpretata, declarata et in insula Oleron publicata, et nominata in lingua gallicana la ley Olyroun. Men zou deze tekst kunnen interpreteren als: toen Richard uit het Heilig Land was teruggekeerd heeft hij zekere wetten en statuten – het waterrecht van Damme – verbeterd, uitgelegd en verklaard en op Oléron gepubliceerd en hij gaf ze de naam Rôles d’Oléron.

Een supplementair argument ten voordele van het waterrecht zijn de Vlaamse woorden, die in de tekst van de Rôles voorkomen, zoals havene en lodman (haven en loodsman), die typisch vlaamse termen zijn.

Het is ook mogelijk dat er in de loop der tijden aan kruisbestuiving werd gedaan en dat beide teksten aan elkaar werden aangepast. Het is zeker dat door de wijnhandel tussen de Poitou en Damme de beide streken voortdurend met elkaar in contact waren en dat ze elkaars wetten ook zeer goed hebben gekend. Een mooi voorbeeld daarvan is het akkoord tussen de magistraten van La Rochelle en St-Jean d’Angely en het schependom van Damme van 11 maart 1396 (ns) [16] betreffende de tarieven van makelaars en kuipers te Damme[17].

Ik heb wel geen harde bewijzen om mijn betoog te staven, maar met deze staat de theorie van Krieger toch weer op lemen voeten en is de vraag weer gesteld: was het de Rôles d’Oléron of was het het waterrecht van Damme? Naar mijn bescheiden mening …

Jacques De Groote


[1] Wat wij meestal als Zeerecht van Damme bestempelen, is in feite het Waterrecht van Damme. In geen enkele oude tekst staat er Zeerecht, maar wel altijd Waterrecht.

[2] RAB, AANWINSTEN n° 6874.  4040 17 december 1953 ARA 52397: zending archivalia uit het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Nr. 211 - waterrecht van Damme, 1 deel. Eric Huys wees mij op het bestaan van dit exemplaar. Samen hebben wij er dan de transscriptie van gemaakt.

[3] R BIEDERSTEDT, Het zeerecht van Damme, RdP, XXXVIII – nr. 2 – juni 1996, p. 49–65.

[4] Het cijfer ( ) is Hss. Greifswald, N = niet in de tekst.

[5] In de 14de – 15de eeuw spreekt men ook van ‘portage’.

[6] B JANIK, Najstarszy tekst prawa morskiego w Gdansku, Gdansk, 1961.

[7] R BIEDERSTEDT, RdP, XXXVIII – nr. 2 – juni 1996, p. 49–65; 'Dijth is dat olde water recht vann staueren vnd vann deme damme in flandern', KB Kopenhagen.

[8] TH KIESSELBACH, Der Ursprung der Rôles d’Oléron und das Seerecht von Damme, Hansische Geschichtsblätter, 1906, p. 24-25.

[9] Lubeck. Urkundenbuch, VI, bl. 360, nr 339.

[10] Idem, bl. 437, nr 414.

[11] Idem, bl. 621, nr 641.

[12] Dit feit werd me gemeld door Germain Bonte, die er gegevens over had verzameld. Sint-Guthago, Archief Germain, Archiefdoos B, Map 4.

[13] Chronica Rogeri de Hoveden, ed. Ders. 1868-71, p. 235.

[14] Hij had enkele dagen voordien, namelijk op 25 februari, te Brussel, de abdij in bescherming genomen en had haar vrijgesteld van alle tollen in zijn staten; ASB, VANDECASTEELE-WERBROUCK, Chronique de l’abbaye de Ter Doest, Codex diplomaticus, 42, nr 9.

[15] J M PARDESSUS, Collection de Lois Maritimes …, Paris, 1828, p. 289.

[16] RAB, Charters Brugse Vrije, charter 266.

[17] Lees J DE GROOTE, Het vergierrecht van het Sint-Janshuis, volgens de overgeleverde oorkonden. In : Wijn meten in Damme, 600 jaar Vergierrecht, docu.map bij de Tentoonstelling 19 oct.-23 nov. 1997, Sint-Janshospitaal Damme, p. 4-19.

BIJLAGE

A.      Origineel: Perkament (12 vellen, gebonden) (H 220, B 143 mm).  

 

Dat waterrecht.  

f°1.

Dit sijn die Vonnissen vanden waterrechten ten Damme in Vla­[en­deren][1].

[1]Eerst men maect eenen meester van eene scepe scipt be­hoert tot hem tween of hem drijen. tscip vaert vten landen van daen het is ende coemt ter sluys te bordeeus te rossiel of elwaert ende is ghevracht in vremden landen te zeylen die meester en mach scip niet vercopen hij en hebbe oerloof vanden gheenen diet toe behoert. Mer heeft hijt te doen van vitaelge hij mach wel vanden ghewanden ende ghetouwen te panden setten of legg­hen biden rade raden vanden scipmans.

Vonnis

[2]Een scip leit in een hauen beydende den tijt ende wijnt ende alst vandan varen wil die meester is sculdich raet te nemen uut sijnen scipluden en tot hem te segghen ghij heeren wij hebben wijnt te zielen waer dan enich vanden scipmannen die seide die wijnt en niet goet die meester is sculdich ouer te draghen metter meester partien ende dede hij anders hij waer sculdich tscip ende goet te gelden bleeft verloren ende heeft hij also vel waer mede

Vonnis

[3]EEen scip brect in eenich lant te wellicker stede dat tet si die scipluden sijn sculdich goet te behouden also si beest moghen ende meest Ende ist dat hem helpen die meester is hem sculdich haer loen ende heeft hij gheen ghelt van den goed dat sij hem helpen behouden soe moet hijse weder bregghen tot horen landen Ende helpen sij hem niet hi en is hem niet scul­dich ende si sullen haer loen verlijsen als een scip is verlo­ren Ende die meester en mach tghetouwe niet vercopen hij en hebben oorflof vande gheene diet toe behoert Ende doen dit also ghetrouwelick als hij mach en dede hij anders hij waert sculdich te beteren

f°1v°.

Vonnis

[4]Een scip vraet vander sluys of van anderen steden het ghevalt dattet brect men is sculdich te behouden alsmen meest mach vanden wijn of van anderen goeden/ die meester ende die coop­luden warden in grooten twijst die coopluden teghen den meester om te hebben goet sij sijnt wel sculdich te hebben gelden sij die vracht als verre als die meester ghenoecht Mer wil die meester men macht doen bereiden dat scip ist dat men beteren mach in totten tijden ende is des niet hi mach hi mach een ander scip huren en die vaert vol doen ende hij sel hebben sijn vracht van al dien goeden datter behouden wart bij enigher manniren

Vonnis

[5]Een scip vaert van eenigher hauen gheladen of ijdel ende is ghecomen in een ander hauen die scipluden sijn niet sculdich vten den scepen te gaen sonder des meesters oerlooff Want waert alsoe dattet scip arrede of verloren worden bij enigher aventuren sij warent sculdich te beteren mar leit dat scip ghemeert mit vier touwen so mochten sij wel vt gaen ende weder te scepe te tijden en te wilen

Vonnis

[6]Het ghevalt dat scipluden hem verhuren ter tijt horen meester ende eenich van hemluden gaen wten scepen sonder oerleef ende drincken droncken ende maken ghestrijt of twijst het gevalt datter enich ghewont waert die meeste[r] en is hemluden niet sculdich te doen ghenesen op des scip koost mer hij machse wten scepe doen ende huren ander in die stede

f°2.

van hem luden ende costen sij meer sij sullent betalen moeten ende den meester weder keren dat si van hem ontfanghen hebben mer senden se de meester menighen dienste vanden scepe daer si hem quetsen of wonden sij sijn sculdich gheheelt te warden op des sceps coost.

Vonnis

[7]Het ghevalt dat enich scipman  in sieckheid coemt hem tween of drijen bliuenden in den dienst vanden scepe moghen van sieckheiden inden scepe niet bliuen die meester isse sculdich vten scepe te doen ende in een herbarghe te legghen ende te leveren kerstlicht bij te sijen ende een van den scipluden bi hem te verwaren ende hem te versijen mit alsullicke spise alsmen int behooeft ende mem hem gaf doe sij ghesont waren ende anders niet hij en wilt doen ende willen sij costelicken spisen hebben die meester en is hem niet sculdich te gheuen ten sij op smeersters coost ende tscip en is niet sculdich hem te beiden mer te zeylen als rede is Ende is dat zake dat hij gheneset so sel hij hebben al sijn huere ende starft hij sijn wijf of sijn erfnamen sullent hebben.

Vonnis

[8]Een scip vaert vander sluys of van anderen steden het gheualt dat hem torment toecoemt vander zee ende en mach niet liden sonder scade van goet te warpen zij sijn sculdich den coeplu­den te toghen ende dat sij segghen horen wille dats machmen wel wapen bij aventuren tusschen coopluden ende den mees­ter warden aldaer te claersten ende ist dat die coepluden niet ghedoghen en willen dat ment warpt die meester

f°2v°.

en sel daer om twarpen niet laten op dat hem goet duncket mit  hem drijen te sweren van sijnen ghesellen als sij te landen ghecomen sijn dat zijt dede om te behouden lijf goet ende scip en toghen dan datter ghewarpen waert ende het sel warder gheprijst van ponde te ponde ende ghedeelt onder den coepluden opt goet datter behouden wart ende die mester is sculdich daer of te gelden als van sijnen scepe of van sijnre vracht in een versettenghe van sijne scade elck scipman sel hebben een vat vrije ende hebben sij meer goets dat moet deilen an die scade nae datter elck in heeft ten sij dat sij hem niet eerlic­ken en verweren in die noot als goede knapen so en sellen sij gheen dinck vrij hebben ende men ssels den meester gheloven bij sijneb eeden

Vonnis

[9]Het ghevalt dat een meester van eenen scepe kerft sijnen mast bij groten onweder hij is sculdich te roepen sijn coeplu­den ende hem te tooghen die noot ende dattet is te behouden lijf scip ende goet ende son wijlen gheualltet dat sij haren kabel kerven ende laten haren anker varen om te behouden tscip ende goet hets alle beide maste ende anker sculcich te prijsen van ponde te ponde alse zee warp Ende so sellen die coopluden daerof ghelden eer sij haer goet uten scepe doen ende waert also dattet scip sate droghe ende die meester beidede om ghes­cil van hemluden ende int scip enich goet leckende worde ende uten vaten liep die meester sel daer of sonder scade bliuen ende sake of hebben sijn vracht als van anderen goeden.

[10]Het ghevalt dat een meester coemt bider stede daer hij ontladen sel hij is sculdich die copluden tetoghen die corden ende die touwen daer hij mede wijnden sal ende is daer ijet an te beteren hij moettet

f°3.

beteren want worde daer of pipen verloren bij ghebreck van den ghetouwen die meester ende die scipluden waren sculdich die scade te beteren ende die meester moeter an delen overmits dat hij neemt wijnde ghelt ende twijn ghelt is sculdich te sijn ghedelt in versettinghen der ende navenant moet sijn ghedeelt onder hem luden ende braken die coerden eer dat sijse die coopluden toghen so sijn sij sculdich al den scade te gelden mer segghen die coopluden dat ghetouwe is goet ende sterck ende braket dan is elck sculdich te deylen an die scade elck coopman sal ghelden sijn deel eeuen veel

Vonnis

[11]Een scip is ter sluys of in anderen stede om wijn te laden ende waert van dane gheladen ende meester off sijn scipluden en versekerren niet haer fustallen noch haer sloten als ij sculdich waren te doen ende het geualt dat storm of quaet weder op hem coemt dat die fustalle brect ende dat vat of pipe den boemdem wt vlicht dat scip coemt behouden die coepluden segghen dat bider fustallen hoer wijn verloren sij die meester seit dat des niet en is ende is dat sake dat die meester ende drije of vier van sijnen scipluden die de coopluden daer wt hyelen willen sweren dat die wijn niet verloren en sij bijden ghebreken vanden fustallen noch van sloten die meester sel daer quit of wesen ende ist dat sijt niet en willen sweren so sijn sij sculdich den coopluden verset te doen te versekeren ende te sluten haer sloten wel ende seker eer sij sceyden van daer si laghen

Vonnis

[12]EEen meester huert sijn scipluden hi isse sculdich te houwen in payse ende haer middellaer sijn van al dat sij men cander doen of misdoen also langhe

f°3v°.

Als hij hem broet ende wijn gheeft ende die den ander lochg­hent hij verbuert V duet ende lochghent enich den meester of den meester enich scipman elck verbuert VIII deuyts ende is dat sake dat die meester enich scipman slaet mitter hant of mitter vuyste hij is hem sculdich eenich slach te verdraghen mer sloghe hij hem meer hij most hem wel weren ende sloghe eenich scipman den meester hij verboerde hondert scellinghen of sij vuyste

Vonnis

[13]Een schip is veruracht tot bordues te varen off anders waer ende het coemt daert ontladen sel ende maken tot haren partijen cogaghen ende die scade sijn op die coepluden an die coste van bartaghen diese nemen sal van daermen lijt tale is van normandien van enghelant ende van scotlant van dat men lyt Jermuden ende van vlaenderen dat men past caleys

Vonnis

[14]Het ghevalt dat is twijst tusschen den meester en den coopluden bivelen scoenlaken van vooer die scipman te doen ieghen hem daer hij stryt ieghen heeft ghehat eer hij hem vut sijnen scepe hijt gaen ende is dat sake dat die scipman den twijst ende die misdaet biet te beteren totter scipmannen segghen vander tafellen ende die meester is so ouermoedicht dat hier niet toevallen en wil ende doeten uyt gaoen die scipman mach den scepe vollinghe daert ontlaet en sel also goede huer hebben of hij inden scepe ghecomen waer te beren die misdaet ten segghen van die vander tafellen ende weire die meester met also een scipman als die het sij bij enigher maniren enich goet off scip verloren die meester is sculdich die scade te

f°4.

beteren geeft hij also veel goets mede te betalen.

Vonnis

[15]Eet ghevalt dat een scip leit in een hauene gheret ende een ander scip coemt mitten ghetijdende slatet scippe daert ghemeert so dattet aan dien scippe scade heeft ende wijn daer vutten boemdem vliecht die scade is sculdich te sijn ghedeelt bij prijse onder beyden die scepe ende die wijn oft goet dat in beyden scepen is is sculdicht te deilen ghemeenlicke die scade te hebben onder hemluden die meester vander vanden scepe die dat ander deel heeft hij is sculdich mit sijne scipluden te zweren dat sijs niet willens endede ende dit dis die reden waer tVonnisse ghemaect as het ghuvalt datmen een outscip gaerne leit inden wech vanden beteren scepe om vanden andere all die scade te hebben waert dattet van eenen andere goeden scepe ghebroken worden Mer alsmen wet dat die scade halff ende halff ghewijst wort so leyt gherne wt die weghe

Vonnis

[16]Een scip of twe of meer scepen die legghen in een hauen daer luttel waters is so dat die een wort sittende biden anderen die meester vanden scepe is sculdich te segghen tot den anderen scipluden ghij heeren licht vwen ancker want hij ons te nae leit ende wij mochten daer bij in scaden comen ende sij en willen den ancker niet lichten die ander meester ende sijn scipluden gaen lichten ende legghen bet vorwerts van hemluden ende ist dattet hem die ander verbijden ende scade daer bij lijden of nemen sij sijt wel sculdich te beteren ende leit een ander ander ancker boye die scade doet wijes dat hij sij hij sculdich te beteren ende ist datmen in eenen droghen hauen leit men is sculdich te legghen

f°4v°.

boechline ende ghetouwen dattet niet en seyle

Vonnis

[17]Die scipluden vander kost van bartanghen sij sijn sculdich te hebben een maeltijt tdaghes om dat men te varen ende te keren wijn drijnckt die voerman moeter twee hebben om dat sij anders niet en drinckken dan born thare dranck mar alst tscip comt daer die wijn wast die meester is hem sculdich wijn tharen dranck te gheven

Vonnis

[18]Het ghevalt dat een scip ghecomen is tot sijre rechter ont­laetstede te bordeus of anders Die meester is sculdicht te vraghen sijnen scipluden ghij heeren leggdi uwen voringhe of vrachtert dise ende laet ghijse in die vracht vanden scepe sij sijn sculdich te segghen wat zij doen willen ende ist dat sij kyesen sullicken vracht te hebben alst dat scip heeft sij sellense hebben ende willen sij si moghen doen in maniren dattert scip niet nae en lijt ende binden sij na die ghene vracht die meester en sel daer ghene wederstoot of hebben te haer rume ende haer leit ende elck scipman mach daer legghen een vat waters ende die scipmannen en worttet ouer gheworpen in die zee heet soude gherekent wesen voir wijn of ander goet van ponde te ponde ende mochten hem die coepluden redelicken bedraghen in die zee ende cooste doen enighen coopman alsul­licke biede alst scipmannen hebben also sel hebben die coop­man

[19]Een schip compt gheladen ende behouden toter rechter ont­laetsstede die scipluden willen hoer huer hebben ende daer sij sullicke die bedde noch stroe en hebben int scip die meester mach houden haer dinck of hure omt scip weder te bregghen daer sij daer

f°5.

in quamen of sekerheit te doen die vaert te voldoen.

Vonnis

[20]Een meester huert sijn scipmannen die een te varen ende te keren sullen hebben hoer voerighe dan dar om ghelt sij sijen dat tscip gheen vracht en vyt te lande te keren ende moet van daen varen sij moeten tscip vollighen mer die gheven die niet ghehuert en sijn om ghelt die meester moet haer huer beteren elck haer ghelike daer na dat zij ghehuert sijn bij termijnen laden sij nader sijn sculdich te hebben haer huer al mer sij moeten tscip bregghen daer sijt namen wil die meester.

Vonnis

[21]Het ghevalt dat een scip leit te bordeus of anders waer van sullicker spijsen alsmen daerat int scip twee scipmannen moghen vten scepe een gherecht draghen ende alsullick broet als daer binnen is nae dat sij eeten moghen tot eenre male mer sij en moghen daer ghene dranck wt draghen ende sij moe­ten scier weder comen so dat die meester niet en let of verlet en sij van des scips warcke ende wat namen die die meester scade bij ghebreck van horen waerck sij moestent beteren ende dat hem een scipman quetsede bij ghebrecke van hulpe sij sijn hem sculdich te doen genesen en hoir ghebreck van hem te beteren den meesten ende den ghesellen van der tafelen

Vonnis

[22]Het ghevalt dat een meester veruracht sijn scip eenen coopman ende bespreke bij eenen termijne tscip te laden die coopmannen en ladens niet ende houdent tscip ende luden xv daghen of langher ende eenich tijt verlijst die meester zijn vracht bij ghebreck vanden coopmans die coopman is sculdich te bete­ren dien meester zijn sullicke scade als daer op gheset woert ende daer of sullen

f°5v°.

hebben die scipmannen dat vierendeel ende die meester dat dardendeel om reden dat hem hair cost wijnt.

Vonnis

[23]Een meester vracht sijn scip ende latet om sijn reyse te doen ende hier en binnen bliuet dat scip legghede also langhe dat hem ghelts ghebrect die meester mach wel senden tot sijnen landen om ghelt mer hij en moet gheenen goeden wijnt ver­legghen dede hijt hij waer sculdich den coopluden haer scade te beteren mer hij mach wel nemen vanden coopluden wijn ende vercopen ende nemen sijn nootturft daerof ende als dat scip ghecomen is tot sijre rechter ontlaetstede die wijn die den meester ghenomen heeft is sculdich te sijn gherekent also alsmen den anderen wijn vercopen sel ende die mester sel hebben van desen wijnvracht als vanden anderen

Vonnis

[24]Een knape is leitsaghe van eenen scepe ende is ghehuert tscip te brenghen daert ontladen sel het het ghevalt dat in die hauenen sijn ketenen of sloten daermede binnen ontladen sel die scepe die meester is sculdich den scipman te versijen die stede van daer men die scepe in leit ende sijn ghetouwen wt setten so dat die coopluden gheenen scade en nemen bij ghebreck vander ghetouwen Die meester moet beteren die leist­man sel sijn vaert hebben ghedaen als hij scipt heeft ghe­bracht tot der keuenen ende niet vorder en ist hijt sculdich te brenghen ende dan vortan so blijft tscip opten meesters ende die scipluden cost ende sorghen.

f°6.

Dit is die ordinancie die de scippers ende die coopluden mit malkander begheren van sciprecht

 Tot hier het waterrecht van Damme, daarna volgt de tekst van het waterrecht van Amsterdam.

 

[1] Deze tekst is van een andere hand, ook ‘Vonnis’ en ‘Dit is die ordinancie…’ zijn van deze hand. Deze teksten stonden er in origine niet en werden later toegevoegd. De nummers [ ] staan niet in de originele tekst.  

 


 

Copyright © 2003-2009 Nedstat Basic - Gratis web site statistieken Eigen homepage website teller

     Home

     Letterswerve

     Zegels

     De Lieve

     Slekkeput

     Sint Omaars

     Libri picturati

Drawn after Nature

     Ecologisch

     Brugse poort

     Het waterrecht

     Sint Elooi

     Het hoornwerk

     Obiit

     Vergierrecht

     Artikels